De natuur van de economie

JANE JACOBS*
Samenvatting van het boek The Nature of Economies door Jan van Arkel
.

Mensen bestaan volkomen binnen de natuur en maken in elk opzicht deel uit van de natuurlijke orde. We moeten ons niet richten op de dingen, maar op de processen waaruit de dingen voortkomen. Kunnen we dat, dan vervaagt het onderscheid tussen natuur en economie dat we nu maken. Dit is het uitgangspunt van The nature of economies, het vijfde boek (The Question of Seperatism niet meegerekend)* van Jane Jacobs dat ze schreef in het jaar 2000. Hier volgt een samenvatting ervan.

Economieën en ecosystemen hebben veel overeenkomsten. Want er zijn in beide principes aan het werk die identiek zijn. Er bestaan universele natuúrlijke principes die grenzen bepalen aan wat we economisch kunnen doen en hoe we het kunnen doen. Proberen die ontwikkelingsprincipes te omzeilen is futiel. Deze principes vormen de basis voor economieën. We zullen in deze afleveringen proberen wat van deze natuur of aard van de economie te begrijpen.

Je denkt eerst al gauw dat economieën geheel en al mensenwerk zijn en niet natuurlijk. Iedereen kan genoeg dingen opnoemen die mensen en hun gedrag apart en anders maken. Zo gebruiken alleen mensen honden om een schapenkudde te drijven, bouwen alleen mensen ziekenhuizen, stoppen alleen mensen patat in een zakje. Al zijn er in de natuur ook genoeg aparte dingen te vinden. Denk aan bevers die dammen bouwen en aan spinnen met hun webben.

Als we ons niet op de dingen maar op de processen concentreren vervagen die grenzen tussen natuur en economie. Natuur voorziet het menselijk leven van zijn basis en geeft het mogelijkheden en grenzen. Ons economisch leven wordt beheerst door processen en principes die we niet hebben uitgevonden en niet kunnen ombuigen – of we het nu leuk vinden of niet. Hoe meer we die processen en principes leren kennen en hoe beter we ze respecteren, des te beter zullen onze economieën draaien.

Die natuurlijke principes betreffen ‘ontwikkeling’ (aflevering 2 t/m 7), ‘expansie’ (aflevering 8 t/m 14), ‘bijtanken’ (aflevering 15 t/m 18), vier middelen om ‘ontwrichting’ te voorkomen (aflevering 19 t/m 27), het ‘overleven van de best aangepaste’ (aflevering 28 t/m 31) en ‘onvoorspelbaarheid’ (aflevering 32 en 33). Het gaat daarbij heen en weer tussen natuur en economie. We beginnen met ontwikkeling.

De eerste zeven foto’s tonen wat er uit het eerste wiel allemaal ontwikkeld is.

.

Waar komen nieuwe dingen vandaan? Waarom blijft niet alles zoals eerst? Ontwikkeling kunnen we omschrijven als aanmerkelijke kwalitatieve verandering. Gewoonlijk komt die in kleine stapjes, al kan elke stap in een verandering van aard belangrijk zijn. Neem de resistentie tegen bepaalde antibiotica bij bepaalde bacteriestammen. Dat is een switch.

De middelen van verandering kunnen enorm verschillen. Maar of het nu om het groeien van een embryo gaat, de vorming van een rivierdelta, of de uitvinding van het wiel, er ligt een gelijk ontwikkelingsproces aan ten grondslag. We kunnen daarbij drie dingen onderscheiden.

Ten eerste: differentiatie komt tevoorschijn uit algemeenheid. Ongeacht tempo, schaal, levend of niet, dit principe is overal van toepassing. Neem ons zonnestelsel. Dit was oorspronkelijk een enorme wolk materie. Die wolk was de algemeenheid. De differentiatie die er uit voorkwam zijn de zon, de planeten en hun manen, met nog wat rondzwervend puin. De aarde die ontstond als differentiatie is op haar beurt een algemeenheid, waaruit volgende differentiaties konden voortkomen, zoals rivieren en vulkanen. Rivieren vormen weer delta’s, vulkanen vormen bergen, enzovoort.

Hier vinden we het tweede principe: Differentiaties worden algemeenheden waaruit vervolgens weer differentiaties tevoorschijn komen. Ontwikkeling, is met andere woorden, een proces dat maar doorgaat, dat complexiteit en diversiteit creëert, omdat een vermenigvuldiging van algemeenheden de bron vormt voor een vermenigvuldiging van differentiaties. Soms gebeuren die gelijktijdig, soms volgt de ene op de andere. Als een eenvoudig basisprincipe levert dit proces, steeds weer herhaald en herhaald, een duizelingwekkende diversiteit op.

Volgen we de ontwikkeling van een mens van één bevrucht microscopisch klein eitje, dan vormt dat door celdeling eerst een klompje vermenigvuldigde algemeenheid. Dan differentieert het in drie van elkaar te onderscheiden soorten cellen, die we ectoderm, mesoderm en endoderm noemen. Deze drie differentiaties zijn ook drie nieuwe algemeenheden, waar weer nieuwe differentiaties uit voortkomen, die de verschillende en ingewikkelde weefsels en organen van de zich ontwikkelende baby opleveren. In het voortplantingsorgaan van het kind worden alvast de ongedifferentieerde eitjes (of sperma) geconserveerd voor de differentiaties van de volgende generaties.

Differentiatie → algemeenheid → differentiatie; wat is dan het derde principe?

.

Zulke opeenvolgende stappen worden soms grafisch weergegeven. Zo hebben evolutiewetenschappers stambomen van de ontwikkeling van soorten getekend. Soms is het een strip van opeenvolgende plaatjes, zoals bij de gespecialiseerde voeten van verschillende zoogdiersoorten die voortkwamen uit de ongespecialiseerde voeten van de vroege zoogdieren (die kennelijk nog het meest leken op de poten van hedendaagse ratten). Dan zie je tenslotte deze resultaten: paardenhoeven, vleugels van vleermuizen, vinnen van walvissen, kattenklauwen en onze eigen handen, met die bijzondere duimen.

U kunt u afvragen: zulke ontwikkelingslijnen zijn allemaal mooi en aardig, maar het is slechts een deel van het plaatje. Een paard heeft niet alleen voorouders nodig, maar ook gras; en gras vergt een bodem, en een bodem vergt niet alleen verwering maar ook een hele rijkdom aan bodemleven, met compostering en afbraak en al.

Daar hebben we het derde punt te pakken: Ontwikkeling steunt op co-ontwikkeling. Ontwikkeling zien als een lijn, of zelfs als een verzameling van lijnen die maar doorgaan en doorgaan, is niet bruikbaar.
Ontwikkeling opereert als een web van co-ontwikkelingen die van elkaar afhankelijk zijn. Want zonder co-ontwikkelingsweb geen ontwikkeling.
De aarde heeft de zon nodig om zich te ontwikkelen. Een delta heeft zowel water als bezinksel nodig om te ontstaan, en die zijn ieder voor zich weer het gevolg van co-ontwikkelingen.

Elke dierlijke cel, inclusief die van ons mensen, draagt de afstammelingen in zich van mitochondria-bacteriën, die hun eigen afstamming hebben, die verschilt van die van de cel waarin ze leven. Mitochondria hebben hun eigen genetische materiaal – omdat ze zich eerst afzonderlijk ontwikkelden – maar nu leven zij en onze cellen in symbiose, wederzijds afhankelijk van elkaar, ook al was de co-ontwikkeling aanvankelijk misschien die van de verhouding van roofdier en prooi.

Mitochondria zorgen voor de verbranding van suikers, met als afvalproduct kooldioxide. Groene plantencellen kenden een co-ontwikkeling met chloroplasten. Deze laatste symbiose maakt het mogelijk zonlicht te vangen en die vorm van energie te gebruiken om uit die kooldioxide koolstof los te breken. Het afvalproduct zuurstof vervult dan weer onze behoefte om te ademen. Zo raakte het web van de co-evolutie weer een stap verfijnder.

Deze ingewikkelde co-ontwikkeling levert complexe systemen.

.

Co-ontwikkelingswebben volgden in de loop van de tijd stap voor stap een verdere verfijning. We kunnen er gerust van uitgaan dat wederzijds invloedrijke co-ontwikkelingen net zo oud zijn als ontwikkeling zelf. We zijn daarom misschien al gauw geneigd het coöperatie te noemen, maar met die naam moet samenwerking ook doelbewust zijn. Omdat de wereld vol onbedoelde samenwerking is, kunnen we het beter ‘onderlinge afhankelijkheid’ noemen.

Hoe verhoudt zich dat tot concurrentie, tot ‘het overleven van de best aangepaste’ van Darwin (zie ook aflevering 28)? Die concurrentie bestaat natuurlijk, maar hij bestaat naast de onderlinge afhankelijkheid. Concurrentie om voedsel en voortplanting vindt plaats in een arena. In de natuur is de arena een habitat. De best aangepaste panter in de jungle kan het schudden als zijn habitat eraan gaat (om plaats te maken voor palmoliewinning). Het is net zo met de bij, die geen honing vindt zonder bloemen. En wat is een habitat? Dat is een ingewikkeld, verfijnd web van onderlinge afhankelijkheden.

We hebben dus drie universele principes gevonden. Ontwikkeling is differentiatie die tevoorschijn komt uit algemeenheid. Een bepaalde differentiatie is een nieuwe algemeenheid waaruit potentieel verdere differentiaties kunnen opkomen. Dit is op die manier een proces zonder einde, dat steeds meer diversiteit voortbrengt en almaar gevarieerder, talrijker en verfijnder co-ontwikkelingsrelaties. Allemaal het gevolg van een eenvoudig soort verschijnsel, dat zich steeds maar herhaalt.

Er lijkt een kracht te zijn die het universum van simpel naar ingewikkeld drijft. Het waarom daarvan blijft een beetje een mysterie. Maar als we het ‘waarom’ van ontwikkeling niet bevredigend kunnen beantwoorden, dan kunnen we toch wel het ‘hoe’ van ontwikkeling onderscheiden. En dat kunnen we gebruiken bij ons begrip van economische ontwikkeling.

Toen de allereerste gereedschappen en wapens ontwikkeld moesten worden, was er nog niets voorhanden. De nog uiterst simpel levende mens van de steentijd vond in de natuur algemeenheden, die de ontwikkeling van deze natuur buiten de mens al had opgeleverd: stokken, stenen, beenderen, vuur. Men differentieerde die algemeenheden met vele tussenstappen in hamers, speren, schraapwerktuigen, toortsen, enzovoort. De ene ontwikkeling leidde naar de volgende; naar pijl en boog, netten, vlotten, pigmenten, fluiten, tassen, enzovoort.

Vanaf het moment dat de mens met de landbouw begon, heeft hij honderden nieuwe variëteiten (zij het geen nieuwe soorten) honden, varkens, geiten, granen en andere eetbare planten ontwikkeld door gewenste differentiaties te koesteren en te selecteren waarmee hij door wilde gaan.

Lees de gedachten van Jane Jacobs over het mogelijke ontstaan van de landbouw in het artikel in de rubriek economie.

 

Hoe meer differentiaties er economisch kwamen, hoe meer algemeenheden er waren, als basis voor nog meer ontwikkelingen. Zo ging het door.

Het eerste wiel kwam misschien wel voort uit een in de natuur gevonden ringetje dat draaide om een stokje als kinderspeelgoed. Als dat zo was, dan was de bepalende differentiatie eerst een grotere versie van steviger materiaal. Hoe het ook begon, uit het eerste wiel, dat nog één solide geheel was met een gat in het midden, kwam na vele stappen op een gegeven moment een lichter, sterker wiel met spaken tevoorschijn. Daaruit kwamen spinnenwielen, treinwielen, stuurwielen en fietswielen van carbon voort. Maar ook water- en windmolens, propellers en mixers; en de draaischijf van de pottenbakker, cirkelzagen en filmprojectors; plus katrollen, krulspelden en rotatiepersen.

