Ontkoppeling ontrafeld

GERTJAN COBELENS

Laat ik dit verhaal beginnen met een bekentenis. Ik heb Jan jaren geleden al beloofd een artikel te schrijven over energietransitie. Dat het er maar niet van komt heeft te maken met het plaatje hierboven. Afhankelijk van je perspectief zie je hier een jonge vrouw of een oude dame. De truc, en daar heeft het me al die tijd aan ontbroken, is om beide perspectieven tegelijk te zien.

Het thema van dit artikel is groene groei. Groene groei staat voor het loskoppelen van economische groei en CO2-uitstoot en ecologische overbelasting. En of het nu om groene groei gaat of om de energietransitie, in beide gevallen moet je aan een forse dosis cognitieve dissonantie lijden om er wijs uit te worden. Want je krijgt voortdurend te maken met opvattingen die haaks op elkaar staan en die toch elk op hun eigen manier waar zijn.

Een paar voorbeelden:

♦ Fossiele brandstoffen zijn de beste energiebronnen waarover we beschikken, en wellicht ook ooit zullen beschikken. / Fossiele brandstoffen vormen de grootste bedreiging voor een duurzame samenleving.
♦ Fossiele brandstoffen hebben ons in staat gesteld om de meest geciviliseerde beschaving ooit te ontwikkelen. / Fossiele brandstoffen vormen de grootste bedreiging voor de toekomst van onze beschaving.
♦ Onze exploitatie van mineralen en natuurlijke hulpbronnen hebben gezorgd voor een enorme economische groei en een hoge levensstandaard. / Onze exploitatie van mineralen en natuurlijke hulpbronnen hebben gezorgd voor een catastrofaal verlies aan biodiversiteit, habitatverlies en toxische vervuiling.
♦ De energietransitie naar CO
2-vrije energie is de enige manier om een klimaatramp te voorkomen. / Kijk je verder dan CO2-uitstoot alleen dan is die energietransitie niet veel meer dan het inwisselen van de ene eindige en vervuilende energiebron voor een andere eindige en vervuilende energiebron.
♦ Het omhelzen van groene groei is een enorme stap voorwaarts. / Het omhelzen van groene groei is niets anders dan een poging om het
business as usual nog even te rekken.

Je zou van minder hoofdpijn krijgen.

Naast het inzicht dat tegenovergestelde perspectieven binnen hun eigen context allemaal even waar kunnen zijn, heb je ook nog van die perspectieven die je inzicht doen kantelen.

Zo’n inzicht kwam bij mij toen ik las over een groep idealistische ingenieurs die in 1911 besloot de enorme onveiligheid op de werkvloer aan te pakken. In fabrieken, de bouw, de landbouw stierven arbeiders als vliegen of raakten permanent gehandicapt als gevolg van onveilige werksituaties. Om de eigenaren en werkgevers te vriend te houden, was hun aanpak aanvankelijk vooral gericht op het substitueren van onveilige situaties voor iets minder onveilige situaties. Dat bleek niets op te leveren. Toen kwam het inzicht dat voor de doorbraak zorgde. Als we nu eens aan de andere kant beginnen en gaan proberen om onveilige situaties radicaal uit te bannen… Het koste wat meer overredingskracht om de fabriekseigenaren zover te krijgen, maar de resultaten waren spectaculair.* De overeenkomst ligt voor de hand. Verduurzaming bestaat nu vooral uit het substitueren van praktijken die niet-duurzaam zijn voor praktijken die een beetje minder niet-duurzaam zijn. Neem de overgang van auto’s met verbrandingsmotoren naar elektrische auto’s. In termen van substitutie is dat ontegenzeggelijk een verbetering. Maar kijk je door de ogen van zo’n veiligheidsingenieur uit 1911, dan zie je dat de eerste soort, om het maar eens ongenuanceerd uit te drukken, de atmosfeer verpest en de tweede de aarde bedelft onder een enorme laag giftige accu’s die zich niet of nauwelijks laten recyclen.*  Take your pick.

Natuurlijk is het niet mogelijk om radicaal niet-duurzaamheid uit te bannen – dan kunnen we ons boeltje hier wel meteen inpakken – maar het is wel een inzicht dat me als een richtsnoer door de komende afleveringen heeft begeleid.

Ontkoppeling – het klinkt een beetje als dat stel dat altijd zo hecht was en nu opeens besloten heeft om uit elkaar te gaan. Heb je het al gehoord, ze zijn niet langer een koppel, ze hebben zich ontkoppeld.

In de economie is iets soortgelijks aan de hand. Beleidsmakers komen steeds meer tot het inzicht dat de innige verstrengeling tussen economische groei enerzijds en materiaalverbruik, energieverbruik en CO2-uitstoot anderzijds niet langer te handhaven valt. Willen we het hier op aarde de komende decennia nog een heel klein beetje aangenaam houden, dan is het voor iedereen beter als ze elk huns weegs gaan.

Dat is althans het idee dat ten grondslag ligt aan het concept van groene groei. Het is een concept waarvan de wortels in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw liggen,* maar dat sinds de jaren tien van deze eeuw in een stroomversnelling is geraakt. In 2011 en ’12 publiceerden de OESO,* de Wereldbank* en het VN-Milieuprogramma* elk een pleidooi voor groene groei, dat de basis is gaan vormen voor de Europese en Amerikaanse plannen voor een Green Deal. Grof gezegd komt groene groei er op neer dat je je economie laat groeien zonder dat de druk op het milieu meegroeit. Het proces aan de hand waarvan dat moet gebeuren heet ontkoppeling.

Ontkoppeling komt in twee smaken: relatief en absoluut. Relatieve ontkoppeling wil zeggen dat het materiaal- en energieverbruik en de CO2-uitstoot wel toenemen, maar minder snel dan de economische groei. Absolute ontkoppeling houdt in dat het materiaal- en energieverbruik en de CO2-uitstoot bij een groeiende economie gelijk blijven of dalen. Alleen in het VN-rapport wordt een expliciete link gelegd tussen groene groei en absolute ontkoppeling. Bij de Wereldbank en de OESO blijft dat wat in het midden en komt de term absolute ontkoppeling niet voor.

Ik zou willen stellen dat groei alleen het predicaat ‘groen’ verdient wanneer er sprake is van absolute ontkoppeling. De eerste reden daarvoor is dat als we binnen de negen planetaire grenzen willen blijven er voor de materiaaldoorvoer in de economie een harde grens van 50 miljard ton per jaar geldt, en daar zitten we inmiddels al ver boven.* De tweede reden is dat ook een geheel CO2-vrije energievoorziening niet oneindig door kan groeien. Deels omdat de grondstoffenvoorraad daartoe ontoereikend is, deels omdat elk energiesysteem vanwege zijn enorme schaal altijd een forse milieu-impact heeft en deels omdat de entropiewet een harde grens stelt aan ons energieverbruik, hoe ‘groen’ ook (zie aflevering 5 De tweede wet).

Bij de materiaaldoorvoer is het probleem al enorm, wat betreft de CO2-uitstoot gelden er nog strengere criteria. Hier is het niet voldoende dat er op mondiale schaal absolute ontkoppeling plaatsvindt. Die ontkoppeling moet ook nog eens zeer omvangrijk zijn – minimaal 7 procent per jaar voor de hele wereldeconomie – om in elk geval onder een mondiale temperatuurstijging van 2 graden te blijven.

Voordat we overgaan naar de vooruitzichten voor de verschillende vormen van ontkoppeling, kijken we eerst in vogelvlucht hoe we er nu voor staan.

De maatstaf die doorgaans gebruikt wordt om de materiaal- en energiedoorvoer in een economie te meten, heet DMC (domestic material consumption oftewel het binnenlands materiaalverbruik). DMC is de optelsom van het gewicht van alle biomassa, mineralen, metalen en fossiele brandstoffen die in een land gewonnen worden plus de import van deze materialen minus de export. Deel je het bbp door het DMC dan levert je dat een indicatie op van de materiaalefficiency van je economie. Dit is de maatstaf die de OESO en de EU gebruiken om te bepalen of die groene groei in zicht komt of juist uit het blikveld verdwijnt.

In de volgende aflevering meer over hoe we er nu voor staan en hoe de opzet van dit artikel er uit ziet.

Volgens de Green Growth Indicators van de OESO gaat het in de EU heel goed met die zogenaamde DMC – het binnenlandse materiaalverbruik. Tussen 2000 en 2017 is dat materiaalverbruik gedaald van 12 ton per hoofd van de bevolking naar net iets minder dan 10 ton.* Dat klinkt heel fraai, maar er huizen wel twee adders onder het gras. De eerste is dat de OESO fossiele brandstoffen, die in de EU voor het overgrote deel geïmporteerd moeten worden, niet meeneemt in haar berekening van de DMC. De tweede is dat de DMC bij de import niet het materiaal en de energie meerekent die in de productie van die import gestoken is en feitelijk in het productieland is achtergebleven. Een simpel voorbeeld: de productie van een accu van 1 kilo vergt een input van tussen de 50 en 80 kilo aan grondstoffen, en alleen die ene kilo wordt meegeteld. En juist omdat de EU veel van haar productiefaciliteiten naar lagelonenlanden heeft verplaatst, levert dat een veel te rooskleurig beeld op.

Wanneer je die fossiele brandstoffen en het materiaal dat in de productie van de import gevat zit wel verdisconteert, rijst er een heel ander beeld op. Studies van Wiedmann* en Gutowski* wijzen uit dat als je voor zo’n bredere benadering kiest, die absolute ontkoppeling van 12 naar 10 ton verandert in herkoppeling, wat wil zeggen dat het materiaalverbruik in de EU juist sneller toeneemt dan de economische groei.

Een meta-analyse* van 835 wetenschappelijke studies naar ontkoppeling, die in juni 2020 in Environmental Research Letters verscheen, laat op wereldschaal zien dat de laatste drie decennia van de 20ste eeuw in het teken hebben gestaan van relatieve ontkoppeling, maar dat die tendens na 2000 is omgeslagen naar een materiaalverbruik dat grosso modo even snel toeneemt als de mondiale economische groei, of zelfs sneller.

De CO2-uitstoot is een ander verhaal. Sinds zo’n decennia of drie is relatieve ontkoppeling de norm en laten onder meer de VS en de EU laten zien dat absolute ontkoppeling mogelijk is.* Maar op wereldschaal heeft die absolute ontkoppeling crisisjaren als 2009 en 2020 daar gelaten nog niet plaatsgevonden. Daarnaast speelt er een verontrustende trend. Cijfers van de Wereldbank* geven aan dat de CO2-intensiteit van de economie (de hoeveelheid CO2 die per eenheid productie nodig is) tussen 1960 en 2000 met gemiddeld 1,28 procent per jaar is afgenomen, maar dat die daling sinds 2000 tot stilstand is gekomen. Dit vormt een indicatie dat een absolute ontkoppeling die groot genoeg is om de mondiale temperatuurstijging onder de twee graden te houden, eerder uit het zicht verdwijnt dan dichterbij komt.

Dit artikel gaat dus over groene groei, al is aflevering 4 meteen een buitenbeentje. Die gaat over een vraag die in wetenschappelijke studies vreemd genoeg nooit gesteld wordt, namelijk of het bbp wel zo’n geschikt meetinstrument is om de mate van ontkoppeling te berekenen (spoiler alert: niet dus). Afleveringen 5 en 6 behandelen de fysische redenen waarom economische groei, hoe groen ook, op de (zeer) lange termijn noodzakelijkerwijs ten einde loopt. Afleveringen 7-12 gaan over bekende ‘groene groei’-strategieën als het bevorderen van de diensteneconomie, het stimuleren van de digitalisering en ontstoffelijking van de economie, en de deeleconomie. Afleveringen 13-16 behandelen de vooruitzichten van recycling, de circulaire economie en de bio-economie. En de nummers 17 tot 19 gaan over het terugdringen van de CO2-uitstoot en de energietransitie.

Een van de inspiratiebronnen voor dit artikel is een opmerking in het baanbrekende boek van Tim Jackson, Welvaart zonder groei (2010), waarin hij stelt dat aanhoudende absolute ontkoppeling erg onwaarschijnlijk is, maar dat er geen theoretische reden is waarom het niet mogelijk zou zijn. Zoiets vat je natuurlijk als een uitdaging op, en dus heb ik de stukjes gelardeerd met allerhande ‘obscure’ concepten die aangeven dat er wel degelijk theoretische barrières zijn.