Al die dingen kwamen er alleen omdat er co-ontwikkelingen in allerlei webben waren. Hiervan een boom tekenen is voor de economie al net zo misleidend als in de biologie. Een diagram dat bedacht wordt, komt voort uit lineair denken in plaats van uit denken in webben. Ontwikkeling zonder co-ontwikkeling is voor een economie al even onmogelijk als voor biologische ontwikkeling.

Misschien is de oudste economische algemeenheid wel onderling delen. Niet zomaar uitdelen, maar berekend, doelbewust delen als een institutionele sociale praktijk. Sociaal geformaliseerd delen, zelfs andere mensapen doen het. Je kunt je voorstellen dat hieruit de praktijk van de handel is voortgekomen. Steeds weer zullen mensengroepen ‘handel drijven’ moeten hebben gedifferentieerd van zowel ‘delen’ als ‘afpakken’. Toen handel een algemeenheid op zich werd, werd het een vruchtbare bron van verdere economische differentiaties – op het gebied van transport, communicatie, financiering, markten, opslag, en ook in wettelijke richtlijnen met contracten om interactie en samenwerking over grote afstanden mogelijk te maken. Handel kwam dus naast delen en afpakken.

Zo oud als het is, delen is met de overheersing van de markteconomie intussen geen economisch achterhaald relict geworden. Als we oude kleren in de daarvoor bestemde containers gooien, doen we dat bewust om ze een tweede gebruik te geven of tenminste om recycling te bevorderen. Hetzelfde is het met de voedselbank, een arrangement dat heel efficiënt werkt.

Dat wil niet zeggen dat elke differentiatie blijft bestaan. Sommige dingen zijn wel – en soms heel snel – verdwenen: de typemachine (die nu ook in India zijn economisch einde nadert), videobanden, of de walkman.

Meer over deze materie leest u in Het menselijk web van J.R. McNeill & William H. Mc Neill (2003, Het Spectrum). En in 2018 verscheen hierover Het plein en de toren van Niall Ferguson (bij Hollands Diep).

.

Is het nu zo dat onze economieën de manier imiteren waarop de natuur zich ontwikkelt? Nee. Economische ontwikkeling is geen kwestie van de natuur imiteren. Economische ontwikkeling is veeleer een kwestie van het gebruik van dezelfde universele principes die de rest van de natuur ook gebruikt. Het alternatief is niet om een andere manier te ontwikkelen; want er bestaat geen andere manier.

De uitvinder die de computer combineerde met een toetsenbord schiep een nieuwe lijn voor ontwikkelingen. Deze uitvinder hoefde niets te weten over onze symbiose met mitochondriën om met een vergelijkbaar idee te komen. Hij paste gewoon een algemeen geldig ontwikkelingsprincipe toe om de goede reden dat er geen andere principes voorhanden zijn. Economische ontwikkeling is gewoon een versie van natuurlijke ontwikkeling.

Heeft het een praktisch nut om te weten dat bij economische ontwikkeling differentiatie tevoorschijn komt uit algemeenheden? Dat kunnen we ons afvragen. En het antwoord is: ja. Het laat ons zien dat ontwikkeling geen verzameling dingen is, maar een proces dat dingen oplevert.

Tot in de hoogste instanties als ministeries en de Wereldbank is men geneigd in de misleidende ‘dingentheorie van ontwikkeling’ te geloven. Deze theorie veronderstelt dat het bezitten van dingen zoals fabrieken, dammen, scholen, tractors – infrastructuur kortom – ontwikkeling voortbrengt. Maar, als je die dingen naar een plek brengt waar het ontwikkelingsproces ontbreekt, zijn zulke verkregen of gekochte dingen eenvoudig producten van dit proces elders. Te stellen dat dingen ontwikkeling op gang brengen schept valse verwachtingen. Het kan juist afhouden van maatregelen die ontwikkeling wel aanmoedigen.

We kunnen nu begrijpen waarom ontwikkelingshulp moet aansluiten op het web van de betreffende plaats. En we begrijpen waarom macho-samenlevingen zulke zwakke economieën hebben. Mensen hoeven geen genie te zijn, of zelfs maar uitzonderlijk getalenteerd, om hun werk te ontwikkelen. De vereisten zijn initiatief en vindingrijkheid – kwaliteiten die volop aanwezig zijn in het menselijk ras – zolang ze niet worden ontmoedigd of onderdrukt.*

Het lijkt of allerlei instellingen in een eigen wereld leven, en dat goede raad er vaak niet doordringt.

.

Mensen zijn van nature creatief. Het resultaat ervan komt op de meest onverwachte momenten tevoorschijn. Maar, stel nu eens dat delen van een bevolking belemmerd worden economisch hun creativiteit toe te passen, dan wordt het werk dat deze mensen doen automatisch gesteriliseerd. Denk maar eens aan de positie van vrouwen, horigen, religieuze outcasts, onderdrukte rassen, of bepaalde kasten.

Voor een optimale ontwikkeling is het zaak elke vorm van discriminatie uit te bannen. Want gediscrimineerde groepen kunnen niet de algemeenheden vormen waaruit differentiaties tevoorschijn komen. Als zulke categorieën mensen specifiek werk doen, heeft dat soort werk geen basis voor ontwikkeling en het ligt niet voor de hand dat anderen in die economie dan voor die ontwikkeling gaan zorgen. Het gevolg is stagnatie.

In de Sovjet-Unie waren de ontwikkelingsinitiatieven en besluiten in handen van de bureaucraten. En net zoals je zou verwachten verspreidde de ontwikkeling van bureaucratisch en militair werk zich uitbundig, maar werd er voor het overige weinig ontwikkeld. De acht miljoen bureaucraten van de economische planning van de Sovjet-Unie geloofden trouwens in de ‘ding-theorie van ontwikkeling’ – net als veel politici, bestuurders en ambtenaren bij ons.

Iets dergelijks is aan de hand met monopolies. Misschien waren die bedrijven oorspronkelijk snel, slim, creatief en gedurfd bezig. Misschien was er een zekere economische bescherming nodig om iets nieuws van de grond te krijgen, voor het in de kiem werd gesmoord. Maar eenmaal aan de macht krijgen monopolies de tegenovergestelde eigenschappen: dom, log en moeilijk weg te krijgen.

Monopolies monopoliseren allerlei soorten algemeenheden en blokkeren daarmee ontwikkeling. Omdat ontwikkeling zwaar steunt op het testen van aanpassingen tegen concurrentie, moet er juist concurrentie zijn.*

Tot zover ontwikkeling, nu over naar expansie.

.

Nadat we de aard van ontwikkeling bekeken, richten we nu onze aandacht op de aard van expansie.* We beginnen met expansie in de natuur.

Het volume en het gewicht van biomassa op aarde is een verbazingwekkende demonstratie van expansie. Het begon met een barre planeet en nu is er een enorme kluit planten en dieren, inclusief zeveneneenhalf miljard mensen. Niet iedereen beseft het, maar het volume van de biomassa bestaat voor driekwart of meer uit micro-organismen. Er leven ook nog onvoorstelbare aantallen micro-organismen diep onder de grond en in de diepzee (en dan heb je nog overblijfselen van leven, zoals fossiele brandstoffen, humus, kalksteen, en dergelijke).

Zoveel massa en diversiteit is natuurlijk onmogelijk als er geen ontwikkeling en co-ontwikkeling zou zijn. De puzzel is: hoe gaat dat? Je zou denken dat iets nieuws dat succesvol is, iets bestaands met een even groot volume misschien verdringt. Maar dat gebeurt niet, niet in de natuur en niet in het economisch leven.

Als we de successie van leven op een aanvankelijk kaal veld volgen, dan zien we het volume van de biomassa stap voor stap toenemen. Pionierplanten beginnen de bodem te bedekken, bodemleven begint, er komen struiken, boompjes, jonge boompjes worden groot, dierlijk leven wordt gevarieerder, met wormen en kevers, vogels, kleine zoogdieren, en een heleboel micro-organismen.

Het lijkt erop dat op een gegeven moment het hele spectrum van levende wezens wel aan boord van deze Ark van Noach is. Toch weet de toename van de biomassa dan nog niet van ophouden. Bomen worden groter, de humuslagen dikker, wormen vetter, paddenstoelen robuuster, muizen talrijker en korstmossen zwellen verder op. Wat gebruiken ze voor hun toename? Het rijke milieu? Ze maken het milieu toch juist zelf rijker met hun toename?

Een zogenaamd zichzelf-ondersteunend systeem houdt zich natuurlijk niet echt zélf gaande. Het is geen perpetuum mobile. Er is een inbreng van energie van buiten voor nodig, brandstof. Dat geldt niet alleen voor zo’n complex levend systeem in de natuur, maar voor elk systeem, of het nu het weer is, een rivier of het oceanisch systeem. Er moet wat ingestopt worden voor er wat uitkomt, in welke vorm dan ook. Maar wat er ook wordt ingestopt, (vrijwel) alles is terug te voeren op zonlicht.

In een ecosysteem leven de chloroplasten symbiotisch in de plantencellen. Ze vangen het ‘ruwe’ zonlicht op en vanaf dat beginpunt zijn de injecties van energie die organismen verderop in het web krijgen, omzettingen van die zonne-energie.

Het begint met injectie van energie, het eindigt met ontlading.

.

Alle energie die ontvangen wordt, wordt uiteindelijk ook weer afgegeven. Materie is in principe energie die op een specifieke manier verpakt is. Energie/materie kan worden omgezet in diverse vormen, maar niet geschapen of vernietigd worden. Tijdelijke opslag kan wel, bijvoorbeeld in hout, boeken, gebouwen, fossiele brandstoffen, en zelfs kalksteen. Die opslag kan dus soms lang aanhouden. Maar uiteindelijk komt de energie vrij en straalt het systeem de energie uit, waarmee deze verloren gaat. Tegenover dit verlies móet dus ook opname (infusie) staan.

Een ecosysteem kan dus worden opgevat als een soort leidingstelsel waar energie doorheen gaat, met veel of weinig omzettingen van energie/materie in de loop er doorheen. De interessante vraag is dus: wat gebeurt er in het stelsel?

In een woestijn is dat niet veel. Zand en stenen worden overdag opgewarmd en geven ’s nachts die hitte weer af. Leven is er amper. Zo moet het in het begin der tijden geweest zijn.

Zet daar nu eens een rijk ontwikkeld regenwoudecosysteem tegenover. Hier stroomt de energie allesbehalve snel en simpel. De diverse energetische kronkelwegen weerspiegelen een levensweb waar het krioelt van de relaties tussen van elkaar afhankelijke organismen. Als zonlicht eenmaal in het ‘leidingstelsel’ is opgenomen, wordt het niet slechts omgezet, maar opnieuw omgezet, nog maar eens omgezet, gecombineerd, weer anders gecombineerd, doorgegeven en teruggegeven. Het wordt dus gebruikt en hergebruikt wanneer energie/materie van het ene naar het andere organisme gaat. De energiestroom in dit ingewikkelde stelsel talmt voortdurend en dwaalt steeds af. Deze energie laat in de complexe levenswebben alom tekenen achter dat zij voorbij is gekomen.

Geen enkel ecosysteem kan tippen aan het regenwoud. Je bent geneigd te denken dat al die talloze soorten te danken zijn aan de tropische hitte die het hele jaar door aanhoudt. Maar als het woud wordt omgehakt, blijkt de bodem dun en gemakkelijk uit te logen en te verharden. Regenval blijkt dan destructief en als landbouwgrond valt het bitter tegen. Al die rijkdom van het regenwoud is ineens foetsie.

De rijkdom is te danken aan het veelvuldig gebruik dat wordt gemaakt van de ontvangen energie, de vele stappen in het stelsel voordat het systeem die energie weer afgeeft. Veelvuldig energiegebruik vergt veel verschillende, van elkaar afhankelijke gebruikers.

Het principe kan als volgt verwoord worden:
Expansie steunt op het opvangen en benutten van voorbij gaande energie. Hoe meer verschillende manieren een systeem bezit om energie opnieuw te vangen, te benutten en door te geven voordat deze energie door het systeem wordt afgegeven, des te groter is de optelsom van gevolgen van de ontvangen energie.

Het is een rijkdom die moeilijk te vergaren is, maar die je gemakkelijk verliest.

.

Sommige economieën weigeren halsstarrig te expanderen en voorzien niet in de menselijke behoeften ter plaatse, noch krijgen de mensen er de kans zich in hun werk te ontplooien.

Andere economieën vertonen het tegenovergestelde beeld. Ze expanderen zo onstuimig dat ze mensen van buiten moeten halen om al het werk aan te kunnen. Wie goed oplet ziet dat het hierbij altijd om steden gaat, niet om nationale economieën. De Randstad floreert, evenals Eindhoven, terwijl mensen uit Oost-Groningen of Zeeland moedeloos worden bij het gebrek aan mogelijkheden.

Economen hebben duidelijk in beeld dat export een economie doet expanderen (maar ze zien meestal niet dat ze daarbij beter naar afzonderlijke steden kunnen kijken). Als de autofabriek van een stad van drieduizend naar vijfduizend werknemers gaat, zullen in die stad meer kleren en etenswaren verkocht worden, zijn er meer onderwijzers nodig, en een paar extra huisartsen. Er worden nieuwe huizen gebouwd, en misschien komt er een winkel voor tatoeages.

Economen noemen die bonus van export ‘multiplier-banen’. Ze maken dus onderscheid tussen de banen die zuiver voor de export dienen, en de extra banen die deze export (nationaal, of lokaal) oplevert.

Als je op het niveau van de stad kijkt, zijn er natuurlijk veel kleinere bedrijven die zowel lokale opdrachtgevers hebben als klanten buiten de stad. Een ontwerper, een accountant, iemand die zaken repareert kan dus deels voor de export werken en deels voor plaatselijke klandizie. Samen scheppen ze met hun inkomsten van buiten de stad multiplier-banen.

Het gezonde verstand vertelt ons dat wanneer een stad zijn export verliest, dat dan Leiden in last is. Vooral een stad die enkel leunt op een mijn, op visvangst of een grote fabriek kan dan in een spookstad veranderen. Want al die extra banen en meer verdwijnen dan net zo vlug als ze kwamen met de opening van de mijn of de grote fabriek.

Hoe ingewikkeld je het ook maakt, het conventionele idee van multiplier-banen is dat exportwerk (lokale) economische expansie aanjaagt of tot gevolg heeft. Een nationale economie als geheel is kwantitatief de optelsom van de netto-expansie of de netto-inkrimping van alle nederzettingen bij elkaar. Je kunt de hele wereldeconomie zelfs zien als de optelsom van de netto-expansie of de netto-inkrimping van alle landen bij elkaar. Daarom stellen zovelen hun hoop in vrijhandel: meer handel, meer export; meer export, meer multiplier-banen.

Export als hét middel tot economische expansie lijkt logisch, maar… 

.

Wie nauwkeurig kijkt, ziet dat de multiplier-verhoudingen in de praktijk enorm variëren. Er treden raadselachtige afwijkingen op, die de oorzaak-gevolg-relatie discutabel maken. Zo verloor Los Angeles in de jaren aan het eind van de Tweede Wereldoorlog veel exportwerk, maar het aantal andere banen liep niet terug. Evenzo deed de economie van Londen ten tijde van Shakespeare niet wat je zou verwachten, terwijl de rest van Detroit vroeger juist niet profiteerde van een opbloeiende auto-industrie.

Elke uitzondering kan bestempeld worden als een speciaal geval. Die neiging hebben economen. Maar als je verwacht dat export per definitie extra banen oplevert, moeten zulke uitzonderingen je argwanend maken.

Als we nu eens het idee van een leidingsstelsel van energiebenutting uit aflevering 9 toepassen, kijken de economen dan niet naar het verkeerde eind van het stelsel? Want wat is export? Dat zijn eindproducten van een lokale economie, meer niet. Zij zijn afscheidingen van lokale energie. Natuurlijk worden ze op een andere plaats een input van energie, maar in deze plaats ontsnappen ze aan het energie/materie-(=economische)-leidingsstelsel.

Afgevoerde energie kan niet tegelijk een aanjaagfunctie hebben. Ook een economie is geen perpetuum mobile. Energie die verloren gaat kan lokaal niets meer aandrijven. Zelfs een Friese stamboek-koe kan niet overleven door louter haar eigen melk te drinken. Er is altijd ook een inbreng van energie nodig. Dus als export energieverlies betekent, waar komt dan de ingebrachte energie vandaan?

Van import!? Belegeraars wisten dat altijd al drommels goed. Knijp Leiden af en de stad zal ten slotte vallen.

Wie over de economie van nederzettingen begint na te denken als gevallen van een natuurlijke energiestroom, en ziet dat import aan de ontvangstkant van het leidingstelsel zit, en export aan de uitlaat, zal zich afvragen: wat gebeurt er in het stelsel zelf?

Of mag je het zo niet stellen als je de economie met de natuur vergelijkt? Zonlicht komt tenslotte ongevraagd binnen en import moet verdiend worden. Dat verschilt dus. En die import verdien je met export, zeggen de economen. Geen export, geen geld om import mee te betalen. Hoe kan een nederzetting dan ooit beginnen met zijn economisch leven met import – voordat ze een manier gevonden hebben om die import mee te betalen?

De vraag is dus allereerst: hoe komt een nederzetting eerst aan import, als export daaruit alleen kan volgen?

Eindhoven overleefde de val van Philips.

In zaden en eieren zit energie/materie die niet eerst verdiend hoeft te worden. Het zijn giften die ontwikkeling op gang brengen; het is een gift van de natuur. Zo ook werken voor nederzettingen natuurlijke grondstoffen als starters-energie. Het is geen kip-ei-kwestie. Die natuurlijke grondstoffen zijn al aanwezig door een sprong in tijd en ruimte.

Zo’n start-grondstof kan vruchtbare grond zijn, of de aanwezigheid van wild, obsidiaan voor pijlpunten, notenbomen, klei, erts, fossiele brandstof, een waterval, een warme bron, een strand.

Venetië had zout als grondstof, dat ze verkochten aan Constantinopel. Kopenhagen begreep dat haar economie startte met een gift van de zee: haring. Soms is de grondstof een beschermde, prettige plek om handel te drijven. Osaka, Chicago, Parijs en San Francisco zijn zomaar wat voorbeelden van nederzettingen wier belangrijkste – en soms enige – oorspronkelijke economische pluspunt een goede plek was om een  handelscentrum te zijn.

Deze grondstoffen worden niet zomaar vanzelf startpunten. Je moet er wel wat voor doen. De bewoners van Venetië leidden zeewater op een slimme manier door een reeks verdampingsvijvers in hun lagunes, en verkregen zo zout, waarschijnlijk eerst voor eigen gebruik en daarna als ruilmiddel. De vissers van Kopenhagen waagden hun leven om haring te vangen, ook hier waarschijnlijk eerst voor eigen consumptie en daarna voor de export. Ze beseften heel goed waar hun voorspoed vandaan kwam. Kopenhagen koos als haar wapen een haring opgerold in de foetale positie van een menselijk embryo.

Kijken we nu in het energie/materie-leidingstelsel, dan zien we steeds dat menselijke inspanning wordt gecombineerd met natuurlijke grondstoffen of import. Daar komt een uitrusting bij te pas, hulpmiddelen die soms zelf geïmporteerd worden en soms niet. En het belangrijkste kwalitatieve ingrediënt is menselijk kapitaal. Dat wil zeggen: vaardigheden, informatie en ervaring – gecultiveerde menselijke potenties dus – die voortkomen uit investeringen die zijn gedaan door het openbaar bestuur, en door ouders, werkgevers en de mensen zelf.

In het stelsel transformeren de menselijke arbeid en het menselijk kapitaal importen – ze halen deze uit elkaar, maken nieuwe combinaties, geven ze door, hergebruiken ze, en ‘verruimen’ deze in het stelsel ontvangen importen op al deze manieren zover als mogelijk.

Importen verruimen? Wat is dat nu weer voor een uitdrukking?

.

Een kunstschilder gebruikt een linnen doek en verftubes, die worden geïmporteerd in de nederzetting waar de kunstenaar werkt. Maar de kosten van deze materialen vormen (bij een gewilde schilder) maar een fractie van de waarde van het schilderij. De waarde van de materialen is aldus verruimd binnen het stelsel, in dit geval zelfs heel sterk verruimd.

Een groothandel in lederwaren en accessoires produceert zelf niets. Wat ze daar doen is: speuren naar bepaalde spullen, uitproberen, bij elkaar brengen in een assortiment dat gewild is en vervolgens doorverkopen. Er wordt menselijk kapitaal ingebracht om te proberen de beste groothandel te zijn. Deze distributie is geen feitelijke productie, het is het leveren van een dienst. Uit de verkoop blijkt dat de klanten de dienst genoeg waarderen om de ondernemer een winstmarge te gunnen. Economisch telt deze handel als een productie van een dienst net zo goed mee als de feitelijke productie van een ding.

Soms voegt het veel aan de lokale economie toe, soms weinig. Het laatste is duidelijk het geval bij de verkoop in hamburgerketens. De hele mikmak van etenswaren en verpakking komt als kant en klare import binnen, het toegevoegde werk is beperkt. Daarentegen gebruikt het ontwerpen van een website als 4ECO een groot aandeel aan menselijk kapitaal vergeleken bij wat er van buiten gehaald moet worden om hem te produceren.

Veel importen, zelfs nadat ze aanvankelijk al getransformeerd of anderszins verruimd zijn, worden vervolgens verder doorgegeven, opgebroken, op een andere manier weer in elkaar gezet, hergebruikt, en verder verruimd.

Neem een bedrijfsverzamelgebouw. Daar zitten allerlei, heel diverse huurders in. Deze maken alle gebruik van een deel van dat gebouw, een stukje van de servicebalie, een part van de algemene ruimtes. Ieder van de huurders combineert deze dingen met zijn eigen apparatuur en materiaalstroom (die soms geheel geïmporteerd is, soms gedeeltelijk geïmporteerd). Ieder laat zich ook door de anderen in het gebouw inspireren, of de huurders werken zelfs in een keten.

De economie van een grote stad wemelt van duizenden bedrijven en bedrijfjes. De meeste ervan leveren goederen of diensten, of beide, aan elkaar of aan de lokale bevolking, of aan beide.

Zo’n economie kun je, kwantitatief, niet zomaar – of zelfs in eerste instantie – als een gevolg zien van expanderende exporten. Zo’n economie kun je kwantitatief wel als het gevolg zien van uitspreidend en uitweidend gebruik van importen die het stelsel zijn binnengekomen. Het is net zoals hoe de biomassa-expansie in het regenwoud (van aflevering 9) voor rekening komt van een uitspreidend en uitweidend gebruik van energie van de zon die het stelsel is binnengekomen.

Het geheel van activiteiten vormt een samenspel met een stelsel.

.

Dus: in een ecosysteem komen de geleverde essentiële bijdragen binnen het stelsel van de verscheidenheid aan biologische activiteiten. In de van bedrijven wemelende economie komen de geleverde essentiële bijdragen binnen het stelsel van de verscheidenheid aan economische activiteiten.