In de laatste vier afleveringen kom ik zelf met iets wat voor een theorie moet doorgaan. Inspiratiebron hiervoor is het idee van Donella Meadows dat beleidsmakers meestal nog wel in staat zijn om aan hendels te trekken, maar vaak behept zijn met de neiging om precies de verkeerde te kiezen. In de ‘Onzichtbare hand van Beëlzebub’ probeer ik te laten zien dat efficiency een schoolvoorbeeld is van een hendel die precies de verkeerde op geduwd wordt.

Veel komt in dit artikel ook niet in aan bod. Begrippen als emissiehandel, uitstootplafond, CO2-heffing, koolstofafvang of BECCS zult u hier tevergeefs zoeken. Die verdienen een eigen artikel. En veel zaken worden alleen in vogelvlucht behandeld. Toch hoop ik voldoende bewijzen aan te dragen om te laten zien dat het concept van groene groei uiteindelijk een contradictio in terminis is.

Of het nu over relatieve of absolute ontkoppeling gaat, of over de energie-intensiteit van een economie, deze worden allemaal berekend in relatie tot het bbp. Ontkoppeling treedt op wanneer het bbp sneller stijgt dan het materiaal- en energieverbruik. En de energie-intensiteit van een economie bereken je simpelweg door de energiekosten te delen door het bbp. Daalt de uitkomst, dan is dat een indicatie dat het met die ontkoppeling de goede kant opgaat.

Waar vreemd genoeg zelden bij wordt stilgestaan, is de vraag of dat bbp wel zo’n goed meetinstrument is. Wil je namelijk iets meten in de wereld om je heen, dan is het wel zo handig dat er niet voortdurend aan het gewicht van een kilo, de lengte van een meter of de duur van een uur wordt gesleuteld. Want is je meeteenheid instabiel – weegt die kilo de ene keer wat meer en de andere keer wat minder – dan is het onmogelijk om objectieve metingen te doen.

Helaas is het bbp een schoolvoorbeeld van een instabiele meeteenheid. Om te beginnen vinden er regelmatig aanpassingen plaats in wat we meetellen en hoe we zaken meewegen. Zo werd bijvoorbeeld in 2013 in de EU bepaald dat we voortaan ook illegale activiteiten als prostitutie, drugshandel en smokkel mee mogen rekenen.* Daar kan je op methodologische gronden best voor kiezen, maar het maakt het bbp als meetinstrument er niet betrouwbaarder op.

In zijn artikel ‘The Price of Self-Delusion‘ gaat econoom Tim Morgan een stap verder. Het gebruikelijke verhaal, zo stelt hij, is dat onze CO2 uitstoot tussen 1999 en 2019 met 48 procent is gestegen. En dat het mondiale bbp in diezelfde periode met 110 procent is gegroeid. Kijk je niet verder, dan kom je tot de conclusie dat onze economische output per ton CO2 er met 42 procent op vooruit is gegaan. Anders gezegd, elke euro aan economische activiteit gaat nu met 30 procent minder CO2-uitstoot gepaard dan twintig jaar geleden.*

Maar verreken je het bbp voor het feit dat de wereldwijde schuldenberg tussen 1999 en 2019 bijna drie keer zo snel is gegroeid als het mondiale bbp (respectievelijk met 206 biljoen dollar en 71 biljoen dollar) – wat betekent dat elke dollar aan groei werd ‘gekocht’ met drie dollar aan schuld – dan krijg je opeens een hele andere uitkomst. Dan is die CO2-uitstoot per euro aan economische activiteit de afgelopen twintig jaar niet met 30 procent gedaald, maar met 9 procent gestegen.

Tot slot is er nog een veel fundamenteler probleem. We willen graag stabiele meeteenheden (kilo’s, centimeters, minuten) om nauwkeurig te kunnen meten, maar de basismeeteenheid van het bbp bestaat uit prijzen, en die zijn allesbehalve stabiel. En zoals ik eerder al opmerkte kan je zonder stabiele meeteenheid geen objectieve metingen verrichten.

Om die reden hebben economen het reële bbp geïntroduceerd. Daarin worden kunstmatig stabiele prijzen gecreëerd door een onderscheid te maken tussen nominale prijzen (de marktprijs) en reële prijzen (prijzen die gecorrigeerd zijn voor prijswijzigingen), en door die reële prijzen vervolgens aan een basisjaar te relateren. Maar hiermee verschuif je enkel het probleem, zoals het voorbeeld in deze noot* aangeeft. Want welk jaar je als basisjaar kiest kan forse invloed hebben op de omvang van het bbp. Zo veranderde Nigeria een paar jaar terug van basisjaar (van 1990 naar 2010) en was het bbp plots verdubbeld. Ook Ghana, Kenia, Tanzania, Oeganda en Zambia hebben hun bbp flink weten op te krikken door een gunstiger basisjaar te kiezen.

De Amerikaanse overheid houdt er dan ook een database op na waarin zogenaamde vintage bbp-schattingen worden bijgehouden die steeds vanuit een ander basisjaar berekend worden. Op basis van die gegevens heeft econoom Blair Fix berekend dat er de afgelopen zeventig jaar een onzekerheid van grofweg 30 procent in de omvang van het Amerikaanse bbp is geslopen. En dat het gerapporteerde reële bbp zich altijd in de bovenste regionen van die onzekerheidsmarge bevindt.

Dat laatste heeft grote potentiële consequenties voor het ontkoppelingsvraagstuk. Klopt het dat de omvang van bbp’s structureel wordt overschat, dan is het heel goed mogelijk dat de tot dusver geconstateerde relatieve en absolute ontkoppeling een luchtspiegeling is.

Waar ik de komende afleveringen bbp-cijfers gebruik om de mate van ontkoppeling aan te geven (zo worden die dingen nu eenmaal berekend, ik kan het ook niet helpen), is het nuttig om in het achterhoofd te houden, dat al die cijfers met grote onzekerheidsmarges omgeven zijn.

Afgezien van de vraag of groene groei op de korte termijn mogelijk is, is ze dat op de (zeer) lange termijn zeker niet. En dat heeft alles te maken met de tweede wet van de thermodynamica, de entropiewet.

In zijn nieuwe boek Post Growth (Polity, 2021) geeft Tim Jackson de eerste helft van de reden.* Die reden heet entropie. Entropie is een maat voor wanorde of willekeur binnen een systeem. Het heeft betrekking op regelmatigheden en onregelmatigheden in de verdeling van energie en materie. Hoe hoger de entropie, des te gelijkmatiger materie en energie verdeeld zijn. Hoe lager de entropie, hoe meer verschillen er zijn.

De entropiewet beschrijft de Werdegang van orde naar chaos, waaraan alles in het universum onderhevig is. De Amerikaanse dichter Allen Ginsberg heeft die wet ooit tot drie simpele regels ingedikt:

  1. Je kunt het spel nooit winnen

  2. Je kunt zelfs nooit gelijkspelen

  3. Je kunt het spel nooit verlaten.

Entropie verklaart waarom de fiets waarop je ’s ochtends naar je werk gaat, het fietspad waar je overheen zoeft en het schuurtje waar je die fiets ’s avonds stalt ooit kapot zal gaan, verbrokkelt of instort, en dus op zeker moment gerepareerd of vervangen moeten worden. Alles wat we produceren, alles wat we bij elkaar fabrieken is onderhevig aan een continu entropisch proces van ontwaarding. En daarom moeten we continu arbeid (=energie) steken in het onderhouden, repareren en vervangen van alles wat we maken en gebruiken.

Hoe groter je economie, hoe hoger de kosten van de ontwaarding. Oneindige groei betekent oneindige onderhoudskosten en dus een oneindige hoeveelheid energie om het onophoudelijke proces van ontwaarding tegen te gaan. En hier zit hem de kneep, en belanden we meteen bij de tweede helft van de reden waarom groene groei op de lange termijn niet mogelijk is.

Want ook al zouden we er in slagen om onze energievoorziening volkomen CO2-vrij te maken, dan nog is het onmogelijk om die oneindig in het huidige tempo door te laten groeien. De natuurkundige Tom Murphy legt in zijn nieuwe publicatie Energy and Human Ambitions on a Finite Planet (2021) uit waarom dat zo is. De reden heet restwarmte, en ook dat is weer een effect van de entropiewet. Die wet zegt namelijk dat elke keer wanneer we energie gebruiken er in het omzettingsproces een deel verloren gaat, de restwarmte.

Zou al die restwarmte op aarde blijven, dan zou het hier snel onaangenaam warm worden, maar gelukkig verdwijnt ze in de vorm van infrarode straling de ruimte in. De aarde bevindt zich tot op zekere hoogte in een thermodynamisch warmte-evenwicht van inkomende zonne-energie en uitgaande infrarode straling. Maar dat evenwicht is niet in steen gebeiteld, dat kan verstoord raken. Wanneer dat gebeurt kan je zelf narekenen met behulp van de Wet van Stefan-Boltzmann (voor de liefhebber: P=Asurfσ(T4hotT4cold).

Stel nu dat ons energieverbruik jaarlijks met 2,3 procent zou stijgen (een fractie lager dan het gerealiseerde langjarige gemiddelde van 2,4 procent en vooral gekozen omdat 2,3 procent zo handig rekent: een stijging van 2,3 procent per jaar komt neer op een vertienvoudiging in 100 jaar). De eerste paar eeuwen merken we er niet veel van. Over 100 jaar is de temperatuur op het aardoppervlak met 0,1 graad gestegen en over 200 jaar met ongeveer 1 graad. Maar daarna gaat het griezelig snel: over 300 jaar is het aardoppervlak 9 graden opgewarmd, over 400 jaar 56 graden (en over 417 jaar 100 graden – en over 900 jaar is het hier heter dan op de zon).

Kortom, ook wanneer er geen grammetje CO2 vrijkomt, loopt de stijging van ons energieverbruik noodgedwongen ooit ten einde.

Zoals we in de vorige aflevering hebben gezien, is het niet mogelijk om het energieverbruik, hoe CO2-vrij ook, eeuwig te laten groeien. En dat geldt in laatste instantie ook voor de economie zelf. De reden daarvoor heeft opnieuw te maken met die irritante entropiewet.

Op de zeer lange termijn bekeken, bestaat het belangrijkste instrument dat we hebben om de economie bij een stabiel energie- en materiaalverbruik te laten groeien, uit een continue stroom van efficiencyverbeteringen. Beleidsmakers verwachten hier veel van en zetten vol in op innovatie en nieuwe technieken.

Op de korte termijn is er ook nog veel speelruimte voor efficiencyverbetering. Maar wil je dit proces ‘eeuwig’ volhouden, dan moet er ruimte zijn voor vele ordes van grootte aan verbeteringen en die is er simpelweg niet.

Om te beginnen zijn sommige technieken al bijzonder efficiënt. Een elektromotor heeft een efficiency van 90 procent, daar val niet veel meer aan te verbeteren. En ook in de verbetering van de efficiency van wind- en zonne-energie zit niet heel veel rek meer. Hun efficiency is namelijk aan een thermodynamisch maximum gebonden. In het geval van windenergie is dat de wet van Betz die stelt dat het maximaal haalbare rendement op 59 procent strandt. En bij zonnepanelen is het de Shockley-Queisser-limiet, die bepaalt dat die grens rond de 32 procent ligt.* Zeker, verbetering is mogelijk, maar niet met ordes van grootte.

Iets soortgelijks geldt ook voor onze verlichting. Die heeft een ronduit spectaculaire ontwikkeling doorgemaakt, van houtvuur in een grot naar fakkels naar kaarsen naar lamplicht op walvisolie naar elektrische gloeilampen naar tl-buizen naar led-lampen. Er is geen enkele reden om aan de nemen dat die ontwikkeling ooit stopt, toch? Helaas, het theoretisch maximum voor verlichting ligt op 300 lumen per watt* en de beste led-lampen komen nu al uit op 120 l/w. Dus is er hooguit nog iets meer dan een verdubbeling mogelijk.

En eigenlijk geldt dat over de hele linie. In hun baanbrekende studie* extrapoleren James Ward en zijn medeauteurs de historische efficiencygroei van 1 tot 2 procent per jaar en concluderen op grond daarvan dat de grens aan efficiencyverbeteringen al ruim voor het einde van de eeuw in zicht komt.