Dat energie/materie veel sporen achterlaat komt in beide systemen door de diversiteit waarmee ontvangen energie wordt gebruikt, opgesplitst en hergebruikt. Daarom loont het om te kijken naar wat er binnen het stelsel gebeurt. Nu snappen we waarom en hoe een samenspel rijk wordt van een milieu dat zelf rijk gemaakt wordt door het samenspel.

Een samenspel dat zichzelf rijk maakt door haar eigen bestaan klinkt als een truc. Maar het is niet meer getruukt dan het oude spreekwoord: ‘zuinigheid met vlijt…’. Alleen is het hier: ‘recycling, opnieuw gebruiken, nieuwe combinaties, symbiose-toepassing’.

Want dit is ook waar: Een stad die wordt beheerst door een enkele autofabriek lijkt meer op een woestijn dan op een  regenwoud. Er komt meer dan genoeg energie als import binnen, in de vorm van een baaierd aan onderdelen en hulpmiddelen voor de fabriek, maar het wordt allemaal gestoken in het in elkaar zetten van auto’s en verdwijnt even snel weer in de vorm van export.

Economen zouden er misschien beter aan doen de cijfers van importverruiming te bekijken in plaats van de export/multiplier-cijfers. Echter, die cijfers zijn er niet per stad. Al zou je er slechts twee totaalgegevens voor nodig hebben: ten eerste de waarde van de geïmporteerde goederen en ten tweede de waarde van de totale productie van goederen en diensten.

Bij de waarde van de import gaat het om de optelsom van alles, hoe het ook gebruikt wordt, inclusief wat ter plaatse wordt ‘gedolven’. Net als bij het (nationale) bbp zou bij de waarde van de productie al het onbetaalde werk buiten beeld blijven, net als zwart werk en de zwarte markt, wat beslist een bezwaar is. Maar, vergelijk je met deze cijfers periodes van bijvoorbeeld drie of vijf jaar, dan krijg je toch zicht op wat er omgaat in het betreffende stedelijk stelsel; je ziet of de activiteiten toe- of afnemen vergeleken bij de importen; je ziet of er sprake is van bijtanken (wat in de volgende stukken aan bod gaat komen).

Het cijfer zou ons in feite vertellen wat de waarde is die in een stad wordt toegevoegd, niet als een absoluut bedrag maar als een ratio ten opzichte van de ontvangen energie. Het zou ons tonen of het stelsel zich gedraagt als een rijk ecosysteem of als een arme woestenij.

Concluderend is het principe dat zowel ecologisch als economisch opgaat dus het volgende: Een samenspel met verscheidenheid expandeert in een rijk milieu, een milieu dat op zijn beurt geschapen wordt door het verscheiden gebruik en hergebruik van ontvangen energie.

Tot zover expansie, nu zichzelf bijtanken.

.

Systemen moeten ‘zelf-bijtanken’ om aan de gang te blijven. Het lopen van de motor kost zelf ook brandstof. Dat betekent dat een deel van de energie die van buiten wordt opgenomen, gebruikt wordt om de volgende energie-inname te veroveren, en daarvan wordt weer een deel besteed aan de daaropvolgende energie-inname, enzovoort.

Naast de noodzaak van bijtanken is een tweede kenmerk van wie zichzelf bijtanken, dat ze op een geschikte manier zijn toegerust voor de brandstof die zij gebruiken. Een geschikte uitrusting is zo belangrijk dat een falen daarvan voor een organisme net zo fataal is als het verdwijnen van de brandstof. Geschikte uitrusting is het ‘bij’ van bijtanken.

Een koe heeft de juiste uitrusting om gras te eten. Gras is haar brandstof. Voor termieten is de brandstof hout. Een koe kan van hout niet leven. Een geschikte uitrusting omvat vaak symbiotische bacteriën, èn de uitrusting om zich van voeding te verzekeren, het te veroveren, plus de uitrusting om het te verteren. Bij de koe zijn dat een mond die geschikt is om mee te grazen, een rustige wei of stal, de vier magen en de bacteriën die daar leven.

Vanwege de noodzaak dat uitrusting en brandstof precies op elkaar aansluiten, komt het er bij zelf-bijtank-systemen nauw op aan. Elk systeem heeft zijn eigen ‘integriteit’ als een op zichzelf staande, concrete eenheid. Zichzelf bijtanken doet ieder op zijn eigen manier. Het afval van het ene organisme is een banket voor een ander organisme.

(Jane Jacobs gebruikt het woord ‘self-refueling’. Dat vind ze beter dan zelf-redzaamheid, zelf-onderhoudend of duurzaam, omdat er bij die laatste drie steeds een morele, zeg maar ethische kant aan zit. Zichzelf van brandstof voorzien klinkt neutraler, maar een beetje ingewikkeld; vandaar dat ik het ‘(zelf-)bijtanken’ noem.)

Waar het om gaat is dat bijtanken een volstrekt natuurlijk proces is. Hoe efficiënt een koe ook mag zijn, als zij niet bijtankt, wordt het een dode koe. Bijtanken is zo fundamenteel voor overleven, en voor al die andere levensprocessen die door overleven mogelijk worden gemaakt, dat het stellen van de vraag of dit nu goed of slecht is, zinloos is. Het gaat gewoon zo.

Zelfs eenheden die niet zichzelf kunnen bijtanken, zoals machines of virussen, zijn afhankelijk van helpers in de buurt die ervoor zorgen dat het bijtanken gebeurt. Er zijn wel wat randgevallen, zoals weersystemen die worden voortgedreven door energie die ze van de zon (ont)vangen. Maar wat ons nu interesseert, is hoe het in de economie toegaat.

Er is één principe in vele gedaanten.

.

Als een dorp uitgroeit tot een stad, bereikt zo’n stad een punt waarop de steeds veelzijdiger en expanderende economie het vermogen krijgt om flinke series importproducten te vervangen door eigen maaksel.

San Francisco bereikte dit punt zo’n 25 jaar na de goudkoorts en de periode van wetteloosheid die daarop volgde. De bedrijfjes aldaar legden zich toe op een heel pakket van producten en diensten ten behoeve van transporteurs en voor wie zich – al of niet met succes – bezighield met de mijnbouw van zilver in het achterland. Lonen en winsten brachten, onder andere, genoegens en gemakken binnen bereik, die geïmporteerd werden uit de steden aan de oostkust.

Zo importeerde een kruidenier die Cutting heette, jams en confituren uit Boston (waar hij oorspronkelijk vandaan kwam). Overigens was dit een Parijse uitvinding, die was nagemaakt door Engelsen en overgewaaid naar nieuwe afkijkers in New York en Boston. Cutting was zich hier al of niet van bewust, maar hij bedacht in elk geval dat hij zijn positie in San Francisco kon verstevigen, als hij zijn eigen jams en confituren ging maken. Hij had er immers de klanten al voor.

Dit was nog niet zo gemakkelijk, want hij moest boeren aan de rand van de stad ervan overtuigen dat ze op de plaats van hun tarwe en koeien moesten beginnen met perziken-, peren-, kersen-, pruimen- en abrikozenbomen. Met dit bescheiden begin is Californië uiteindelijk de grote commerciële fruit- en groentenproducent geworden die het nu is. (Maar die ongelooflijke economische expansie van het platteland lag ten tijde van Cutting nog besloten in de toekomst.)

Met het maken van jam verschoof Cutting als vanzelf in zijn inkopen. Hij importeerde nu meer suiker dan voorheen, en hij importeerde lege glazen potjes. Met zijn succes kwamen winsten die hij natuurlijk niet alleen besteedde aan de jam-business, maar ook aan andere importen. Zijn succes bracht anderen ertoe hem te imiteren. Soms veranderden zij daarbij het recept, soms het product: zij begonnen met bonen en erwtjes in blik.

Tenslotte werd de markt aan de westkust groot genoeg om het maken van glazen potjes, of blikjes uit geïmporteerde platen tin, haalbaar te maken. En zo ging het verder. Het groeide vooral omdat de vervanging van jam er één was van vele vervangingen die allemaal tegelijk plaatsvonden of elkaar snel opvolgden. Dat gebeurde op het gebied van gereedschappen, woninginrichting, kleermakerij, noem maar op. Dit bracht weer nieuwe banen. Bij elkaar opgeteld vergrootten de nieuwe banen direct en indirect de markten voor alle importvervangers.

Wat gebeurt hier economisch wat we bij de ecologie ook al zagen?

.

Al die bedrijven die importen vervingen met hun eigen producten, veranderden de samenstelling van de importen van die nederzetting duchtig. En ze bleven ze veranderen door weer andere importgoederen te gaan vervangen. Met snelle opeenvolging werden importvervangingen nieuwe exportproducten van San Francisco. In de jaren 1930 was de sector van groente en fruit in blik de tweede bedrijfstak van de stad, en de productie van blikjes en dergelijke de vijfde bedrijfstak.

Soms heb je het nauwelijks in de gaten als een nederzetting uitgroeit tot een (kleine) stad, totdat deze een abrupte groeistuip heeft doorgemaakt waarbij de stad zich heeft opgevuld met tenminste al die goederen en diensten, die (kleine) steden (in dat tijdsgewricht) gewoonlijk zelf maken, maar die de nederzetting eerder importeerde.

Kijken we nu naar dit proces op grote schaal, dan zien we dat alle grote steden herhaalde uitbarstingen van importvervanging en importverschuiving hebben meegemaakt. Als dit in grote steden gebeurt zijn deze uitbarstingen machtige economische krachten. Denk maar aan de steden Los Angeles en Londen (in de tijd van Shakespeare), die we noemden in aflevering 11, die op mysterieuze wijze groeiden ten tijde van exportverlies.

Importvervanging is niet altijd een kwestie van eenvoudig namaken. Meestal komen er verbeteringen aan te pas, of het nu in materialen is, in de productiewijze of in het ontwerp. Als het oorspronkelijke product genoeg wordt verbeterd, kan het zelf een exportproduct worden. Denk maar aan de productvernieuwing in Japanse steden in de vorige eeuw, toen Japan de wereldmarkt van bijvoorbeeld naaimachines veroverde. De Japanse steden brachten op het hoogtepunt achthonderd naaimachinebedrijven voort. (En zo ging het met fototoestellen, auto’s, enzovoort.)

Importvervanging is zo oud als de mens handel drijft. Archeologen noemen het economisch leentjebuur, geschiedkundigen hebben het over uitzaaiing of verspreiding (disseminatie). Waar het om gaat is dat steden nieuwe importen verwerven zonder dat ze daarvoor de verdiensten van hun export hoeven te gebruiken.

Toch, wanneer de economie van een nederzetting vanwege importvervanging – als een automatisch gevolg – verschuift naar het aankopen van nieuwe importgoederen, heeft de economie van die nederzetting alles wat zij tevoren al had, plus de nieuwe import waarvoor zij gekozen heeft. Een deel van de importverschuiving gaat naar vervangingswerk, een deel is puur extra.

Dat is een prestatie waarvan de meeste economen geloven dat die onmogelijk is.

.

Importvervanging brengt toegevoegde energie die het stelsel van buiten ontvangt, net zo zeker als dat is bij energie die wordt gekocht met de opbrengsten van exportwerk. Maar déze energie wordt dusdanig verkregen dat de noodzaak van extra exportgeld overbodig is.

Deze vorm van bijtanken is typisch voor economieën, maar het werkt alleen omdat het principes toepast die we bij alle vormen van zichzelf bijtanken vinden. De twee fundamentele principes waren:

1) Een portie van de ontvangen energie moet besteed worden aan het vangen van de volgende portie energie. Dat is precies wat een import vervangende stadseconomie doet. Door het vervangen van een deel van haar oorspronkelijke import met eigen producten, gebruikt zij die energie voor het vangen van andere import.