Maar er speelt nog iets anders. Lukt het om de economie te laten groeien terwijl ons energie- en materiaalverbruik gelijk blijft, dan treedt er op de lange termijn een vreemd verschijnsel op. In zo’n economie daalt de energie- en materiaalintensiteit* voortdurend. Anders gezegd, de niet-fysieke delen van de economie worden steeds groter, terwijl zaken die energie en materiaal vergen – spullen, transport, voedsel, verwarming, koken, enzovoort – een steeds kleiner deel van de economie uitmaken. Het effect is dat de energie- en materiaalintensiteit van de economie richting nul tendeert. Het praktische gevolg daarvan is niet alleen dat er dus steeds meer geld naar immateriële activiteiten vloeit, maar ook dat alle materiële zaken steeds goedkoper worden.

Laat ik me ter verduidelijking bezondigen aan een uiterst versimpeld gedachte-experiment. Stel je hebt een economie die met 2,3 procent per jaar groeit (wat neerkomt op een vertienvoudiging in 100 jaar), terwijl de fysieke sectoren van de economie op het huidige niveau gestabiliseerd blijven (en relatief gezien dus met 2,3 procent per jaar krimpen). En stel dat je nu 2.000 uur per jaar werkt en dat de helft van je inkomen (1.000 arbeidsuren) opgaat aan zaken die aan energie- en materiaalverbruik gerelateerd zijn. Dan is het gevolg dat je over 100 jaar geen 1.000 uur, maar nog maar 100 uur per jaar hoeft te werken om voor de materiële basis van je bestaan te betalen. En over 200 jaar nog maar 10 uur, over 300 jaar 1 uur. En over 400 jaar hoef je je gezicht nog maar 6 minuten per jaar op kantoor te laten zien om je energierekening, je kleding, je voedsel en je nieuwe smartphone, of wat het dan ook is waar we ons tegen die tijd mee vermaken, te betalen.

Dat klinkt niet heel realistisch, en dat is het ook niet. Op zeker moment zal de prijs van al die materiële zaken gaan stijgen, en sneller dan die van de niet-fysieke sectoren. Met als gevolg dat de (in geld uitgedrukte) energie- en materiaalintensiteit van je economie weer toeneemt en er een einde komt aan de absolute ontkoppeling.*

Ook al is dit onontkoombaar, we kunnen het echte probleem toch zeker nog wel een tijdje voor ons uitschuiven? Aflevering 7-12 gaan over de ‘groene groei’-strategieën.

Naast efficiencyverbeteringen is er volgens de pleitbezorgers van groene groei nog een manier om tot een absolute ontkoppeling tussen bbp-groei en het energie- en materiaalverbruik te komen. En dat is via de dematerialisatie of ontstoffelijking van de economie door vol in te zetten op de groei van de dienstensector, de digitalisering van de economie en de deeleconomie. In deze en de volgende vier afleveringen lopen we deze strategieën even langs.

Het klinkt zo logisch: de dienstensector vergt veel minder energie en materie dan industriële sectoren als de mijnbouw, de maakindustrie, de bouw… Nu al beslaat de dienstensector in de meeste rijke landen ten minste twee derde van de economie, en we hoeven dat percentage alleen nog maar wat verder op te krikken om tot absolute ontkoppeling te komen.

Daar lijkt geen speld tussen te krijgen, toch wijst de praktijk anders uit. Diensten maken zo’n 77 procent uit van de Amerikaanse economie en zo’n 66 van de Zweedse. Toch is de materiële voetafdruk per hoofd van de bevolking in de VS ruimschoots groter dan die van Zweden. En in China is de dienstensector als deel van het bbp sinds 1970 in omvang verdubbeld, terwijl het energieverbruik per hoofd van de bevolking in diezelfde tijd met 900 procent is gestegen.* Kennelijk wordt er in die lofzang op de diensteneconomie iets over het hoofd gezien.

Dat zou bijvoorbeeld kunnen zijn omdat sommige diensten veel meer energie en materiaal verbruiken dan vaak wordt gedacht. De reisbranche is daar een goed voorbeeld van. Al die vliegtuigen, bussen, cruiseschepen en ‘all-inclusive resorts’ slurpen verrassend veel energie.

Een andere reden is dat de scheidslijn tussen industrie en diensten niet altijd even helder is. Sta je aan een lopende band koplampen in auto’s te monteren en ben je in dienst van de fabriek, dan wordt je tot de industriële sector gerekend. Doe je hetzelfde werk aan dezelfde lopende band als uitzendkracht of zzp’er, dan lever je opeens een dienst en hoor je bij de dienstensector.

Een veel belangrijkere reden is dat een groot deel van de dienstensector, de detailhandel, alleen maar kan bestaan bij gratie van de gigantische goederenstroom die verkocht moet worden. Een autodealer kan niet zonder auto’s, net zo min als een autofabrikant zonder dealers kan die zijn auto’s voor hem verkopen. De Lidl, Jumbo, Bol.com of Amazon zijn zo groot en hebben zo veel mensen in dienst omdat ze enorme bergen spullen verkopen, niet omdat ze gedematerialiseerd zouden zijn. Een onderzoek* van Jespersen naar de Deense economie wijst dan ook uit dat wanneer je het indirecte energieverbruik van de dienstensector meerekent, er geen verschil is met de maaksector.*

Ook kan die groei van de dienstensector deels een kwestie van optisch bedrog zijn. Prijzen van diensten stijgen sneller dan die van goederen, waardoor de dienstensector een groter deel van het bbp uitmaakt zonder ook noodzakelijkerwijs echt te groeien.

Dan is er nog de kwestie van open grenzen. Rijke landen die deïndustrialiseren doen dat niet in een vacuüm. Ze besteden hun productie uit aan lagelonenlanden. En die landen kunnen hun economie vervolgens dematerialiseren door de productie aan noglagerelonenlanden over te doen. Maar daar zit natuurlijk een grens aan. Zolang we Mars niet gekoloniseerd hebben, moeten alle spullen die we kopen ergens gemaakt worden. Kortom, kijk je op mondiale schaal dan is er van ontkoppeling geen sprake.

En tot slot kan je nog wijzen op een recent onderzoek* van Greenford en kompanen, dat niet naar de productiezijde maar de consumptiezijde kijkt. Dat laat zien dat de milieu-impact van de consumptie binnen de agrarische, industriële en dienstensector even groot is.

Maar misschien is de belangrijkste reden wel een opmerking die Jason Hickel in zijn nieuwe boek Minder is Meer (2021) maakt, namelijk dat je best je brood kan verdienen als influencer op een ‘immaterieel’ medium als YouTube, en vervolgens je geld toch aan zonnebrillen, kekke kleding, Porches en verre vliegvakanties kan uitgeven.

De digitale revolutie is een van de belangrijke pijlers onder het idee van groene groei. Dankzij Zoom, Skype en allerhande digitale verbindingen hoeven we veel minder te reizen en kunnen we meer vanuit huis doen. Dankzij diensten als Spotify kopen we geen fysieke cd’s meer en hebben we toegang tot bijkans oneindige hoeveelheden digitale muziek. Dankzij e-books worden fysieke boeken gaandeweg overbodig. En veel belangrijker dan dat, dankzij nieuwe digitale technieken kunnen we de efficiency van sectoren als de landbouw, het transport en de industrie flink opvoeren.

Daarnaast bedraagt de beurswaarde van grote techbedrijven als Google en Facebook een veelvoud van die van Volkswagen, Toyota of General Motors, terwijl ze veel minder mensen in dienst hebben en veel minder fysieke eigendommen bezitten. Dat komt omdat hun waarde voornamelijk gebaseerd is op onstoffelijke zaken als algoritmen, computercodes, patenten en klantendata. De beurs laat het gewoon zien. Geen wonder dat de EU zweert bij deze vorm van economische ontwikkeling en de digitalisering van de lidstaten met grote subsidies aanjaagt. Maar snijdt het ook hout?

Op grond van al deze ontwikkelingen voorspelde de invloedrijke GeSi Boston Consulting Group in 2012 dat de wereldwijde CO2-uitstoot dankzij de digitale revolutie in 2020 met 16,5 procent gedaald zou zijn.* Inmiddels kunnen we constateren dat een dergelijke daling niet heeft plaatsgevonden en onze ecologische voetafdruk alleen maar verder is toegenomen.* Dus wat klopt er niet?

Een antwoord op die vraag luidt ‘reboundeffecten(in aflevering 12 ‘Onstoffelijke rijkdom behandel ik een ander aspect). In de praktijk komt dat effect erop neer dat de efficiencyverbeteringen van de digitale revolutie ruimschoots teniet worden gedaan door een stijgende consumptie als gevolg van digitale diensten die er op de markt bijkomen en dalende prijzen dankzij efficiëntere productieprocessen. Op dit reboundfenomeen, ook bekend als de Jevons-paradox, kom ik aan het eind van dit artikel nog uitgebreid terug. Hier beperk ik me ertoe te zeggen dat er materiële, economische, psychologische en structurele reboundeffecten bestaan, en die spelen hier alle vier een rol.

Materiële reboundeffecten hebben betrekking op de hoeveelheid energie en materie die nodig is om efficiënte digitale producten te maken. Hoewel laptops, tablets en smartphones steeds efficiënter geproduceerd worden, betekent dit niet dat de energie-intensiteit van de productie navenant daalt. Integendeel, hoe meer functionaliteit we in dezelfde ruimte proppen, hoe meer energie en materiaal de productie vergt.* En daarnaast komen er almaar meer van dit soort apparaten op de markt. Op dit moment vereisen alleen al smartphones en tablets jaarlijks ruim 40 miljoen ton (mt) aluminium, 32 mt koper, 12 mt kobalt, enzovoorts.* En de hoeveelheid elektronisch afval stijgt gezwind mee, van 42 mt in 2014 naar 50 mt in 2018.*

Met de opkomst van het internet of things zullen er de komende jaren nog eens vele miljarden gadgets op de markt komen die voor integratie in het internet geschikt gemaakt zijn. En die zullen de materiële doorvoer nog eens flink opdrijven. Verder verbruiken al deze apparaten energie, hoe weinig ook. En die apparaten moeten allemaal met elkaar verbonden worden via energie slurpende datacenters die overal als paddenstoelen uit de grond schieten.

Hoe meer zaken we efficiënt maken via informatie en communicatietechnologieën, hoe meer we ons moeten verlaten op een almaar uitdijende ICT-infrastructuur die, ondanks alle efficiencyverbeteringen, steeds meer elektriciteit verbruikt. Van een dikke 12 procent nu naar een verdubbeling of misschien zelfs verdrievoudiging in 2030.*

Ja, het klopt dat de ICT-producten die we als consumenten gebruiken steeds minder energie verbruiken, maar helaas klopt het ook dat de almaar groeiende ICT-infrastuctuur een steeds grote beslag legt op onze grondstoffen- en energievoorraden.

Naast materiële reboundeffecten zijn er ook economische, psychologische en structurele in het spel.

Om met het eerste effect te beginnen: hoe efficiënter we produceren en consumeren, hoe meer tijd, geld en middelen we voor verdere consumptie uitsparen. Neem online shopping. Dankzij internet is het een fluitje van een cent om de hele wereldmarkt af te struinen naar de goedkoopste aanbieder van het product waarnaar je op zoek bent, en dat met een simpele muisklik aan te schaffen. En tegelijk word je er voortdurend bestookt met hele reeksen speciaal op jou afgestemde advertenties die het koopverlangen nog eens fors aanwakkeren.

En natuurlijk is het wel zo handig en goedkoop om voor een luttel maandbedrag diensten af te nemen die je een vrijwel ongelimiteerde toegang geven tot muziek, films, tv-series, e-boeken en wat al niet. Diensten die op het oog geen of nauwelijks energie en materie gebruiken, maar die er onder hun glanzende oppervlak massa’s van verslinden. Zo draagt digitalisering bij aan een gestage uitbreiding van gebruiks- en koopopties. En omdat die allemaal zo handig en goedkoop zijn, gaan we hier graag in mee, met een voortdurende stijging van het energie- en materiaalverbruik als gevolg.