2) Er moet een geëigende uitrusting zijn voor het vangen en gebruik maken van de juiste vorm van brandstof. De geëigende uitrusting is in de nederzetting haar huidige bekwaamheid om te produceren. Dit vereiste maakt dat ketens van vervangingen zich kenmerken door te beginnen met de goederen en diensten die op dat specifieke moment op die specifieke plaats het gemakkelijkst te vervangen zijn. En dat vervanging van ingewikkelder en moeilijker producten en diensten pas aan de beurt komt als de productiecapaciteit van de nederzetting – dat wil zeggen haar bijtankuitrusting – diverser en groter wordt.

De jammaker Cutting probeerde niet om ook direct al de jampotjes te maken. Die stap kwam pas aan de beurt toen de lokale markt ervoor gegroeid was en er een ondernemer kwam die verstand had van glasproductie.

Het zijn steden die dit kunnen. Maar het is tevens het proces dat steden creëert, waarom het steden zijn die dit voordeel hebben boven andere plaatsen. En het komt ze niet aanwaaien. Importen vervangen vergt inspanning, vaardigheden, kapitaal en moed, net zo goed als dat het voortbrengen van export inspanning, vaardigheden, kapitaal en moed vergt. Vervanging is een andere manier om import te verkrijgen, niet een middel om het gratis en voor niets te krijgen, zonder moeite en risico.

Het kan ook andersom werken. Detroit had ooit een veelzijdige economie met veel export en importvervanging, totdat het succesvolste exportwerk – auto’s maken – de stadseconomie ging domineren. Onafhankelijke toeleveringsbedrijven werden opgeslokt, andere werkten met steeds smallere marges. Ze zochten niet naar andere klanten en begonnen geen productie voor andere bedrijfstakken dan de auto-industrie. Veelzijdige arbeiders namen geen ontslag om voor zichzelf te beginnen in andere niches. De specialisatie die zo geweldig leek, was de opmaat naar stagnatie.*

Waaruit blijkt dat schaalvoordelen altijd afgewogen moeten worden tegen lokatievoordelen.

.

Nadat we het gehad hebben over ontwikkelen, expanderen en bijtanken, zijn we nu toe aan het onderwerp ‘energetische bestendigheid’. Het gaat daarbij om dynamische stabiliteit die zich kenmerkt door zelf-correctie. Het gaat over alle systemen waar dynamiek in zit: levende systemen, zoals ecosystemen, en zielloze systemen, zoals rivieren en de atmosfeer. En over menselijke nederzettingen, economieën en beschavingen.

Tegenover stabiliteit staat instabiliteit. Alle dynamische systemen lopen gevaar instabiel te worden. Ze behoeven constant zelf-correctie. Alle dynamische systemen gaan tenslotte ten onder, maar het mooie is dat ze het vaak zo lang uithouden. Ze hebben vier middelen om ontwrichting te voorkomen. Dat zijn (1) bifurcaties, (2) positieve terugkoppeling, (3) negatieve terugkoppeling en (4) noodmaatregelen. Je kunt tal van verschijnselen in allerlei variaties waarnemen, maar ze zijn steeds terug te brengen tot een van deze vier methoden. Wel komen de methoden vaak in combinatie voor, tot aan alle vier tegelijk aan toe.

Geen van deze correctiemethoden is perfect. Er zijn valkuilen en verraderlijke effecten, maar dit is waar we het mee moeten doen.

Met bifurcaties zijn we al vertrouwd, want bifurcaties zijn ontwikkelingen (zie aflevering 2-7). Maar andersom zijn niet alle ontwikkelingen bifurcaties. Bifurcaties worden ook wel discontinuïteiten genoemd. Het zijn nieuwe wegen die een systeem inslaat, waarbij een nieuw terrein betreden wordt. Erna is er geen weg terug.

Toen vissen in de loop van de evolutie aan het water ontsnapten door de vorming van longen, was dat misschien om aan roofdieren te ontsnappen die hen op land niet konden volgen. Deze stap gebeurde ergens, op een bepaalde plaats. Want bifurcaties beginnen ‘zomaar’ (anekdotisch), niet als een algemene ommezwaai (statistisch); dat wil zeggen, succesvolle aanpassingen verspreiden zich van die ene plek omdat degenen met die aanpassingen zich verspreiden.

Een overvolle ruimte levert soms de kritische massa voor het tot stand komen van bifurcaties. Denk aan de aanleg van de metro als reactie op straten die al het verkeer niet meer aankunnen, en de aanleg van een riool- en waterleidingstelsel om epidemieën te voorkomen. De handelsplaats Catal Hüyük ‘vond’ de landbouw ‘uit’ toen de mensen talrijk en vaardig genoeg waren geworden voor deze ontwikkeling. De overgang naar de landbouw was een grote, stabiliserende aftakking van de tot dan toe gevolgde weg van jagen en verzamelen.

De bifurcatie naar landbouw kwam op meerdere plaatsen tot stand, maar nergens ging men terug naar jagen en verzamelen.

.

Bifurcaties zijn dus anekdotisch en definitief. Bifurcaties hebben complexe gevolgen. Het zijn niet alleen geheel nieuwe praktijken, ze veranderen precies die systemen waar ze ontstaan (of de systemen die deze bifurcaties na-apen). Opeenstapelingen van bifurcaties veranderen het karakter van beschavingen. We hebben het niet voor niets over tijdperken (zoals het bronstijdperk, of de tijd voor en na de industriële revolutie). En dit gebeurt ook op kleine schaal. Een bedrijf dat klanten verliest en reageert door met een nieuw product te komen, verandert zichzelf. Doet het niets, dan gaat het tenslotte failliet.

Bifurcaties corrigeren alleen al ze tijdig zijn, in de fase voordat een systeem instort. Later is te laat. De verandering moet als het ware al in de coulissen staan te wachten. Hoe kan dat?

Maar al te vaak doet bij bedrijven zich de gelegenheid voor om er ‘wat anders’ bij te gaan doen. En dat wordt ook geprobeerd als de ondernemer ‘er brood in ziet’. De kans om de gelegenheid te baat te nemen, dat wil zeggen de hoop van de ondernemer op succes, is de basis van bifurcaties. Want deze kansen zijn de kraamkamers van bifurcaties; de gelegenheid, niet de noodzaak, maakt vindingrijk. Dat het noodzakelijk was, heb je achteraf pas door.

Bifurcaties kunnen heel goed zijn in het corrigeren van instabiliteit, ze brengen zelf ook weer nieuwe vormen van instabiliteit voort. De uitvinding van de landbouw bracht een litanie van hongersnoden en epidemieën met zich mee. Toen de mensheid die in de tweede helft van de vorige eeuw onder de knie kreeg, was de nieuwe instabiliteit die van overvloedige bevolkingsgroei en een ongekende stijging van het grondstoffenverbruik. We weten intussen dat de een-kindpolitiek die China daarop koos, nu het land een ongehoorde vergrijzing gaat brengen.

In ons eigen land hebben de vrouwen ervoor gekozen veel minder kinderen te krijgen dan hun moeders en vooral hun grootmoeders. Je kunt deze geboortebeperking gerust een bifurcatie noemen. En ook hier krijgen we nu een probleem met de vergrijzing, die het land er niet stabieler op zal maken. Dan is er een nieuwe bifurcatie nodig.

De val van bifurcaties is dus: onbedoelde en onvoorziene gevolgen. De auto leek zo’n prachtige oplossing voor de ellende van trekpaarden in de stad. Ieder kan voor zich bedenken welke onbedoelde gevolgen het autogebruik heeft gehad. Waar het om gaat is dat dat niet komt door onze kortzichtigheid of stommiteit. Zo gaat het nu eenmaal met bifurcaties.

Evenzo lucht een aardbeving niet alleen op, maar vormt hij ook aanleiding voor het opbouwen van nieuwe tektonische spanningen.

.

De ‘redwoods’ aan de oceaankust van Californië vormen een mooi voorbeeld van succesvol voortbestaan dankzij positieve terugkoppeling.* Deze bomen zijn royaal voorzien van fijne naalden en ze groeien in de strook van veelvuldige zeemist. Er mag dan niet veel regen vallen, de naalden pikken het vocht rechtstreeks uit de mistwolken. In één droge, maar mistige nacht druppelt er van de naalden van iedere boom zoveel water dat de bodem eronder net zo nat is alsof het er flink geregend heeft.

De positieve terugkoppeling werkt dus als volgt. De groei van de bomen is grotendeels afhankelijk van de zeemist. Hogere bomen vangen meer mist. Meer mist stimuleert verdere groei. Enzovoort. De hoogte-mist-terugkoppeling doet de bomen hun eigen milieu stabiliseren, zozeer dat er bomen staan die tweeduizend jaar oud zijn.

Een ander voorbeeld is dat bij het broeikaseffect de toendra kan smelten, wat methaan in de atmosfeer brengt, wat meer opwarming meebrengt, wat meer toendra doet smelten, enzovoort.

Bij het bespreken van ‘bijtanken’ van een economie (aflevering 15-18) zagen we ook positieve terugkoppelingen (al noemden we ze daar nog niet zo). Hetzelfde geldt voor de terugkoppeling van import-vervanging en import-verschuiving.

We zagen dat exporteurs in een nederzetting degenen ondersteunen die lokaal in de behoeften voorzien. Een paar van de laatsten kunnen zelf exporteurs worden; zij ondersteunen dan weer heel andere bedrijven die in lokale behoeften voorzien. Die dan ook weer exporteur kunnen worden.

Deze kringloop raakt een andere: de gunstige import-export-kringloop. Een nederzetting brengt export voort door een paar importen of grondstoffen te combineren met menselijke arbeid of kapitaal. Dit levert de nederzetting extra en andere import op. Een deel daarvan wordt gebruikt om weer andere, nieuwe export mee te maken. Enzovoort. Deze terugkoppeling is één vorm van economisch bijtanken.

Je kunt je niet voorstellen hoe ecosystemen of economieën ontwrichting zouden kunnen afweren, als er geen goedgunstige terugkoppelingen zouden bestaan. Positieve terugkoppelingen zijn precies de structuur, de context, waarbinnen bifurcaties en diversiteit kunnen opkomen. Positieve terugkoppelingen geven gelegenheid tot biomassa-expansie en economische expansie zonder verlies van de dynamische stabiliteit; ze versterken juist de dynamiek zowel als de stabiliteit.

De klimaatverandering kan straks heel goed een vicieuze cirkel blijken te zijn.

.

Terugkoppeling slaat op de informatie betreffende een systeem, waar het systeem aan rapporteert en waarop het reageert. De informatie heeft een of andere drager, of het nu geld is, demografie, een mechaniek, iets chemisch, elektrisch, of wat dan ook. De terugkoppeling brengt een effectieve reactie op die informatie teweeg. Het is het onderwerp van de cybernetica, dat in het Grieks stuurman betekent, een beeld van een man die koers houdt met zijn hand aan het roer.

Behalve positieve heb je negatieve terugkoppeling. De woorden positief en negatief hebben hier niets met goed of slecht te maken. Het enige wat ermee bedoeld wordt is dat pósitieve reacties dat wat de terugkoppeling rapporteert versterken of intensiveren. Negatieve terugkoppeling, waarover straks meer, werkt geheel anders, omdat negatieve reacties juist neutraliseren wat de terugkoppeling rapporteert of dit ongedaan maken.

Al klinkt het woord positief als goed, positieve terugkoppeling kan verraderlijk zijn. Dat komt doordat onstabiele of anderszins destructieve toestanden even vanzelf en vanzelfsprekend kunnen worden versterkt als dat gebeurt bij stabiliserende en constructieve toestanden. In het eerste geval is er sprake van ‘vicieuze cirkels’.
Neem een gewond dier dat niet in staat is op voedsel uit te gaan. Voedselgebrek verzwakt het dier verder, waardoor het nog minder in staat is om op voedsel uit te gaan. Enzovoort. Of dit dier nu gepakt wordt door een roofdier of de hongerdood sterft, de terugkoppeling van ‘gezond zijn door te eten, betekent in staat zijn om voedsel te vinden’, wordt hier omgedraaid; maar hij is nog steeds zelfversterkend en daarmee een positieve terugkoppeling.

Onvoldoende inkomen kan zo ook tot steeds grotere schulden leiden, een val waar sommige mensen uit zichzelf nooit meer uitkomen.

De kabeljauwvisserij bij de Grand Banks voor Newfoundland kwam in 1992 aan zijn einde met de totale uitroeiing van de visstand, die zich later ook niet meer herstelde. Hoe ging dat in zijn werk?

Toen men begon met vissen, leek de voorraad vis in zee onuitputtelijk. Jaar na jaar bedroeg de vangst in de eerste helft van de vorige eeuw een half miljoen ton. Totdat aan het einde van de jaren 1960 de hoeveelheid gevangen vis drie keer zo hoog was geworden. Daarna liepen de vangsten terug en steeg de prijs van een kilo kabeljauw. Er werd geïnvesteerd in betere schepen en netten, vooral door de industriële types. De ouderwetse vissers met hun kleine boten sloegen alarm over het feit dat ze steeds kleinere vissen vingen, maar er werd niet naar ze geluisterd.

De Canadese overheid zag alleen de economische belangen van de grote vissers, en luisterde naar niemand anders.

.

Vicieuze cirkels zijn doodlopende paden, omdat ze de zaken alleen maar erger maken. Maar het is niet altijd gemakkelijk te doorzien dat dat het geval is. Dichtslibbende autowegen geven ongemak en ergernis. De boodschap is: het wegenstelsel wordt te zwaar belast. Dan kun je op allerlei manieren reageren: mensen bij hun werk laten wonen, rekening rijden, het openbaar vervoer uitbreiden of wegverbreding. Tot nog toe is de reactie altijd het laatste geweest. Maar wegen erbij trekt gewoonlijk alleen maar meer verkeer aan, waardoor er vervolgens nóg meer aanvoer- en snelwegen, parkeerplaatsen, enzovoort nodig zijn. Dit is een klassieke positieve terugkoppeling.

Hoe lager de bebouwingsdichtheid van de buitenwijken, hoe langer de wegen die nodig zijn; dit is een andere positieve terugkoppeling, bovenop de eerste. En de keuze voor de auto bemoeilijkt weer een fijnmazig openbaar vervoer, omdat er in zo’n stad niet genoeg reizigers voor zijn. Dan vallen er diensten uit, wat meer mensen de auto in drijft, en ziedaar nog een positieve terugkoppeling, die tenslotte tot het verdwijnen van openbaar vervoer kan leiden.

Met vicieuze cirkels in de economie kan het al even slecht gaan. Er bestaat namelijk de neiging er subsidies tegenaan te gooien, niet in eerste instantie, maar na een tijdje, en dan steeds heftiger. En dat lost niets op.

Zo subsidieerde de Canadese overheid, om de werkgelegenheid te behouden, de kabeljauwvissers die bezig waren hun eigen graf te graven. Was dat subsidiegeld in de prijs van de vis gestopt, dan was de vis duurder geworden dan vis van elders en had deze kabeljauw zich uit de markt geprijsd.

Net zo goed wordt nog steeds de infrastructuur van olie en motorvervoer door subsidies gestimuleerd, terwijl dit funest is vanwege de klimaatverandering.

Economische vicieuze cirkels lossen problemen niet op; ze verergeren ze eerder. Ze zijn economisch en politiek verslavend en het kost soms net zoveel moeite ervan af te komen als van drugs.

Zowel gunstige positieve terugkoppelingen als vicieuze cirkels bereiken tenslotte grenzen. De redwoods kunnen op een gegeven moment niet nog hoger groeien. Een stad die importproducten zelf gaat maken, verruimt niet de hele wereldeconomie. Andere steden doen dat ook, en wat er bij de een bijkomt, gaat er bij de ander af. Een stad die een grote en diverse economie bereikt heeft, moet doorgaan met het vervangen van importen, zuiver als compensatie voor wat zij verliest.

Gunstige terugkoppelingen bewerkstelligen een toppunt van stabiliteit, waaroverheen ze de stabiliteit bewaren, waarbij ze even onontbeerlijk zijn als tevoren. Het systeem moet doorgaan om in dynamisch evenwicht te blijven of het zal vervallen.

Een vicieuze cirkel kent geen evenwicht, maar eindigt steevast in ontwrichting. De schuld wordt ondraaglijk. De visserij stort in. Het vervoersstelsel verdwijnt. Steeds vervliegt de zaak.

Vicieuze cirkels zijn schadelijk maar ze beëindigen zichzelf.

.

Onze ademhaling is een voorbeeld van een negatieve terugkoppeling. We weten precies wanneer we opnieuw moeten ademhalen, want de stijging van het kooldioxidegehalte in ons bloed zendt een automatische boodschap naar onze hersenen dat we onze longen aan het werk moeten zetten. Dit is een onbewust proces zoals er in ons lichaam nog ontelbaar meer zijn.

In ecosystemen gaat het al net zo. De terugkoppelingsboodschappen die daar binnen planten en dieren, en tussen planten en dieren, heen en weer schieten, en de antwoorden op die boodschappen, voeden het ecosysteem met terugkoppelingsinformatie.

Wat een vluchtigheid, wat een warboel, wat een zelf-organisatie vind je daar. Bedenk eens welk een dynamische orde een ecosysteem zichzelf oplegt, en welk een dynamische orde onze eigen lichaam ons oplegt zonder dat we dat eigenlijk door hebben; dan kunnen we ons ook indenken welk een dynamische orde een ingewikkelde economie zichzelf oplegt.

Met zijn ‘onzichtbare hand’ beschreef Adam Smith in 1775 eigenlijk het principe van negatieve terugkoppeling. Hij zag dat als goederen hoge prijzen opbrachten, dit een grotere productie ervan simuleerde, en omgekeerd dat lage prijzen tot lagere productie leidden, waardoor vraag en aanbod beter op elkaar afgestemd raakten. Smith zag bovendien dat dit principe van toepassing was op allerlei andere facetten van het economisch leven. Zo stegen lonen wanneer en waar de vraag naar arbeiders hoog was en daalden ze bij een geringe behoefte. Dit bracht een trek van arbeiders teweeg naar gebieden met hogere lonen en naar meer populaire soorten werk –een terugkoppeling. En wanneer en waar veel behoefte was aan kapitaal, steeg de rente die dan dat kapitaal aantrok.

Zulke voortdurende aanpassingen – door bedrijven, arbeiders, klanten, grondeigenaren en kapitaal – schiepen, zo zag Smith het, hun eigen orde in een vluchtig, ongecoördineerd, verwarrend samenspel van talloze verschillende ondernemingen en individuen, die heel pietluttig talloze nietige kansen najaagden en eigen belangen nastreefden. Smith was zijn tijd ver vooruit met het verschijnsel te identificeren dat we nu zelf-organisatie noemen en met het gedrag ervan te illustreren in een niet-hiërarchisch georganiseerd, dynamisch systeem.

Eigenlijk noemen wij het nu de ‘onzichtbare hand’ maar het is de vraag is of Adam Smith dat zelf zo voor zich zag.

Ook al had Smith het ook op tal van punten mis – de wetenschappelijke wereld van toen zat nog vol misverstanden – ecologen na hem gebruikten hem als voorbeeld om hun eigen ontdekkingen mee te verklaren. De economen ondertussen, bleven steken en brachten hun vakgebied niet verder vooruit.

We zagen reeds dat diversiteit economische expansie voortbrengt, dankzij veelvuldig hergebruik van de importen van de nederzetting. In principe gaat dit net zo als dat de diversiteit van organismen biomassaexpansie voortbrengt dankzij veelvuldig hergebruik van ontvangen energie (voordat deze het stelsel verlaat). Maar ook al was in de tijd van Smith het nauwe empirische verband tussen economische diversiteit en expansie duidelijk zichtbaar, evenals het in de hele tijd erna te zien was, toch ontging aan economische theoretici dit verband, in beslag genomen als ze waren door hun obsessie of vraag nu leidde tot aanbod of andersom.

Smith was zelf wel een beetje schuldig aan deze blinde vlek, want hij stelde dat economische specialisatie tussen regio’s en naties efficiënter was dan economische diversificatie.

Daarom wordt er tot op heden geen aandacht besteed aan bijtanken als een ingewikkeld maar ordelijk proces. En daarom erkenden economen pas halverwege de vorige eeuw dat innovatieontwikkeling dus – de moeite van het onderzoeken waard was (zij het toen als een excentrieke en marginale kwestie). En daarom wordt er nu nog steeds niet echt aandacht besteed aan de systematische werking van ontwikkeling en co-ontwikkeling.

De theoretici die na Smith kwamen, schonken de echte wereld om hen heen nauwelijks aandacht. Er waren meer dan genoeg zaken waar te nemen die regelrecht naar onderwerpen als ontwikkeling en bifurcaties wezen, maar deze werden niet opgemerkt. De economen konden gemakkelijk waarnemen dat hoge prijzen voor goederen waaraan gebrek heerst, een vervanging daarvoor stimuleren. Dat wil zeggen dat dit de productie stimuleert van goederen die er eerst nog niet waren. In de Middeleeuwen waren met de hand geproduceerde boeken duur en schaars. Het alternatief van de boekdrukkunst leverde niet alleen een veelvoud van boeken op, het product was veel goedkoper. Van deze aard zijn er talloze voorbeelden te geven.

Deze ontwikkelingen konden niet plaatsvinden zonder co-ontwikkelingen. 

.

Het opvolgen van de ideeën van Adam Smith had regelrecht naar inzicht in en waardering voor co-ontwikkelingen kunnen leiden, en had tot veel meer bedenkingen bij economische specialisatie geleid. De veronderstelde doelmatigheid van monopolies en de doelbewuste economische arrangementen van specialisatie door imperialistische machten – die zoveel kwaad hebben berokkend – hadden dan in het beklaagdenbankje gezeten.

De waarneming dat uitbarstingen van importvervanging in veel Europese steden vooral (alhoewel niet geheel) gestimuleerd werden door de lagere kosten die verkoop op de lokale markt meebracht (in plaats van op een verre markt), had misschien tot het inzicht geleid hoe sommige economieën door diversificatie tevens zelf-genererend worden, terwijl andere afhankelijk en inert blijven.

Hadden de economen dus maar gekeken naar hoe economieën werken in plaats van bedacht hoe ze zouden moeten werken. Desondanks was Smith wat betreft negatieve terugkoppeling briljant. Hij realiseerde zich dat terugkoppeling alleen goed werkt als de accuratesse van de rapportage goed is. Hij zag dat valse informatie (die het verschil niet maakte) wanorde bracht in het systeem dat hij observeerde en beschreef.

Terugkoppeling kan juist, verkeerd of dubbelzinnig zijn. De controle van negatieve terugkoppelingen is op zijn betrouwbaarst wanneer de data die gerapporteerd worden, de strekking van de data, en de corrigerende reactie functioneel geïntegreerd zijn, zodat er geen kans is op misverstanden aangaande de data, of dat een verkeerde respons wordt uitgelokt.