Daarnaast spelen er psychologische reboundeffecten. Die vinden plaats wanneer efficiencyverbeteringen impliciet of expliciet gebruikt worden om verdere consumptie te rechtvaardigen. Natuurlijk is de nieuwe tablet die je koopt weer een stuk zuiniger dan de vorige, net als de batterij die erin zit. Natuurlijk heeft je nieuwe flatscreen-tv een energielabel A. En al die ‘dingen’ die door het internet of things tot een groot netwerk aaneen worden geklonken, verbruiken toch nauwelijks energie? Maar wat die hele gladgepolijste vooruitgangsindustrie zorgvuldig aan het zicht onttrekt, is dat ze het elektriciteitsverbruik gewoon van de eindgebruiker naar clouddiensten, datacenters en zoekmachines verplaatst. En wat, in elk geval op het moment van koop, natuurlijk ook onzichtbaar moet blijven, is de vervuiling waarmee al die extra elektriciteitsopwekking gepaard gaat en de kolossale bergen e-afval die veelal in derde wereld eindigen.

Tot slot zijn er nog structurele reboundeffecten, om de simpele reden dat innovaties en efficiencyverbeteringen de sociale en economische structuren veranderen waarin we leven. In dit geval komt de digitale revolutie neer op de zoveelste ‘versneller’ van ons levensritme, zodat we meer output kunnen wringen uit de periode die ons op aarde verschaft is. Zoals Marx al zei, gaat elke vorm van economie in laatste instantie over een economie van tijd. In het licht hiervan kan je de digitale revolutie als een poging opvatten om de omloopsnelheid van het kapitaal tot het uiterste op te voeren.* Het is intussen vrijwel onmogelijk om je aan deze ontwikkeling te onttrekken. Denk aan de smartphone die je moet hebben om je coronavaccinatie te bewijzen.

Geen wonder dus dat de handvol* econometrische onderzoeken naar de reboundeffecten van de digitale revolutie stelselmatig zulke treurige uitkomsten te zien geeft. En daarbij moeten we ook nog bedenken dat de onderzoekers van de smalst mogelijke definitie van het reboundeffect zijn uitgegaan.* Tot nog toe heeft niemand zich aan een poging gewaagd om de volledige gevolgen van de digitalisering voor de efficiency van productie, consumptie, communicatie en het dagelijks leven in kaart te brengen.

In een waarlijk groene economie is het nut van digitale technologieën niet gelegen in het verbeteren van de efficiency, maar in het stimuleren van het verlagen van de consumptie.

In de vorige afleveringen zagen we dat de dienstensector en de digitale revolutie misschien wel kunnen bijdragen aan groei, maar dat niets erop wijst dat die groei ook groen is. Bij het opvoeren van persoonlijke diensten en de deeleconomie geldt het omgekeerde. Die kunnen wellicht bijdragen aan het stabiliseren of verlagen van ons energie- en grondstoffenverbruik, maar het is onduidelijk waar de groei vandaan moet komen (we hebben het tenslotte over groene gróei).

Op dit moment maken persoonlijke diensten – maaltijdbezorgers, professionele hondenuitlaters, schoonmakers aan huis, enzovoorts – een gering maar groeiend deel uit van de dienstensector. Het gaat doorgaans om belabberd betaalde banen (de meeste leveranciers van deze diensten verdienen niet genoeg om de dienst die ze bieden zelf af te nemen). Ze leveren een bijdrage aan het bbp in de zin dat het meestal werk betreft dat voorheen niet of onbetaald verricht werd. En dus vormen ze een schoolvoorbeeld van de commodificatie van steeds meer van onze dagelijkse bezigheden. Maar tegelijk is het ondenkbaar dat een economie die voornamelijk op persoonlijke diensten draait ooit een groeiende economie zal zijn. Ook verwacht ik niet dat strategieën om het precariaat fors uit te breiden veel handen op elkaar zullen krijgen.

Nu de deeleconomie.

Als we uitwassen als Uber en Airbnb even buiten beschouwing laten, dan is de deeleconomie een sympathieke manier om de materiële doorstroom in de economie te verkleinen. Maar ook hier geldt dat het onduidelijk is hoe die deeleconomie aan groei moet bijdragen. Als we boormachines en keukenladders niet meer zelf hoeven te kopen en via een app of anderszins met buurtgenoten kunnen delen, dan zijn er heel veel minder boormachines en keukenladders nodig.

Een heleboel mensen die hun brood verdienen met het maken, importeren of verkopen van boormachines en keukenladders kunnen maar beter naar ander werk uitzien. En dan moeten we vanuit het oogpunt van duurzaamheid ook nog hopen dat ze geen nieuwe baan vinden bij het maken, importeren of verkopen van zaken die zich wat minder makkelijk laten delen. En natuurlijk ook dat de deelnemers aan de deeleconomie hun uitgespaarde geld niet bij Alibaba spenderen aan eerste levensbehoeften als automatische tandpasta-dispensers. Dat laatste is trouwens weer een typisch voorbeeld van een reboundeffect (zie de vorige twee afleveringen).

Voor wie het iets onbevredigends blijft houden dat er geen aantoonbaar verband is tussen een groeiende dienstensector en een toenemende digitalisering enerzijds en een absolute daling van het energie- en materiaalverbruik anderzijds, heb ik goed nieuws. Misschien dat een lang vergeten Engelse Labour-econoom dit ‘raadsel’ vele decennia terug al heeft opgelost.

In zijn boek The Conditions Of Economic Progress uit 1940 stelt Colin Clark dat wanneer de economische make-up van een land (oftewel de verhouding tussen de verschillende economische sectoren) verandert, de sociale make-up van een land mee verandert. Mensen trekken van het platteland naar de stad of vice versa, bedrijven stappen over op andere technologieën, consumptiepatronen veranderen, enzovoorts. Clarks stelling luidt dat het die sociale veranderingen zijn, die een opwaartse druk vormen onder het energie- en materiaalverbruik, ongeacht of het de agrarische, de industriële of de dienstensector is die groeit of krimpt.

Wat ons op het verkeerde been heeft gezet is dat we een punt in de tijd voor een trend in de tijd hebben aangezien. Ons wordt altijd verteld dat de groei van de dienstensector pas sinds de jaren zeventig op stoom is gekomen, terwijl die groei al sinds het begin van de 19de eeuw onafgebroken voortduurt.

In de meeste rijke landen tekent zich een vergelijkbaar historisch patroon af. Vanaf grofweg 1800 begint de agrarische sector steeds sneller te krimpen. De overtollige werkers vinden nieuw emplooi in de dienstensector en de opkomende industrieën. Tot rond 1950 groeien beide sectoren ongeveer even snel, waarna de industriële sector een plateau bereikt en na 1970 begin te krimpen, en de dienstensector onverdroten blijft doorgroeien.

Kortom, deze economieën bevinden zich al sinds het begin van de 19de eeuw in een niet-aflatende transitie, en die duurt voort tot de dag van vandaag.

En het zijn de sociale gevolgen van deze voortdurende transitie die voorkomen dat die absolute ontkoppeling bereikt wordt.

In de vorige aflevering deed ik een beroep op een obscure, vergeelde theorie van ene Colin Clark. In deze aflevering ga ik te rade bij een ander idee dat zijn wortels in de jaren dertig heeft, de Wet van Kleiber.

In het artikel Economisch denken voor de toekomst behandelt Nate Hagens deze wet in aflevering 17. Die wet, afkomstig uit de biologie, gaat over het verband tussen massa (omvang) en stofwisseling (energieverbruik) bij dieren. De wet stelt dat wanneer de massa toeneemt, de stofwisseling niet evenredig meestijgt, maar met een constante waarde die overeenkomt met de massa verheven tot de macht 0,75. Anders gezegd: is de massa van de ene diersoort 10 keer zo groot is als de massa van een andere, dan verbruikt die eerste niet 10 keer zoveel energie, maar slechts 5,6 keer (103/4 = 5,6).

Vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw is er veel onderzoek gedaan naar de Wet van Kleiber. Die schaalwet blijkt ook voor bomen stand te houden en zelfs voor mierenkolonies. Het was dus slechts een kwestie van tijd voordat iemand op het idee kwam om te testen of de wet ook voor de menselijke economie geldt.

In 2010 nodigde de bioloog James Brown verschillende collega’s uit andere disciplines uit om deze these te onderzoeken. Het resultaat verscheen in 2011 in Bioscience.* Hun aanpak doopten ze macro-ecologie en hun conclusie luidde dat de economie aan een soortgelijke schaalwet onderhevig is.* Het goede nieuws is dus dat relatieve ontkoppeling tussen bbp-groei en de toename van het energieverbruik als het ware in het systeem zit ingebakken. Het slechte nieuws is dat die relatie nooit negatief kan zijn, wat wil zeggen dat er op basis van hun onderzoek nooit sprake zal zijn van blijvende absolute ontkoppeling.

Het onderzoek kent wel een tekortkoming waarvan de auteurs zich geen rekenschap lijken te geven. Ze gaan ervan uit dat het bbp van een economie te vergelijken valt met de massa van een dier, terwijl het eerste een (monetaire) stroom is en het tweede een fonds. De enige manier waarop het bbp tot fonds is om te rekenen is door de waarde van alle fysieke kapitaalgoederen (machines, fabrieken, hijskranen, vrachtwagens, enzovoort) bij elkaar op te tellen. Maar dan stuit je weer op de zogeheten Cambridge Controverse,* die duidelijk heeft gemaakt dat zo’n simpele optelsom niet mogelijk is. Kortom, of de Wet van Kleiber één op één op de economie van toepassing is, blijft nog even de vraag.

Maar misschien dat die wet wel op een andere manier te gebruiken valt. De reden dat massa en stofwisseling niet evenredig schalen, is omdat bijvoorbeeld skeletspieren en weefsel, die weinig energie verbruiken, sneller in omvang toenemen dan energieslurpers als de hersenen of het hart.

Laten we om die reden de economie als complex systeem eens vergelijken met een ander complex systeem, het menselijk lichaam. Bij het gezond functioneren van ons lichaam spelen alle organen een belangrijke rol. Sommige organen verbruiken veel energie (het hart, de hersenen) en andere weinig. Alleen in De tovenaar van Oz is het mogelijk dat er een (levende) tinnen man zonder hart en een (levende) vogelverschrikker zonder hersenen rondhuppelen. De rest van ons stervelingen kan helaas niet zo makkelijk op onze stofwisseling besparen. Voor ons geldt dat kleine energieverbruikers als onze skeletspieren alleen kunnen bestaan dankzij het hoge energieverbruik van ons hart of de hersenen. En voor ons is het niet mogelijk om onze stofwisseling te reduceren door energie-intensieve organen actief in te krimpen

In de economie werkt het niet anders. Sectoren die minder energie verbruiken kunnen slechts bestaan bij gratie van sectoren die veel energie verbruiken. De dienstensector kan alleen maar bestaan als er veel energie en materiaal gestopt wordt in het schragen van de materiële basis (voedsel- en energievoorziening, huisvesting, transport, industrie, enzovoort).

En dus kan de dienstensector alleen maar groeien wanneer de materiële basis meegroeit.

Een van de bijproducten van de digitale revolutie is dat we steeds meer materiële rijkdom voor onstoffelijke diensten inwisselen. In afleveringen 8 en 9 passeerden een aantal van die diensten de revue. Tegelijk zagen we dat grote techbedrijven als Facebook en Google hun geld voornamelijk verdienen met onstoffelijke algoritmes, patenten en gebruikersdata, en dat ze veel minder personeel en fysieke bezittingen hebben dan industriële bedrijven. Die ontstoffelijking van rijkdom, zo luidt de theorie, kan niet anders dan tot absolute ontkoppeling leiden, en dus ligt groene groei binnen handbereik.

De afgelopen twee afleveringen passeerden twee ‘stokoude’ theorieën de revue, deze keer ga ik te rade bij een idee van recenter datum. Het gaat om een boek dat een wel heel eigenzinnige (en controversiële) kijk op de relatie tussen onstoffelijkheid en rijkdom presenteert: Capital as Power: A Study of Order and Creorder (2009) van hoogleraren politieke economie Jonathan Nitzan en Shimshon Bichler. De crux van hun theorie is namelijk dat (economische) rijkdom altijd al onstoffelijk is geweest.

Wat bezit tot rijkdom maakt, zo stellen ze, is niet het nut dat het je verschaft, zoals de gangbare theorie wil of de hoeveelheid ‘abstracte sociaal noodzakelijke arbeid’ die in de productie ervan gestoken is, zoals marxisten menen – maar het eigendomsrecht dat je op dat bezit kan claimen.