De natuur biedt bij sociale insecten voorbeelden van perfecte terugkoppelingen. Neem een termietenkolonie. Zo’n kolonie onderhoudt een evenwicht in de omvang van de verschillende kasten. Alle termieten worden geboren uit dezelfde soort eieren. Wat er uit die eieren groeit kan fysiek enorm verschillen; dit hangt af van de functies die uitgevoerd moeten worden. In de babykamer komt de informatie binnen die zich terugkoppelt in chemische stoffen in de larven. Als bijvoorbeeld de volwassen soldaten te weinig van hun specifieke geur afgeven, weet de kolonie dat ze daar onderbemand is. Er kan geen misverstand bestaan over deze terugkoppeling: er moeten soldaten bijkomen. Daarom komt de babykamer vervolgens met meer soldaten. Zijn er daarna genoeg soldaten, dan rapporteert de geur: ‘nieuwe soldaten zijn niet nodig’. Zo gaat het ook met de andere kastes en blijft de zaak in evenwicht.

Structurele congestie, uitsterven van vissoorten, ‘gratis’ gmail… –

bedenk zelf gevallen waar de informatie in de terugkoppeling niet deugt.

.

Als wij ademhalen (zo zagen we in aflevering 24) vertonen wij een perfecte negatieve terugkoppeling. Maar wat als wij in het water vallen? Als we onder water gewoon doorademden, verdronken we meteen. Het terugkoppelingsmechanisme wordt doorbroken. Er is een ander deel van de hersenen dat je kan bevelen: Stop ermee! We onderbreken ons reguliere ademhalingspatroon overigens ook als we slikken, praten of een kaars uitblazen.

Als we eten zegt het ene deel van onze hersenen: Je hebt genoeg binnen. Maar een ander deel zegt: Prop je maar liever vol. Dat hebben we overgehouden aan de tijd dat wij als jagers-verzamelaars niet wisten wanneer we de volgende keer te eten zouden hebben.

Als een heel hongerig konijn zich ineens bewust wordt van een roofvogel hoog boven hem, houdt hij toch op met eten en gaat doodstil zitten in de hoop dat hij niet opvalt. De honger wordt even opzij gezet.

Deze vierde categorie van noodmaatregelen is een echte categorie, niet een verzameling van reacties die onderzoekers elders niet kwijt kunnen. Zij dient voor gevallen van instabiliteit die weliswaar tijdelijk zijn maar niettemin fataal kunnen worden. De evolutie heeft deze maatregelen in allerlei vormen voortgebracht: denk aan de winterslaap, cocons en bladverlies als middelen om te ontsnappen aan de gevolgen van de winter.

Behalve normale seizoenscycli zijn er natuurlijk onfortuinlijkheden die abnormale bedreigingen behelzen. In de natuur kunnen dat droogtes, windhozen, overstromingen, brand door bliksem, overgewaaide ziektes, invasies van exoten en zo meer zijn. De overlevingskans van de verschillende soorten in een ecosysteem blijkt dan enorm te variëren, want het ene organisme blijkt beter bewapend dan het andere.

Ook economisch breken er op gezette tijden crises uit. Misschien is er in de economie een relatie tussen zulke cycli en de onregelmatigheden die nederzettingen kennen in bijtanken, diversifiëren en expanderen, maar dat is voorlopig speculatie. We weten in elk geval wel dat je ze kunt verwachten.

In zulke barre tijden kunnen overheden noodmaatregelen nemen in de vorm van werkloosheidsuitkering, voedselhulp, garanties op spaartegoeden, het overeind houden van failliete bedrijven en zelfs nationalisatie van banken en pensioenfondsen.

Maar bij een echte systeemcrisis is het nog maar de vraag of zulke maatregelen werken omdat de stabiliteit van de staat zelf dan in het geding kan komen. Nu de banken nog weer veel groter zijn dan in 2007-2008 en dus helemaal ‘too-big-to-fail’, wordt de staat misschien ‘too-small-to-help’.

Er worden ten tijde van crises in elk geval nooit vertoonde maatregelen genomen en die vallen duidelijk in de categorie ‘noodrem’. Denk aan helicoptergeld, het tijdelijk opheffen van de vrije markt met rantsoenering en overheidsprijzen, aan stoppen met het een en beginnen met het ander. Want als dat allemaal niet werkt, stort het systeem in.

Als het wel helpt, moet het na de crisis wel direct weer stoppen, want in een normale toestand zijn zulke noodmaatregelen ‘uit de tijd’ en kunnen ze een molensteen om de nek van de overheid gaan vormen. Denk aan landbouwsubsidies die nergens meer op slaan. In dit licht zouden we ook kunnen kijken naar de effectiviteit van zowel de (halfslachtige) Keynesiaanse politiek van na de Tweede Wereldoorlog als van het neoliberalisme van de jaren tachtig tot nu.

Hoe dan ook, economieën met nederzettingen die zich niet ontwikkelen, diversifiëren en bijtanken zitten vol economische mankementen. Daar helpt geen lieve moeder aan.

Monopolies die in tijden van crisis te verdedigen zijn, moeten later weer ontmanteld worden – maar dat gebeurt meestal niet.

.

We kennen allemaal de term ‘survival of the fittest’ die vertaald moet worden met ‘overleven van de best aangepaste’, maar die meestal foutief vertaald wordt met ‘overleven van de sterkste’. Als we nadenken over de betekenis van ‘overleven van de best aangepaste’, zien we iets merkwaardigs in de natuur.

Er zijn eigenlijk twee kanten. Het organisme dat het best is uitgerust door natuurlijke selectie is succesvol in de concurrentie om voedsel en partners. Het best uitgerust zijn betekent ook dat het organisme eigenschappen moet hebben die maken dat het zijn eigen habitat niet vernield. Het behoud van een arena om zich in te voeden, voort te planten en te concurreren is immers onontbeerlijk.

Kijk nu eens naar leeuwen en luipaarden. Als ze zouden willen, zouden ze veel meer dieren kunnen vangen; ze zouden hun prooidieren kunnen uitroeien. Maar één gazelle per keer, misschien twee op zijn tijd, is ze genoeg. Een kat op een boerderij vangt in een nacht ook niet meer dan een handvol muizen. Dan is het weer tijd om voor de warme kachel te gaan liggen.

Voor andere dieren geldt hetzelfde. Op een gegeven moment vinden ze het zoeken naar voedsel wel mooi geweest en is het tijd voor andere zaken – modderspuiten bij olifanten, seks bij bonobo’s, nieuwsgierig zijn bij otters, zakdoekje leggen bij hazen.

Misschien is dat goed voor het overleven: goed voor de spieren van de katachtigen, voor afkoeling van de olifanten, voor het goed in je vel zitten van otters en voor de sociale verhoudingen bij de apen. Maar belangrijker lijkt dat ze zo hun habitat in stand houden.

Mieren en bijen zijn wel constant in touw, net als de bacteriën in onze darmen. Maar met hun drukte onderhouden ze hun habitat juist, in plaats van hun leefmilieu aan te tasten.

De Amerikaanse vogelkers – zoals we zagen bij de rubriek Ecologie – werd eerst als een onuitroeibare plaag beschouwd, maar bij nader inzien kan de plant gewoon zijn plekje krijgen in het bossysteem als dit maar een beetje bijgestuurd wordt. Zonder levensgemeenschap overleeft de Amerikaanse vogelkers ook niet. De plant vormde eerder een vicieuze cirkel, die gelukkig niet eindigde in het opsouperen van alle rijkdom van de bodem.

We zien dus dat overleven door natuurlijke selectie twee gezichten heeft, die elk even belangrijk zijn. Eén daarvan is succes in de concurrentie om voedsel en partners. Hieruit vloeit het principe van natuurlijke selectie door het overleven van de best aangepaste voort dat we kennen van de gangbare evolutietheorie.*

Is dit ene inzicht van Darwin niet té eenzijdig?

.

Darwin heeft met zijn nadruk op het voortbestaan van de soort te weinig aandacht gegeven aan het voortbestaan van de leefomgeving. De twee hebben elkaar nodig en moeten elkaar dus in stand houden, op straffe van onleefbaarheid.

Leeuwen kun je luiheid verwijten, het gedrag van otters kun je frivool noemen, maar dit soort eigenschappen zijn belangrijke evolutionaire verworvenheden als ze een soort helpen een geschikt leefmilieu in stand te houden.

Het is niet zo dat Darwin dit geheel over het hoofd zag. Hij worstelde met het verschijnsel altruïsme – dat bijvoorbeeld soldaten hun leven willen opofferen voor de goede zaak. Omdat genen individueel worden doorgegeven, zou – bij veel dode soldaten – altruïsme door natuurlijke selectie moeten verminderen, of zelfs verdwijnen. Dat is vervelend voor een land dat soldaten nodig heeft. Het zou het voortbestaan van een Engeland op het hoogtepunt van het veroveren van grote delen van de wereld in de waagschaal stellen.

Darwin vestigde de aandacht op deze puzzel, maar wist de oplossing niet. Het viel Darwin niet op dat overal om hem heen vrouwen die kinderen baarden een soortgelijk slachtveld betraden, en niet eenmaal maar vele malen achter elkaar ultieme opoffering vertoonden. Als altruïsme in zijn extreemste vorm tot uiting komt in het baren van kinderen, is altruïsme helemaal geen evolutionaire puzzel. Individuen met die eigenschap zouden juist extra veel nageslacht krijgen. Zo vervliegt deze puzzel als gebakken lucht.

Wat we willen weten is dit: heeft onze menselijke soort aangeboren eigenschappen die ons weerhouden van het vernielen van onze leefomgeving?
We zijn er absoluut toe in staat en het is ook meermalen gebeurd. Voorbeelden hiervan zijn het gebruik van vuur om dieren op te jagen of uit te roeien; ontbossing gevolgd door erosie en overstromingen; en oorlogen volgens het principe van de verschroeide aarde. Er zijn samenlevingen aan onderdoor gegaan. Het zijn voorbeelden van nieuwe instabiliteiten die de onbedoelde gevolgen waren van eerdere bifurcaties.

Maar op de meeste plaatsen en meestentijds konden mensen de vernieling van hun leefomgeving voorkomen. Er was iets waardoor mensen zich inhielden. De redenen daarvoor zoeken is speculeren, maar er moet iets zijn dat vergelijkbaar is aan het genoemde diergedrag.

Wat houdt ons tegen om ons leefmilieu teveel te exploiteren?

.

Proberen de eigenschappen vast te stellen die ons als soort milieuvriendelijk maken, is een beetje link. Het is bij de mens moeilijk onderscheid maken tussen aangeboren uitrusting en culturele praktijken.

Daarvoor zouden deze spelregels moeten gelden: hoe wij onszelf in bedwang houden moet je kunnen terugvinden bij alle culturen, over lange perioden en het mag succes door middel van concurrentie niet in de weg zitten. We lopen de kandidaten darvoor een voor een langs.

Eén eigenschap die aan deze regels voldoet is esthetische gevoeligheid, die we meekregen met de evolutionaire gave van bewustzijn. De schilderingen in de grot Chauvet zijn doordrenkt van esthetisch gevoel, ook al dienden ze misschien andere doeleinden. Muziek, lichaamsversiering en dans namen tijd in beslag die niet aan jagen en verzamelen werd besteed. Bewondering kon er ook zijn voor de natuur zelf, in al haar facetten, wat eerder tot verering dan tot vernieling leidde.

Een tweede eigenschap, of misschien is het een stel, is dan ook: het vermogen ontzag te voelen en daarbij de angst voor vergelding bij inbreuken (zonde). Ook dit zijn weer gaven van ons bewustzijn. Heel vroeger riskeerde men dan de toorn van de goden. Je kunt dit bijgeloof noemen, maar het zegt iets over de mensheid dat echt is. En bijgeloof is zeker geen zwakke dwangbuis.