Stel je bezit een huis waar eenieder vrijelijk in en uit kan lopen, waar je nooit weet wie er nu weer in je bed ligt te ronken of de koelkast leeg eet. Of je bent de trotse eigenaar van een auto, waar een wildvreemde altijd net mee wegscheurt wanneer jij hem nodig hebt. Wanneer iedereen je bezit kan gebruiken, is het in essentie gratis en heeft het dus geen monetaire waarde. Kortom, wat dat huis of die auto tot rijkdom maakt, is het eigendomsrecht dat je erop kan doen gelden.

Dat eigendomsrecht werkt volgens Nitzan en Bichler als een omheining in de vorm van een schutting. Wat er zich achter die schutting bevindt, doet er niet zoveel toe – dat kan een auto zijn of een machine of een algoritme of een patent of een idee. Het draait om de schutting zelf, want die schutting – het vermogen om eigendomsrechten af te dwingen – vormt de bron van de monetaire rijkdom van de eigenaar.

Neem de software-ontwikkelaars Bill Gates en Linus Torvalds. De eerste is schathemeltje rijk geworden door de (intellectuele) eigendomsrechten op zijn software agressief te beschermen en af te dwingen. Torvalds, misschien wel even succesvol – vrijwel alle servers draaien op Linux en de meeste smartphones op het van Linux afgeleide Android –, heeft van zijn eigendomsrechten afgezien en is er dus niet rijk van geworden. De les is dat goederen en diensten zonder eigendomsrechten geen prijs kennen. En hebben ze geen prijs, dan gelden ze ook niet als rijkdom.

Wat bedrijven als Google en Facebook dus zo succesvol maakt, is dat ze er beter in slagen om hun eigendomsrechten te vermarkten en in een almaar groeiende inkomensstroom om te zetten (in dit geval uit de mogelijkheid tot gerichte reclame, wat trouwens en passant tot meer fysieke consumptie leidt en dus een hoger energie- en materiaalverbruik). Maar hier komt nog iets anders bij. Volgens Nitzan en Bichler is rijkdom niet een ding (spullen, machines, patenten) maar een handeling. En die handeling is het uitsluiten van de niet-eigenaar.* Het is een handeling die macht verschaft. De waarde van de eigendomsrechten geeft dus een indicatie van de relatieve macht van de eigenaar ervan.

Als Nitzan en Bichler het bij het rechte eind hebben, dan maakt de digitale revolutie rijkdom niet tot iets onstoffelijks. Die revolutie legt alleen maar het feit bloot dat rijkdom altijd al onstoffelijk is geweest.* En dat rijkdom altijd al om macht heeft gedraaid. En dat economische groei meer te maken heeft met de eindeloze opeenstapeling van ‘schuttingen’ en minder met wat er zich achter die schutting bevindt.

De enorme waarde van de leveranciers van de onstoffelijke diensten duidt er dus op dat het uitsluiten van niet-bezitters zeer effectief wordt toegepast. De niet-bezitters zullen voor de ‘onstoffelijke producten’ moeten betalen. Die hoge waarde drukt dus behalve macht ook het vooruitzicht op omzet en winst uit, en die staan uiteindelijk weer voor materiaal- en energieverbruik, waardoor het onstoffelijke toch stoffelijk wordt.

Kijk je op de website van de EU bij groene groei, dan staat er: ‘Groene groei vormt de kern van het EU-beleid en moet ervoor zorgen dat de economische groei ook duurzaam is voor het milieu.’ Een van de belangrijkste instrumenten aan de hand waarvan die groene groei bereikt moet worden heet de circulaire economie: ‘De circulaire economie of kringloopeconomie is een economisch systeem waarin zo min mogelijk afval ontstaat. Het streven is om producten aan het eind van hun levensduur te hergebruiken of te recyclen in plaats van ze weg te gooien. Hiertoe zijn producten idealiter zo gemaakt dat alle onderdelen veilig kunnen worden afgebroken of hergebruikt. […] Deze aanpak bespaart grondstoffen, gaat de ophoping van afval in natuur en oceanen tegen en vermindert de uitstoot van CO2.’* Verloopt alles volgens plan, dan is de economie van de EU-lidstaten in 2050 ‘volledig circulair’.

Het concept van de circulaire economie is een goede vijftig jaar terug geboren in het Amerikaanse New Alchemy Institute. De ideeën die daar ontwikkeld werden over hoe je industriële productie en ecologie kunt verenigen, mondden in de jaren tachtig van de vorige eeuw uit in nieuwe stromingen als industriële ecologie en industriële symbiose. Dit gedachtegoed werd door William McDonough en Michael Braungartan aan het begin van deze eeuw in een nieuw jasje gestoken en omgevormd tot de ‘cradle to cradle‘-beweging. Waarna deze ‘van wieg tot wieg’-principes hun eindbestemming vonden bij de Ellen MacArthur Foundation, waar het geheel tot circulaire economie werd omgedoopt.

Een circulaire economie is een voortreffelijk idee waarmee enorm veel vooruitgang te boeken valt en waar we vooral groot op in moeten zetten. Ik raak nog altijd begeesterd door het boek Material matters (2016) van Johannes Rau en Sabine Oberhuber, dat in detail weergeeft wat er op het gebied van de kringloopeconomie allemaal mogelijk is. De vraagtekens die ik hieronder plaats zijn dus niet bedoeld als kritiek op het nut en de noodzaak van een circulaire economie, maar op het idee dat het ‘sluiten van de kringlopen’ met een groeiende economie te verenigen valt.

Zo zou je de kanttekening kunnen plaatsen dat de kringloopeconomie nog te veel als een perpetuum mobile wordt voorgesteld.* Recycling vergt weliswaar minder energie dan de productie van het origineel, maar niet heel veel minder. Die energie moet uiteraard duurzaam opgewekt worden. Voor CO2-vrije energie heb je heel veel materiaal nodig, dat natuurlijk ook weer gerecycled moet worden, waarvoor je weer extra energie nodig hebt, die weer meer materialen vergt. Dit klinkt mij eerder in de oren als een vicieuze cirkel richting een steeds hoger energie- en materiaalverbruik, dan als het sluiten van kringlopen.

De andere bedenking is dat hoe complexer een product is, hoe lastiger het zich laat recyclen, zoals Chris De Decker opmerkt op zijn blog Low-Tech Magazine. Want hoe complexer een product, hoe meer stappen het recyclingproces vereist. En in elk van die stappen gaan energie en materialen verloren. Daar komt bij dat de productie van bijvoorbeeld elektronica zelf weer buitengewoon veel materialen vergt, waardoor uiteindelijk maar een fractie van de complete materiaalinput herwonnen kan worden. Zo laat een onderzoek* naar de Fairphone 2 – een smartphone die onder meer voor maximale recycling ontworpen is – zien dat slechts 30 procent van de gebruikte materialen herwonnen kan worden. Iets soortgelijks geldt ook voor led-lampen.*

Het is daarbij van een treurige ironie dat het uitgerekend de pijlers onder de groene groei zijn – denk aan lithium-ion-batterijen, geavanceerde communicatie-elektronica, zonnepanelen, rotorbladen, zeldzame aardmetalen*– die zich vaak het lastigst of soms helemaal niet laten recyclen.

Natuurlijk moeten we zo snel mogelijk af van de oude, lineaire economie, waarin spullen vooral gemaakt worden om via de kortst mogelijk omweg op de vuilstort te eindigen. Waar het me hier om draait, is de vraag of de circulaire economie en recycling de absolute ontkoppeling mogelijk maken die de basis vormt van de groene groei.

Naast de kanttekeningen uit de vorige aflevering, bestaan er nog een paar.

Je zou bijvoorbeeld het onderzoek* van Haas en collega’s kunnen aanhalen, dat laat zien dat van alle materiaal en energie die door de economie stromen slechts 42 procent hergebruikt, gerecycled of gedowncycled kan worden. In de praktijk ligt dat cijfer trouwens nog een stuk lager.*

Je zou er op kunnen wijzen dat bijvoorbeeld de vraag naar metalen de afgelopen twintig jaar vrijwel over de hele linie op zijn minst verdubbeld is, wat tot vreemde gevolgen leidt. Neem zink, als extreemste voorbeeld. Van alle zink dat gerecycled kan worden, recyclen we al zo’n 80 procent. Toch voorziet die 80 procent maar in 30 procent van de wereldwijde vraag naar zink. Dus ook al zou het lukken om die 80 procent naar 100 procent op te krikken, dan nog voorzien we daarmee maar in 37 procent van de mondiale vraag.* De enige manier om de zinkkringloop te sluiten (datzelfde geldt in iets mindere mate voor alle metalen), is door een plafond in te stellen voor ons zinkverbruik en dat jaarlijks te verlagen, net zolang tot het aanbod van gerecycled zink op de vraag aansluit. Maar opmerkelijk genoeg wordt zo’n gebruiksplafond door de aanhangers van groene groei nu juist categorisch afgewezen.*

Verder zou je nog kunnen aanstippen dat de meeste metalen zich prima laten recyclen, maar niet alle. Voor hoogwaardige toepassingen is gerecycled aluminium ongeschikt. Daarvoor blijven we op maagdelijk aluminium aangewezen.

Je zou nog kunnen aandragen dat hoewel recycling doorgaans minder energie en materiaal vereist dan de productie van het origineel, het nog altijd om industriële processen gaat die allesbehalve schoon zijn. Neem iets alledaags als het recyclen van oud papier. Daar komen chloordioxide, benzeen, kwik, koolstofmonoxide, nitraten, ammoniak en nog zo het een en ander bij vrij. En aan het eind hou je een heleboel papierslib over, een goedje dat zware metalen, chemische schoonmaakmiddelen, inkt en giftige verfstoffen bevat.

Daarnaast vindt een groot deel van de meest vervuilende recyclingwerkzaamheden in arme landen plaats. Het recyclen van bijvoorbeeld loodaccu’s is een ecologische nachtmerrie. Volgens het Blacksmith Institute* behoort het tot de tien meest vervuilende activiteiten op aarde, met verwoestende gevolgen voor de natuur en voor de mensen die in deze (aan de derde wereld uitbestede) industrietak werken. Iets soortgelijks geldt voor de massa’s e-afval die in Ghana (Agbogbloshie, het voornaamste verwerkingscentrum, behoort tot de meest vervuilde plaatsen ter wereld), Pakistan en Bangladesh eindigen.*

Maar misschien is het belangrijkste punt wel hoe de ‘winst’ van de recycling wordt besteed. Staalbedrijven – en alle daarvan afgeleide industrietakken – worden bijvoorbeeld financieel steeds afhankelijker van goedkoper gerecycled staal. Die kostenbesparing gebruiken ze weliswaar af en toe* om hun productiemethoden te vergroenen. Maar meestal wordt die extra winst gebruikt om in de eigen industrie of andere industrietakken te investeren, wat weer een hoger energie- en materiaalverbruik met zich meebrengt.

Het verhaal over de circulaire economie uit de vorige twee afleveringen is nog niet af. Het is tijd om wat dieper te graven en maar weer eens een ‘obscure’ theorie van stal te halen. De circulaire economie is namelijk alleen maar het ‘wat’, datgene wat we willen bereiken. Over het ‘hoe’ hebben we het nog niet gehad. Dat ‘hoe’ heet de bio-economie.

Volgens de definitie van de EU heeft de bio-economie betrekking op ‘die industrieën en economische sectoren die gebruik maken van hernieuwbare biologische hulpbronnen afkomstig van het land en uit de zee – zoals gewassen, bossen, vissen, dieren en micro-organismen – die bedoeld zijn om voedsel, materialen en energie mee te produceren.’*

De bio-economie is een term die in 1918 gemunt is door de Russische marinebioloog T.I Baranoff om de problemen te onderzoeken die inherent zijn aan de exploitatie van hernieuwbare hulpbronnen (in zijn geval de visserij). Het begrip werd een goede vijftig jaar later opgepikt door de Roemeens-Amerikaanse wiskundige en econoom Nicholas Goergescu-Roegen, die het verder uitwerkte in publicaties als Energy and Economic Myths (1975) en Bioeconomics: a new look at the nature of economic activity (1978).

Waar de EU een circulaire bio-economie als een van de belangrijkste pijlers onder haar groene groeistrategie ziet, is de voornaamste architect van het begrip opmerkelijk genoeg een tegenovergestelde mening toegedaan. Zoals we in de volgende aflevering zullen zien, was Goergescu-Roegen van mening dat een terugkeer naar circulaire stromen het economisch proces enorm zal vertragen, met economische krimp als gevolg. Verder gebruikte hij de term bio-economie juist om de biologische oorsprong van het productieproces te benadrukken en te wijzen op de eindige aard van de voorraden natuurlijke hulpbronnen en de ongelijke toegang ertoe. De definitie die de EU hanteert haakt daarentegen aan bij het werk over circulaire stomen van Samuelson en Nordhaus.*

Het cruciale verschil is dat de ‘dubbele circulariteit‘ die Samuelson en Nordhaus beschrijven uitsluitend betrekking heeft op de goederen-, diensten- en geldstroom. Ze benaderen die circulariteit alleen vanuit het domein van de economie, of breder de technosfeer,* zonder enig oog voor de biosfeer van waaruit energiebronnen, water, bomen, grondstoffen naar de technosfeer worden overgeheveld, waarna ze na gebruik weer in de biosfeer ‘gedumpt’ worden.

De kritiek van Herman Daly, een van de grondleggers van de ecologische economie, op de dubbele circulariteit van Samuelson en Nordhaus is dat deze in wezen een perpetuum mobile beschrijft, omdat er in hun circulaire stromen geen energie ingaat of entropie uitkomt. En misschien nog ernstiger, Samuelson en Nordhaus (en de EU) doen alsof we in ecologische termen in een ‘lege wereld’ leven, waarin hulpbronnen niet schaars zijn en ecosystemen de hogere entropie in de vorm van vervuiling nog kunnen verstouwen. Terwijl we allang een ‘volle’ wereld bewonen: ‘Wanneer de entropische doorstroom te groot wordt, gaat dit ofwel de regeneratieve capaciteit van de natuurlijke hulpbronnen te boven, ofwel de afvalopnamecapaciteit van de natuurlijke reservoirs (sinks). Dit is het signaal dat we niet langer in een lege wereld leven, maar in een volle.’*

Het fundamentele verschil tussen de benadering van neoklassieke economen en de EU enerzijds en ecologisch economen anderzijds is dat de eerste groep de bio-economie benadert vanuit ‘industrieën en economische sectoren’ – ook wel de technosfeer genoemd – uit de eerder aangehaalde EU-definitie, terwijl ecologisch economen de biosfeer als uitvalsbasis nemen.

Bij Georgescu-Roegen staat juist wisselwerking tussen de biosfeer en de technosfeer centraal. Wat daarvan het gevolg is zien we in de volgende aflevering.

In de bio-economie van Georgescu-Roegen draait het om primaire, secundaire en tertiaire stromen en hun wisselwerking.

Primaire stromen zijn de stromen die het grensvlak overschrijden tussen de biosfeer en de technosfeer. Dat wil zeggen dat primaire stromen vanuit de biosfeer de technosfeer binnenkomen (denk aan het bewerken van vruchtbare grond, het gebruik van water, hout, de visvangst) om na gebruik als restproduct vervolgens weer naar de biosfeer terug te keren (bijvoorbeeld naar primaire sinks of ‘afvalputten’ als de atmosfeer, het grondwater of de vuilstort).

Secundaire stromen zijn de stromen die ontstaan door de exploitatie van primaire stromen. Denk aan een energiedrager als elektriciteit, die met behulp van primaire energiebronnen (wind, water, zonlicht) wordt opgewekt. Hierbij moet opgemerkt worden dat secundaire stromen tegelijkertijd in- en outputs zijn die niet alleen binnen de technosfeer geproduceerd maar ook verbruikt worden.

Tertiaire stromen, tot slot, zijn het resultaat zijn van de recycling van secundaire stromen.

Binnen de technosfeer worden secondaire en tertiaire stromen gebruikt om nuttige dingen te doen. Wanneer deze stromen na gebruik naar de biosfeer terugkeren, worden ze opnieuw primaire stromen, maar nu in de vorm van bijvoorbeeld waterdamp, restwarmte, broeikasgassen, uitwerpselen, enzovoorts. Primaire stromen heten zo omdat ze afhankelijk zijn van het bestaan van primaire afvalputten in de biosfeer die in staat zijn om vaste, vloeibare, gasvormige of warmte-emissies te verwerken.

Cruciaal in de visie van Georgescu-Roegen is dat secundaire en tertiaire stromen in de technosfeer niet kunnen bestaan zonder de beschikbaarheid van overeenkomstige primaire stromen in de biosfeer. En dat geldt zowel voor de primaire stromen aan de aanbodzijde (primaire energiebronnen, water, hernieuwbare hulpbronnen) als aan de afvalzijde (de afvalopnamecapaciteit van natuurlijke reservoirs). De bio-economie van Georgescu-Roegen is dus geen ‘perpetuum mobile’-machine zoals de circulaire stromen van Samuelson en Nordhaus, die zich alleen op de secundaire en tertiaire stromen binnen de technosfeer richten.

Het werk van Georgescu-Roegen benadrukt dat het economisch proces entropisch is en dus een voortdurend verbruik van hulpbronnen met zich meebrengt, dat moet worden gecompenseerd door het (trage) werk van de natuur om de primaire stromen op pijl te houden en de afvalstromen te verwerken. Vanuit deze invalshoek gezien was de industriële revolutie een eenmalige gebeurtenis die mogelijk gemaakt werd door het trage werktempo van de natuur fors op te voeren door van circulaire stromen op eindige fondsen als fossiele brandstoffen over te stappen. Het resultaat was een linearisering van de economie waarbinnen de snelheid van de doorvoer van de primaire stromen naar de technosfeer en weer terug naar primaire afvalputten maximaal werd opgeschroefd. Hierbij verdwenen primaire economische activiteiten zoals de landbouw die steunen op het trage werk van de natuur en die dus een lage biofysische productiviteit kennen naar de marge van de productie van toegevoegde waarde, oftewel het bbp.

Een terugkeer naar circulariteit kan volgens Georgescu-Roegen alleen maar inhouden dat we opnieuw afhankelijk worden van het trage werktempo van de natuur, met een fors lager groeitempo van de economie als gevolg.

Hiermee eindigen de vier afleveringen over de mogelijkheden van de circulaire en de bio-economie en gaan we over naar de CO2-uitstoot en de energietransitie.

Ondanks de coronapandemie met al zijn lockdowns lag de wereldwijde CO2-uitstoot in december 2020 alweer 2 procent hoger dan in december 2019. En in mei 2021 vestigden we het zoveelste CO2-record. Toch hebben de afgelopen dertig jaar in het teken gestaan van relatieve ontkoppeling tussen bbp-groei en CO2-uitstoot en laat een niet onaanzienlijk deel van de wereld (de VS, het VK, de EU) zien dat absolute ontkoppeling mogelijk is – dat wil zeggen, mits je de CO2-uitstoot die in de import gevat zit niet mee telt, waarover meer in de volgende aflevering.

De hamvraag hier is niet óf die ontkoppeling volkomen realiseerbaar is, maar of die in beginsel snel genoeg kan verlopen om de wereldwijde temperatuurstijging in elk geval tot 2 graden te beperken. Een ‘groene groei’-scenario vereist in dit geval dus niet alleen dat er op mondiale schaal absolute ontkoppeling plaatsvindt, maar ook dat die ontkoppeling omvangrijk genoeg is om de klimaatdoelen te halen.

Op wereldschaal heeft die absolute ontkoppeling al wel eens plaatsgevonden, maar alleen in tijden van crisis (2009, 2020). Verder vlakte de CO2-toename in sommige jaren (2015, 2016) zodanig af dat absolute ontkoppeling binnen handbereik leek – ‘Decoupling of global emissions and economic growth confirmed’ schreef het Internationaal Energie-instituut in 2016 (te) optimistisch – om daarna weer stevig op te flakkeren.*

Kortom, tot nog toe is die broodnodige absolute ontkoppeling op wereldschaal een luchtspiegeling gebleken. En dat is een gigantisch probleem. Want blijft de wereldeconomie met het tempo van de afgelopen 10 jaar doorgroeien, dan moet de CO2-uitstoot elk jaar met dik 7 procent dalen om onder een temperatuurstijging van 2 graden te blijven, en met 10,3 procent om onder de 1,5 graad te blijven.* Een van de belangrijkste manieren om die enorme kloof te dichten, is door met volle kracht in te zetten op CO2-vrije energie.

Het goede nieuws is dat we nu over industriële technieken beschikken om met behulp van zon en wind elektriciteit op te wekken. Dat levert enorme voordelen op in termen van schaalvergroting, innovatie en dus dalende prijzen. Het slechte dat zelfs de meest ambitieuze en agressieve uitrol van CO2-vrije energie hoogstwaarschijnlijk onvoldoende zal zijn om binnen het klimaatdoel van 2 graden te blijven.

Een onderzoek* van Schandl en collega’s laat zien dat bij de huidige economische groei absolute ontkoppeling zelfs onder de aller gunstigste omstandigheden – namelijk met een hoge en almaar verder stijgende koolstofheffing, een verdrievoudiging van de energie-efficiency en een grootschalige inzet van CO2-vrije energie – pas na 2050 bereikt zal worden. Een vergelijkbare studie* van Van Vuuren et al. komt tot een soortgelijke conclusie. Zelfs in hun meest optimistische scenario – aan het eind van de eeuw is de wereldbevolking geslonken naar 6,9 miljard zielen, het vleesverbruik is in 2050 met 80 procent gedaald, de energievoorziening is verduurzaamd, er worden schone oplossingen gevonden voor de cement- en staalproductie, het transport én het vliegverkeer – gaan we het koolstofbudget voor 2 graden overschrijden. Zelfs het IPCC* geeft toe dat het in een gestaag groeiende wereldeconomie onmogelijk is om de klimaatdoelen te halen, althans niet zonder na 2050 op gigaschaal onbewezen en riskante technieken als BECCS (bio-energie met koolstofafvang en -opslag)* of geo-engineering in te zetten.

Komt de economische groei echter tot stilstand dan maken we nog een kans, zoals het werk van Schroder en Storm laat zien.* Bij een groei van 0 procent zal de CO2-uitstoot met 4 procent moeten dalen om de temperatuurstijging onder de 2 graden te houden, een percentage dat volgens de beste empirische gegevens net aan mogelijk is.

Ontkoppeling is een populair thema voor academisch onderzoek. Eind 2019 stond de teller op 835 door collega’s getoetste wetenschappelijke artikelen. Het komt maar zelden voor dat zo’n artikel de krantenkoppen haalt. Toch gebeurde dat in 2019 met het in Nature verschenen ‘Drivers of declining CO2 emissions in 18 developed economies‘. Het onderzoek werd gepresenteerd als hét bewijs dat absolute ontkoppeling van economische groei en CO2-emissies mogelijk is. In deze aflevering bekijken we waar dat bewijs precies op gestoeld is.

Voor de periode 2005-2015 neemt de studie de 18 rijkste landen onder de loep. In dat decennium daalde de CO2-uitstoot in die landen met gemiddeld 2,4 procent per jaar. Een mooi getal, zij het slechts een derde van wat nodig is om onder een wereldwijde temperatuurstijging van 2 graden te blijven.

Neem je daarnaast iets als klimaatrechtvaardigheid in je berekening mee, dan wordt de reductie-opgave voor deze rijke landen nog veel lastiger. Ruim 90 procent van de historische CO2-uitstoot komt op het conto van wat het Global North wordt genoemd. Het is daarom niet meer dan billijk dat deze landen de grootste reducties voor hun rekening nemen. Op basis van een studie* van Anderson berekenden Kallis en Hickel* dat een eerlijke verdeling van de lasten inhoudt dat de rijke landen hun uitstoot jaarlijks met 13 tot 15 procent moeten laten dalen. Maar dit terzijde.

Over de periode 2005-2015 daalde de CO2-uitstoot in die 18 landen dus met gemiddeld 2,4 procent per jaar. Dat gebeurde bij een historisch lage economische groei van 1,1 procent per jaar. De ontkoppeling is daarmee absoluut, maar de cijfers moeten nog wel geïnterpreteerd worden. Veelzeggend is bijvoorbeeld dat de grootste reductie-kampioenen ook voor de laagste bbp-cijfers tekenden. In Denemarken, Italië en Spanje daalde de CO2-uitstoot gemiddeld met respectievelijk -3,7, -3,3 en -3,2 procent, bij een gemiddelde jaarlijkse economische groei/krimp van respectievelijk +0,6, -3,3 en -3,2 procent.