In de tijd dat de wetenschap op een voetstuk werd gehesen, leek het er even op dat de mens zich comfortabel zou voelen als heerser over de natuur. Maar eigenlijk is de angst weer terug, met de klimaatverandering, landbouwschandalen, het atoomgevaar die we meemaken. De natuur en haar wetten is, anders dan de goden, volstrekt ongevoelig voor knielen, soebatten en smeken. Dus moeten we onszelf leren in te houden, een proces waarin we middenin lijken te zitten.

Ten derde kwettert en kletst het hele menselijk ras in één grote stroom. Ons taalgevoel is aangeboren en we besteden er heel veel tijd mee. Maar is het goed of slecht voor het behoud van ons leefmilieu?

Taal is niet onschuldig, het doordrenkt alles wat we denken en doen. Het kan de zorg en het respect voor het milieu versterken, maar taal kan ook gebruikt worden om op te roepen tot het tegendeel. Het is vaak beide tegelijk.

Ook is – ten vierde – blijven prutsen en knutselen een vaste menselijke eigenschap. 

.

We kunnen het gebruik van steenkool betreuren maar het weerhield de mens van nog meer ontbossing. Olie voorkwam nog meer vernielde landschappen door mijnbouw. En dan kwamen er nog stuwdammen en kerncentrales voor ‘schone’ energie. Het kwam er allemaal omdat de mens steeds blijft prutsen en knutselen.

Keer op keer hebben we wegen gevonden om te ontsnappen aan het overdreven en schadelijk gebruik van steeds dezelfde natuurlijke grondstoffen. Geweven stoffen vervingen dierenhuiden; stenen huizen vervingen houten huizen; keramiek en plastics vervingen metaal. Bij prutsen en knutselen is het de vraag of deze eigenschap ons niet eerder in moeilijkheden brengt dan uit de brand helpt. Maar hij telt toch mee bij de eigenschappen die overal en altijd gelden.

We hebben dus (1) esthetische waardering, (2) vrees voor vergelding die zich uit in verering, (3) overredingskracht en (4) correctief prutsen en knutselen.
Dat de milieubeweging deze eigenschappen toepast en zoekt in anderen, kan nauwelijks toeval zijn. Het zijn integrale onderdelen van ons mens zijn sinds het begin der tijden.

Maar er is iets wat we niet uit het oog moeten verliezen: Natuurlijk is onze directe leefomgeving onderdeel van het samenstel van de rest van de natuur, en natuurlijk is het voor ons even fataal als voor leeuwen en panters als we ons natuurlijk leefmilieu onherstelbaar vernielen. En ook al heeft de evolutie ons voorzien van eigenschappen om ons in te houden de rest van de natuur te vernielen, toch bestaat onze leefomgeving ook uit onze nederzettingen en het economische samenstel waarvan we afhangen. En het is geen toeval dat we de meest succesvolle economische ondernemingen in de meest succesvolle economieën vinden. En dus niet in verarmde economieën waar bijvoorbeeld oppermachtige pachtheren heersen, waar de hoofdprijs naar de top gaat, maar het economisch leefmilieu waardeloos beheerd wordt.

De evolutie kan ons nauwelijks met ingeboren eigenschappen toegerust hebben om ons economisch milieu te bewaren. Als we handel meetellen is onze economische geschiedenis tien- hooguit twintigduizend jaar oud.

Als mens staan we bloot aan allerhande vormen van criminaliteit en geweld, afkomstig uit allerlei kringen – niet alleen van misdadigers maar evenzeer van monopolisten en ook wel van overheden – die in hun streven allemaal bereid zijn de kip met de gouden eieren te slachten en daarmee de economie om zeep te helpen.

Het enige wat we daartegenover kunnen stellen is misschien een moreel gevoel. Dat hebben we allemaal wel. Over wat goed of slecht is kunnen we bakkeleien, maar een bewustzijn van juist of verkeerd gedrag is een oude en wijdverspreide eigenschap.*

Ons beste wapen is een groot verhaal met zulke ingrediënten over een goede toekomst.

.

We komen nu aan het laatste onderdeel van dit onderzoek. In de gangbare wetenschap probeert men oorzaak-gevolg-relaties te ontdekken door alle variabelen, op twee (hooguit drie) na uit te sluiten. Wie de werking van vitamine A onderzoekt, zal bijvoorbeeld een groep ratten een dieet geven dat voor iedere rat precies gelijk is, behalve wat vitamine A betreft: een groep krijgt het wel, een andere niet. Zulke onderzoeken moeten overal opnieuw gedaan kunnen worden, geverifieerd kunnen worden, en als de uitkomsten niet gelijk zijn, is het onderzoek niet ‘valide’.

Oorzaak-gevolg-onderzoeken informeren ons niet; ze voorspellen. Je krijgt geen antwoord op de vraag: hoe werkt vitamine A dan precies? Maar je krijgt antwoord op de vraag wat de effecten ervan zijn.

Komen er meer variabelen aan te pas dan wordt het onderzoek al gauw enorm ingewikkeld. De ene variabele verandert de ander, wat dan weer zijn weerslag heeft op die ene, en nog meer andere. Het wordt een onontwarbare kluwen.

Toen de computer kwam, hoopten geleerden dit euvel te kunnen verhelpen. Zo bedacht de wiskundige en meteoroloog Edward Lorenz in 1963 het volgende. Als ik de variabelen van weersystemen – temperaturen, luchtdrukgegevens, windrichtingen en windsnelheden, neerslag en de invloed van aangrenzende fronten – allemaal in een model kan stoppen en de computer zou allerlei situaties in zijn geheugen opslaan, dan zou ik bij een heersend weerpatroon van nu in dat geheugen een identiek geval van vroeger kunnen opzoeken en dan zou het weer van nu zich vast net zo ontwikkelen als toen.

Toen hij dat uitprobeerde was hij hogelijk verrast dat er al na een paar dagen niets meer van klopte. Gelijke weersystemen gingen niet gelijkaardig verder; de verschillen waren even groot als met geheel andere weerpatronen.

Lorenz realiseerde zich dat hij een ontdekking had gedaan met verreikende implicaties. Obscure, onvoorzienbare en eigenaardige gebeurtenissen veroorzaakten buitengewone gevolgen. Hij gaf dit de naam: het ‘vlindereffect’ (het ‘butterfly-effect’). Dit zegt dat een vleugelslag van een vlinder hier, ergens anders, duizenden kilometers verderop, tot een storm of een overstroming kan leiden. Er wordt niet simpel mee bedoeld dat kleine oorzaken grote gevolgen kunnen hebben, maar dat, ook al zou je elke afzonderlijke invloed op betaalde types complexe systemen kunnen berekenen, dan nog de toekomsten ervan onvoorspelbaar zijn.

Meadows verklaart waarom wij mensen dan toch denken te weten hoe het werkt en dat de uitkomsten van wat we doen meestal het tegenovergestelde zijn van wat we beogen.

.

Een systeem vormt zich al doende. Dat maakt zijn toekomst onvoorspelbaar. Dit geldt voor het weer, voor de evolutie en voor economieën (zolang ze niet vastgelopen zijn). Er is geen bestemming of voorbeschikking.

Dat wil niet zeggen dat creatieve zelf-organisatie – dat is waar we het hier over hebben – vanzelf tot wanorde leidt. Integendeel. Het zegt ons dat orde niet gelijk is aan uniformiteit, en dat wat gecreëerd wordt in een ordelijk proces niet voorbestemd of voorspelbaar is.

In een ecosysteem volvoeren planten en dieren wat je plannen voor de toekomst zou kunnen noemen. Dat doen ze zonder zich bewust te zijn dat er zoiets als een toekomst is. Ze bouwen nesten, graven holen, beginnen een gezin, zoeken voedselbronnen en laten vruchten ontkiemen. Samen bouwen ze een ecosysteem op, net zoals verzamelingen van bedrijven met hun toekomstplannen de economie van een nederzetting opbouwen. Het ecosysteem heeft geen overheersend bevel over het samenstel, en kan dat ook niet hebben, want het is zelf-organiserend, het vormt zichzelf gaandeweg.

Van een economie die vitaal is en potentie heeft, is niemand de baas. Zij levert de ene verrassing na de andere op, in plaats van zich te wijden aan wat er van haar verwacht of gehoopt wordt.

De leden van het samenstel dat de economie is, zijn afhankelijk van de co-ontwikkelingen van andere leden, van vele, vele anderen in het samenstel, om dat hele hachelijke geval stabiel genoeg en expanderend genoeg te houden om correcties en bifurcaties op te kunnen vangen.

De economische geschiedenis is vergeven van overmoedige gevallen waarin men dacht toch te kunnen sturen. Of dat nu was met ontwikkelingshulp volgens de theorie der dingen, of met kernenergie die onvermoede bijkomende kosten en gevaren had. De vergissing was te denken dat je vooraf het benodigde antwoord al had. Dat kan het geval zijn, maar het kan ook heel goed niet het geval zijn. Succesvolle bifurcaties beginnen meestal bescheiden, gaan zich al doende bewijzen en vinden dan hun weg in het economisch leven – of ze worden afgeschoten. Dat honderden miljarden die in kernenergie gestoken werden, deed andere mogelijkheden doodbloeden, genegeerd of weggehoond worden. Zo experimenteer je niet. Op die manier kunnen potentiële bifurcaties geen kapitaal of toestemming krijgen, of mogen ze een gemonopoliseerde markt niet op.

Dat wil niet zeggen dat een samenleving zich geen doelen mag stellen, of zelfs maatstaven, omtrent waar zij naartoe wil. Zij kan bijvoorbeeld vervuiling verbieden, maar moet niet gebieden hoe die vervuiling voorkomen kan worden.

Niemand kan betere manieren voorspellen, en al helemaal niet de beste manier om bekende dingen te doen, laat staan om dingen te doen, die nog nooit gedaan zijn. Met die houding was internet er niet gekomen.

Hiermee zijn we rond met onze studie van de natuur van de economie.

.

Hoe meer we te weten komen over de werking van de natuur, des te wonderbaarlijker is het. Zo hebben we ook behoefte aan een echte wetenschap van het wonderbaarlijke economische leven. Misschien moet het tot een symbiose komen tussen een niet-bovennatuurlijke economie en een niet-misantropische (dus mensvriendelijke) ecologie. Zoiets hebben we nodig. Wij mensen worden nog steeds aanvaard in het grote samenstel van soorten. Daarom hebben we nog altijd de gelegenheid om ons wat zekerder in dit samenstel te vestigen als symbionten.

Bij alle lof voor de natuurlijke orde, is de natuur bij lange na niet perfect voor wat betreft criteria die leiden tot wat wij een intelligente en zorgvuldige planning vinden. Soorten mislukken in hun aanpassing aan veranderde omstandigheden en sterven uit. Je zou kunnen zeggen dat ontwikkeling en co-ontwikkeling wanorde oproepen door nieuwe onzekerheden met zich mee te brengen. Maar binnen de verwarring, uitval en onvoorspelbaarheid werken die ontzagwekkende processen die we bespraken: ontwikkeling en co-ontwikkeling door differentiatie, voortgaan door bijtanken, stabilisatie door zelfcorrectie – allemaal in het gareel gehouden door onvoorspelbare zelf-organisatie.

Laten we niet vergeten dat dit steeds blijft spelen.

Als je in dit opzicht nadenkt over de natuur van de economie, kun je je afvragen: heeft de economie een doel, waar is de economie goed voor?

Het is waar dat mensen dingen maken en bezitten dankzij economische processen. Maar onze naakte, ongeletterde voorouders hebben die processen van ontwikkeling en diversificatie niet geschapen, net zo min als wij. Ze zijn er gewoon, net als de natuur er is. We weten dus niet precies wat het doel van de economie is. Wat we wel weten is dit: het is erg onverstandig om te proberen universele processen te omzeilen.

Als we niet weten waartoe economie dient, dan kunnen we in elk geval, elk op ons eigen manier, deelnemen aan een universele stroom.