Het artikel dat het bewijs voor groene groei moet leveren, laat dus eigenlijk zien dat waar het de CO2-uitstoot betreft die groene groei eigenlijk alleen ‘groenig’ (want nog altijd onvoldoende om onder 2 graden te blijven) is wanneer de economische groei (bijna geheel) achterwege blijft. Iets wat de auteurs van de studie overigens ook gedeeltelijk onderkennen wanneer ze concluderen dat ‘de afname van de energie-intensiteit [in deze landen] op zijn minst deels verklaard wordt door de lagere bbp-groei’ en dat ‘wanneer het bbp in deze groep van “dalers” weer sterk toeneemt, de energie-intensiteit wellicht mee zal stijgen.’

En eigenlijk zijn bovengenoemde cijfers nog fors geflatteerd ook, want het onderzoek laat een tweetal belangrijke aspecten buiten beschouwing. Het eerste heet carbon leakage, het ‘weglekken’ van CO2 door koolstofintensieve industrieën te verplaatsen naar landen met een minder stringente koolstofregelgeving. Een onderzoek naar dit weglekeffect in Zweden en het VK laat zien dat zodra die ‘leakage‘ in de berekeningen meegenomen wordt, de absolute ontkoppeling omslaat in relatieve. Het tweede aspect is de CO2-uitstoot die in de import vervat zit. Een studie* van Van de Lindt en kompanen naar de CO2-uitstoot van de EU in de periode 1990-2010 wijst uit dat wanneer je de import meeweegt de Europese koolstofvoetafdruk tijdens die twintig jaar niet met 13 procent is geslonken, maar met 8 procent is toegenomen.

Kortom, zonder een gereguleerd ontgroeipad in te slaan, is het halen van de klimaatdoelen zo goed als onmogelijk.

Laten we het geheel nog eens overzien. Een van de belangrijkste instrumenten die we hebben om te zorgen dat de klimaatverandering niet nog verder uit de bocht giert dan nu al het geval is, is dus die overgang naar CO2-vrije energie. Deze transitie is absoluut noodzakelijk, maar zo’n overgang naar CO2-vrije energietechnieken zal niet probleemloos verlopen. Dus, ja, vooruit met die transitie, hoe sneller hoe beter én hoe minder we ervan hoeven te bouwen hoe beter het is.

In aflevering 2 hebben we gezien dat willen we binnen de planetaire grenzen blijven, we onze collectieve materiële voetafdruk terug zullen moeten dringen tot meer behapbare proporties. Dat heeft ook consequenties voor onze CO2-vrije energietechnologieën, die zonder uitzondering uitermate materiaalintensief zijn (ter vergelijking, voor dezelfde energie-opbrengst vergt een windpark negen keer zoveel materiaal als een gasgestookte elektriciteitscentrale).* Verder bleek uit aflevering 5 dat entropie sowieso een grens stelt aan ons energieverbruik, of daar nu CO2 bij vrijkomt of niet.

Daar komt de pijnlijke waarheid bij (nou ja, laat ik voor mezelf spreken, ik vind het een pijnlijke waarheid) dat wat we doorgaans schone, groene, duurzame, hernieuwbare of CO2-vrije energie noemen, schoon noch groen noch duurzaam noch hernieuwbaar noch (op dit moment althans) CO2-vrij is.* Dat wil zeggen, de bronnen waaruit we die energie betrekken (zoals zonlicht, wind en waterkracht) zijn dat wel, maar de industriële technologieën waarmee we die energie in vooral elektriciteit omzetten zijn dat allerminst.

Om met Nate Hagens te spreken: ‘Een dennenboom is hernieuwbaar. Een kip is hernieuwbaar. Die kunnen zichzelf reproduceren, door gebruik te maken van zonlicht en water (en door met een haan op stok te gaan). Een Prius is niet hernieuwbaar.’* En een zonnepaneel of windturbine of waterkracht-, getijden- of kerncentrale is dat evenmin. Die zijn herbouwbaar, althans zolang de benodigde grondstoffenvoorraad strekt.

Vooral dat laatste is een punt van zorg. Willen we de huidige energievoorziening CO2-vrij maken, dan vereist dat onvoorstelbare hoeveelheden grondstoffen: zo’n 34 miljoen ton koper, 40 miljoen ton lood, 50 miljoen ton zink, 162 miljoen ton aluminium en maar liefst 4800 miljoen ton ijzer.* Volgens een recent rapport van het IEA zullen we voor dat doel in 2040 42 keer meer lithium, 25 keer meer grafiet, 21 keer meer kobalt, 19 keer meer nikkel en 6 keer meer zeldzame aardmetalen moeten winnen dan nu het geval is. Niet alleen de mijnbouw die hiervoor nodig is, maar ook de hoogovens die al dat metaal gebruiksklaar moeten maken, zijn extreem vervuilend. En we hebben het hier over een proces dat elke 25, 30 jaar herhaald zal moeten worden, een kleine 4 keer per eeuw.

Zoiets geldt ook voor de enorme bergen accu’s die we nodig zullen hebben. Om de hoeveelheid energie op te kunnen slaan die in 1 kilo olie zit, heb je ongeveer 60 kilo van de beste lithium-ion-accu’s nodig. En elke kilo aan accu slokt tussen de 50 en 80 kilo aan grondstoffen op.* Daarnaast vergt de winning van 1 kilo lithium een kleine 2000 liter water (wat met name in het Andesgebergte, waar de meeste lithium gewonnen wordt, nu al tot rampzalige ecologische problemen leidt).

Misschien dat de grondstoffenbasis voor de eerste, huidige ronde aan herbouwbare energietechnieken net aan toereikend is. Maar voor een tweede? Misschien dat het lukt om steeds tijdig op alternatieve grondstoffen over te stappen, maar in een groeiende economie is die opdracht zo groot, daar valt niet tegenop te substitueren.*

En dan zullen we het tegen het midden van de eeuw ook nog zonder de fossiele brandstoffen moeten stellen, die op dit moment in elk geval nog onmisbaar zijn om al die grondstoffen te winnen en te bewerken, en om al die herbouwbare energietechnieken te bouwen, te vervoeren en te installeren.

Hoe kleiner die opdracht is, hoe meer kans dat we die ook kunnen verwezenlijken. Tijd dus voor een andere kijk.

Aan de reeks obscure theorieën waarmee ik de voorgaande stukjes gelardeerd heb, wil ik er tot slot van dit artikel nog eentje toevoegen – deels van eigen makelij nog wel.

Nou ja, een theorie is het niet, hooguit een vermoeden. Mijn vermoeden luidt dat waar beleidsmakers en modellenbouwers er wel in slagen om het belang van energie-efficiency te onderkennen, ze die efficiency-knop precies de verkeerde kant op draaien. Mijn stelling is dat het verhogen van de efficiency van ons energie- en materiaalverbruik geenszins onze ‘redding’ is, maar juist de drijvende kracht vormt achter de milieumisère waarin we verzeild zijn geraakt.

Mijn verhaal begint met een omweg. We gaan terug naar het jaar 1705, toen een Engelse satiricus met Hollandse wortels een gedicht schreef dat hem in een klap tot een van de beruchtste ingezeten van het Britse Rijk zou maken. Het gedicht heette The Grumbling Hive (De morrende korf), de dichter Bernard Mandeville – een arts en filosoof, in 1670 in Rotterdam geboren en in Leiden opgeleid.

Zijn gedicht was een frontale aanval op het verheven deugdzaamheidsstreven van zijn tijdgenoten. Met kwaadaardig plezier liet hij zien dat als we allemaal individueel een deugdzame levenswandel gaan leiden, dit niet alleen zeer nadelige gevolgen heeft voor het algemeen belang, maar zelfs de hele beschaving te gronde kan richten. Wanneer er niet meer gepronkt en geprotst wordt, wanneer er geen copieuze maaltijden worden opgeschrokt of drankgelagen aangeheven, wanneer onzedigheid uit het bestaan wordt gebannen, zullen ‘kleermakers, dienstknechten, parfumeurs, koks en dames van lichte zeden hun werk verliezen, die op hun beurt weer bakkers, timmerlui enzovoort nodig hebben.’ En zo gaat het in een onwrikbare logica van kwaad naar erger.

Negen jaar later bracht hij zijn gedicht onder de titel The Fable of the Bees opnieuw uit, maar ditmaal ingebed in 22 essays of ‘Opmerkingen’. In die Opmerkingen deed hij een serieuze poging om te bewijzen dat het omgekeerde ook geldt, namelijk dat als we de ondeugd maar ruim baan geven iedereen daar uiteindelijk wel bij vaart. Maar al met al was zijn mensbeeld, dat draait om inhaligheid en ongebreideld egoïsme, te zwartgallig om zoiets te laten werken. Daarvoor is de scheidslijn tussen botte inhaligheid en bedrog te dun. Wanneer niemand iemand anders ooit nog kan vertrouwen is het met de beschaving ook snel gedaan.* In laatste instantie werkt De morrende korf maar één kant op.

Zo’n zestig jaar na het verschijnen van De fabel van de bijen ging Adam Smith, de grondlegger van het klassieke economisch denken, met Mandevilles idee aan de haal en doopte hij het om tot de afgezwakte en lichter verteerbare metafoor van de onzichtbare hand van de economie. Zo stelde Smith in The wealth of Nations (1776)* dat als we in economische zin nu maar allemaal ons eigenbelang nastreven, het algemeen belang daar dankzij de onzichtbare hand van de markt het best mee gediend is.

Dit idee van Smith heeft een enorme impact gehad. Lees Voorbij de managementmaatschappij (Lemniscaat, 2018) van Marjolijn Quené er maar op na om te zien hoezeer de huidige managementcultuur met deze metafoor doordrenkt is. Toch kan je bij de validiteit ervan best vraagtekens plaatsen. Dat deed Smith zelf al toen hij stelde dat bedrijven gekenmerkt worden door een natuurlijk verlangen tot monopolievorming. Heeft een bedrijf eenmaal de marktmacht verworven om de prijzen vast te stellen, dan is het met de werking van die ‘onzichtbare hand’ gedaan. Ook is er zeer terechte kritiek vanuit feministische hoek. In Who Cooked Adam Smith’s Dinner (2015) laat Katrine Marçal weinig heel van die onzichtbare hand.* Daarnaast kun je je afvragen welk algemeen belang er met die onzichtbare hand überhaupt gediend is. De ecologische gevolgen van al dat nastreven van eigenbelang krijgen we nu in elk geval keihard op ons brood.

Deze hele omweg heeft twee bedoelingen. De eerste is om te laten zien dat er eigenlijk maar een echte onzichtbare hand van de economie is, en dat is de oorspronkelijke uit 1705 van Mandeville, die van de ondeugd. De tweede is om te opperen dat er een ecologische variant op die onzichtbare hand van Mandeville bestaat, namelijk hoe ‘deugdzamer’ of efficiënter we op individueel niveau met energie en materie omgaan, hoe groter onze milieu-impact als soort is.

En aangezien Bernard Mandeville door zijn tijdgenoten als een duivel verketterd werd, heb ik deze variant als eerbetoon de onzichtbare hand van Beëlzebub gedoopt.

Goed, laat ik eens een voorbeeld geven van hoe die onzichtbare hand van Beëlzebub ons parten speelt. Welk scenario levert minder schade voor het milieu op? Eentje waarin alle auto’s 1 kilometer op 1 liter benzine rijden, of een scenario waarin alle auto’s 100 km op 1 liter halen? Voor beleidsmakers en economen is het antwoord duidelijk. Het tweede scenario natuurlijk, en ze hebben nog gelijk ook. Dat wil zeggen, op individueel niveau. De automobilist uit het tweede scenario zal ongetwijfeld meer kilometers toeren dan die uit het eerste, maar niet 100 keer zoveel. Alles wat daaronder zit is pure winst.

Maar dat is buiten ‘Beëlzebub’ gerekend. Zoom je wat verder uit en kijk je op systeemniveau, dan doemt er een heel ander beeld op. Een auto die 100 op 1 rijdt is een stuk goedkoper in gebruik dan eentje die 1 op 1 rijdt, dus zijn er meer mensen die zich er een kunnen veroorloven. Worden er meer van verkocht dan treden er schaalvoordelen op, waardoor zo’n auto goedkoper wordt en dus voor nog meer mensen betaalbaar. Al die extra auto’s vergen grote hoeveelheden materialen, waardoor een buitengewoon milieuonvriendelijke bedrijfstak als de mijnbouw een fikse impuls krijgt. En natuurlijk moeten er wegen komen voor al die auto’s, het liefst snelwegen en het liefst een beetje efficiënt aangelegd, dus snijden ze natuurgebieden in tweeën (of vieren of achten), met alle ecologische rampspoed van dien. Steden moeten op de schop om al die auto’s een plek te geven. Ook maken al die auto’s het mogelijk dat steden veel verder naar alle kanten uitdijen, waardoor ze de natuur in de omgeving opslokken. En al die nieuwe infrastructuur moet natuurlijk ook weer onderhouden worden, enzovoort, enzovoort.* En, o ja, natuurlijk neemt ook het energieverbruik fors toe.

Wie een heel klein beetje thuis is in deze materie, ziet meteen dat die onzichtbare hand van Beëlzebub van mij gewoon de Jevons-paradox is. En dat is ook zo. Althans, het mechanisme is hetzelfde. Die Jevons-paradox wil grofweg zeggen dat wanneer technologische verbeteringen tot een efficiëntere omgang met een grondstof leiden, het verbruik van die grondstof doorgaans niet af- maar toeneemt. Sommige onderzoekers spreken trouwens liever van een Jevons-effect. Zo stelt Jason Hickel in Minder is meer dat hier geen sprake is van een paradox omdat dit gewoon is hoe een op groei gerichte kapitalistische economie werkt. Meer efficiëntie leidt tot groei, en dat is ook de bedoeling. Dat klopt. Het paradoxale schuilt er echter in dat wat op individueel niveau tot besparing leidt, op systeemniveau in het omgekeerde uitmondt.

Wat die onzichtbare hand van Beëlzebub en de Jevons-paradox gemeen hebben, is dat het allebei op hol geslagen rebound- of terugslageffecten zijn. In systeemtaal wil terugslag zeggen dat wanneer je een systeem een bepaalde richting in stuurt, het reageert door precies de tegenovergestelde kant op te bewegen. Springt het systeem minder ver terug dan je oorspronkelijke duw, dan is er sprake van een reboundeffect, springt het verder terug dan spreek je van backfire of terugkaatsen. En draaft het systeem ongecontroleerd precies de andere kant uit dan die jij voor ogen had, dan heb je van doen met een positieve of zichzelf versterkende terugkoppelingslus.

Met welk van deze drie fenomenen je van doen hebt is meestal een kwestie van hoever je het gordijn wegtrekt (om de Tovenaar van Oz nog eens aan te halen). Trek je dat een heel klein stukje weg en kijk je alleen op individueel niveau dan zie je hooguit een reboundeffect. Maar ruk je hem in een dramatisch gebaar helemaal opzij, dan ontwaar je een hele keten van directe* en indirecte* terugslageffecten die gezamenlijk een positieve terugkoppelingslus vormen.

Het probleem is alleen dat het zo goed als onmogelijk is om een dergelijke keten in cijfers te vangen.* Maar vat je de economie op als meer dan een gigantische optelsom van individuele transacties, dan valt daar misschien wel een mouw aan te passen.

Je hoeft de wereldeconomie niet meteen als een superorganisme of megamachine op te vatten om tot het inzicht te komen dat in een economie niet alleen ‘actoren’ en transacties belangrijk zijn, maar ook de wisselwerking tussen al die actoren en transacties. En het zijn die wisselwerkingen die de mondiale economie tot een complex systeem maken.*

Laten we nog eens een stapje terug doen en de economie opnieuw vergelijken met het menselijk lichaam. Kinderen zetten de voedingstoffen en de potentiële energie in voedsel niet alleen om in poep en het onderhoud van hun lichaam, maar ook in het vergroten van hun massa. Hoe meer het kind groeit, hoe meer voedsel het nodig heeft, waardoor het nog sneller groeit. Totdat de groei afvlakt en stabiliseert en het kind volwassen is geworden.

Functioneert de stofwisseling van het kind niet efficiënt – dat wil zeggen, slaagt het er niet of in onvoldoende mate in om het voedsel in extra lichaamsmassa om te zetten –, dan wordt het ziek, daalt de energie-inname en kan het zelfs komen te overlijden. Uiteindelijk is het de efficiency van het stofwisselingsproces die bepalend is voor het groeitempo van de lichaamsmassa. En dat niet alleen, de onbedaarlijke eetlust van een puber vloeit rechtstreeks voort uit de efficiency van het stofwisselingsproces van toen ze nog een kind was.

De overeenkomst met hoe de economie werkt ligt voor de hand. Zonder energie gebeurt er in een economie helemaal niets. Maar net als bij een kind draait het uiteindelijk om de efficiency van het energieverbruik. Want net als bij een kind is een efficiënte economie in staat om een fractie van deze energie te gebruiken om te groeien door nieuwe grondstoffen in haar systeem op te nemen. En die groei vergroot op haar beurt weer het vermogen om de hand leggen op nog meer energie en grondstoffen, wat de groei weer verder aanwakkert. En gebeurt dit allemaal efficiënt genoeg en blijven er voldoende energiebronnen en grondstoffen voorhanden, dan zal de economie blijven groeien. Deze materiële groei openbaart zich op twee manieren. De eerste is dat de bevolking toeneemt – we zijn tenslotte zelf uit materie opgetrokken –, de tweede dat we onze hoeveelheid spullen – onze materiële welvaart – vergroten.

Kortom, we hebben opnieuw te maken met een positieve terugkoppelingslus: hoe efficiënter de energie wordt verbruikt, des te sneller het systeem groeit, en des te sneller het systeem groeit, hoe meer de vraag naar nieuwe energie toeneemt. En ook, de eetlust van de puber indachtig, dat de energie-efficiency uit het verleden bepalend is voor de groei in het heden.

Of er iets klopt van deze terugkoppelingslus, die de grondslag vormt van het idee van een onzichtbare hand van Beëlzebub (hoe ‘deugdzamer’ en efficiënter we op individueel niveau met energie en materie omgaan, hoe groter onze milieu-impact als soort), kunnen we eigenlijk alleen maar vaststellen door te kijken naar hoe die hand zich verhoudt tot de manier waarop de milieu-impact doorgaans in een vergelijking wordt uitgedrukt. De meest gebruikte manieren zijn de IPAT-vergelijking* en de hiervan afgeleide Kaya-formule.* Die laatste is specifiek is bedoeld om de drijvende krachten achter de CO2-uitstoot in kaart te brengen.

De IPAT-vergelijking bestaat uit drie min of meer onafhankelijke variabelen, eigenlijk drie knoppen waaraan beleidsmakers naar believen kunnen draaien: de omvang van de bevolking (p), het bbp per hoofd van de bevolking (a) en de milieuschade per eenheid bbp (t). In de IPAT-formule is efficiency niet als een onafhankelijke variabele opgenomen.

Dat ligt anders bij de Kaya-formule. In deze formule wordt de factor t opgesplitst in de energie-intensiteit per eenheid bbp en de koolstofintensiteit per eenheid energie, en geldt het opvoeren van de efficiency juist als een van de krachtigste variabelen om de CO2-uitstoot tegen te gaan.

Op het eerste gezicht valt er bij deze vergelijkingen geen speld tussen te krijgen. Een groeiende bevolking die ook nog eens welvarender wordt, heeft een grotere materiële voetafdruk en dus een grotere milieu-impact. En hoe je dat probleem oplost is eigenlijk reuze simpel. Dat kunnen we tackelen en toch gewoon onze welvaart behouden door ruimhartig te investeren in energie-efficiëntie, door over te stappen op herbouwbare energietechnieken en de programma’s voor geboortebeperking te intensiveren.

Prachtig, toch? Alleen bestaat er naast de Kaya-formule nog een variant op de IPAT-vergelijking. En die biedt een heel andere kijk op de zaak.

In augustus 2020 verscheen in het wetenschappelijke tijdschrift Plos One een artikel* van een natuurkundige, een econoom en een statisticus, waarin tussen neus en lippen door een variant op de IPAT-vergelijking wordt gepresenteerd. Het belangrijkste verschil is dat in deze vergelijking bevolkings- en welvaartsgroei niet als onafhankelijke, oorzakelijke variabelen worden voorgesteld, maar als symptomen van een toenemende energie-efficiency.

Die formule ziet er als volgt uit:

Tempo van bevolkingsgroei + Tempo van bbp-groei = λ* x Energie-efficiëntie + Tempo van toename van de energie-efficiëntie

Wanneer de auteurs de variabelen van de vergelijking invullen, blijkt er aan beide zijden van het isgelijkteken nagenoeg hetzelfde te staan. Het brengt ons twee lessen. De eerste les is dat de medaille een keerzijde heeft. Er is een goede kant, namelijk dat uit deze vergelijking te destilleren valt dat een toenemende energie-efficiency de samenleving als geheel in staat stelt om haar bevolking en welvaart te laten groeien; de keerzijde is dat hiermee ook onze impact op het milieu toeneemt. De tweede les die uit deze vergelijking te trekken valt is dat de rechterkant van de vergelijking ook alle efficiencywinsten uit het verleden weerspiegelt. Dat laatste wil eigenlijk zeggen dat de huidige bevolkings- en welvaartsgroei het product is van de optelsom van alle efficiencywinsten uit het verleden. En aangezien we het verleden niet ongedaan kunnen maken, zitten we vastgeklonken aan die groei, en dus aan de toename van onze impact op het milieu. Dit is in laatste instantie ook de voornaamste reden waarom absolute ontkoppeling zo ontzettend moeilijk is. Want dat is toch een beetje alsof je een volwassene vraagt om terug naar haar kindertijd te krimpen.

Als dit allemaal enigszins klopt, dan kan die onzichtbare hand van Beëlzebub maar op twee manieren getemd worden. Ofwel door welbewust een energiesysteem te creëren dat veel minder efficiënt is (vanuit dat perspectief is het inzetten op een waterstofeconomie geen treurig zwaktebod maar een briljant idee*). Of door een plafond in te stellen aan ons energie- en grondstoffenverbruik, en dat te verlagen met een tempo dat overeenkomt met de historische efficiencywinsten. Want alleen op die laatste manier kan een toenemende efficiency ervoor zorgen dat we daadwerkelijk meer doen met minder. Kortom, we moeten niet ontkoppelen, maar ontgroeien.

Aan het eind van dit artikel moet ik onwillekeurig denken aan de metafoor van het Potemkin-dorp, die ik onlangs, in een andere context weliswaar, voorbij zag komen.* Voor wie het verhaal niet kent: aan het einde van de 18de eeuw stond Catharina de Grote, de Russische tsarina, erop om een uitgebreide rondgang te maken door de zojuist door de Russen veroverde Krim. Na decennia van oorlog was het schiereiland goeddeels verwoest en zat de bevolking bepaald niet op de komst van Catharina te wachten. Maar dat was niet wat de tsarina wilde horen of zien; ze verwachtte niets minder dan een keizerlijk onthaal. Dus liet haar minister en gouverneur van het schiereiland Grigory Potemkin langs de route een aantal dorpjes – of beter, façades van dorpsgezichten – bouwen. En om de illusie te vervolmaken, ’trommelde’ hij ook nog wat enthousiaste dorpelingen op. Was de stoet eenmaal gepasseerd, dan werd het dorp afgebroken om elders langs de route snel weer opgebouwd te worden.

De metafoor van het Potemkin-dorp gaat over de onwil om de werkelijkheid onder ogen te zien en het primaat van beeldvorming boven het oplossen van problemen. Ik kan me niet helemaal aan de indruk onttrekken dat het concept van groene groei zo’n Potemkin-dorp is: een uitgebreide exercitie in het ontkennen van de werkelijkheid, waarbij een uitgesproken voorstander als Joe Biden er in één week tijd in slaagt om alle juiste geluiden te maken bij de presentatie van het nieuwe IPPC-rapport én stevige druk op Saoedi-Arabië uit te oefenen om de oliewinning op te voeren, opdat de benzineprijzen niet te hoog oplopen.

En dat is weer een fraai voorbeeld van de cognitieve dissonantie uit aflevering 1. Hoe het ook verder gaat met de wereld, mijn verhaal loopt in elk geval mooi rond.