De uitvinding van de stad (of van de landbouw)

JANE JACOBS
Inkorting door Jan van Arkel van p.18-48 van The Economy of Cities
.

‘De landbouw kwam eerst en daarna ontstonden steden.’ Zo leert ons het dogma dat nog altijd eindeloos herhaald wordt. Maar het is andersom. Steden zijn ontstaan en daardoor kwam er landbouw.

De verkeerde redenering is als volgt: Eerst waren er alleen groepen primitieve jagers-verzamelaars. Toen sommige groepen leerden om graan te verbouwen en vee te houden, vestigden ze zich op vaste plaatsen. Zo ontstonden dorpen. Pas daarna kwam er de specialisatie in beroepen, kwamen er grote economische projecten en werd een ingewikkelde sociale ordening mogelijk. Deze ontwikkelingen maakten, samen met het voedseloverschot van de landbouw, steden mogelijk.

Er zijn meerdere theorieën over hoe dit precies in zijn werk ging. Maar omdat ze allemaal van de verkeerde volgorde uitgaan – eerst boerendorpen, dan steden – doen de verschillen tussen die theorieën er niet toe. De kern van de redenering is dat de dorpen primair zijn, en de steden secundair. Dorpen zijn zo van groter belang voor ons leven dan steden. Steden zijn gewoon alleen maar groter, ingewikkelder dan dorpen, of ze zijn een centrum van macht.

Hier begint het foute spoor dat alle economen volgen, van welke richting ze ook zijn. Wie inziet dat steden de primaire economische eenheden zijn, komt tot een volkomen andere theorie van economische groei, een theorie die veel realistischer is dan wat we dagelijks in de krant lezen. Je begrijpt dan dat steden wezenlijk verschillen van dorpen en dat steden de eigenlijke motor van economische groei (kunnen) zijn.*

We zullen zien hoe dat werkt. Laten we met deze theorie bij het begin beginnen, zo’n 12.000 jaar geleden. We doen dat met een geldachtenexperiment: het ontstaan van de stad ‘Obsidiaan’ in het oosten van wat nu Turkije is (Anatolië) 10.000 jaar v.Chr. Deze denkbeeldige stad leefde van de handel in obsidiaan. Dit is een hard, natuurlijk zwart glas dat te winnen is uit vulkaangesteente.

Ontwikkeling begint niet door een landbouwoverschot.

.

De stad Obsidiaan is dan wel een gedachtenexperiment, maar de economische processen daarin moeten wel historisch kloppen en dezelfde zijn als die we nu aan het werk zien. Wat volgt is dan ook niet uit de lucht gegrepen.

Ten eerste liggen de ruïnes van een echte stad, met de naam Catal Hüyük, in Oost Turkije. Ze zijn opgegraven door de Britse archeoloog James Mellaart.* Ze geven een concreet beeld hoe de verzonnen stad er uit moet zien.

Ten tweede is obsidiaan een essentieel industrieel materiaal geweest en vinden we het precies in het gebied waar volgens de wetenschappers de landbouw moet zijn ontstaan.

Wie wil begrijpen waarom Obsidiaan zo’n belangrijk handelscentrum wordt, moet weten hoe enorm belangrijk obsidiaan voor jagers is. Het is een vitaal ‘productiemiddel’. Wie het eenmaal kent, wil niet meer zonder. Obsidiaan is scherper dan wat ook. Met messen van steen of been is slachten zeer tijdrovend. Dat is tijd die verloren is voor de jacht. Met obsidiaan gaat uitbenen zoveel sneller en beter!

Ook al draait in Obsidiaan alles om de handel, toch ligt de stad (enkele) kilometers verwijderd van de vulkanen waar het zwarte glas gewonnen wordt. Dat komt omdat de stam van de jagers die obsidiaan delft, al vanaf het begin van de handel geen vreemdelingen toelaat tot hun schat. Deze jagers hebben eerder zelf hun voorgangers verjaagd. Dat zal hen niet overkomen.

Zo is de situatie aan het begin. De jagers beheersen de winning. Een andere groep in de buurt wordt hun klant en gaat zich steeds meer toeleggen op het doorverkopen van obsidiaan. Deze groep sticht het stadje Obsidiaan.

Het begint met handel.

8.500 v.Chr. wonen er 2.000 mensen in Obsidiaan. Het is een mengeling van leden van de oorspronkelijke groep en van de leden van de groep die de winning in handen heeft. De handel en het werk hebben de laatsten naar de stad gelokt. Elke dag komt er obsidiaan van de berg naar de stad. De mensen in de stad zijn goede ambachtslieden. Ze worden steeds beter doordat het mogelijk is zich te specialiseren.

De handel verloopt als volgt. Het initiatief ligt bij de klanten. Reizende koopmannen zijn er nog niet. Mensen komen van heinde en verre om obsidiaan te kopen. Ze nemen eigen producten mee om te betalen, die van de jacht en het verzamelen. Obsidiaan is het product, het is geen geld.

Net als Obsidiaan zijn er andere centra met een product, zoals koper, schelpen of pigmenten. Als de inwoners van Obsidiaan deze schatten willen, moeten ze er zelf op uit. Dan is het obsidiaan dat ze meenemen om te betalen, juist geld, geen product.

Net als Obsidiaan ruilen de andere centra hun product voor jachtproducten èn gebruiken ze het als geld om bijvoorbeeld obsidiaan te kopen. De stad Obsidiaan en deze andere centra zijn zowel een depot als een productiecentrum. Obsidiaan exporteert feitelijk twee verschillende dingen: het product obsidiaan, en een dienst. Het is de dienst van het verkrijgen, bewerken en verhandelen van goederen die van ‘buiten’ worden ingebracht en bedoeld zijn voor andere klanten, die ook weer van ‘buiten’ komen.

Een lokale economie gaat samen met export-import.

.

Allengs komen er uit de denkbeeldige stad Obsidiaan van ruim 10.000 jaar geleden meer exportproducten. Deze producten komen voort uit de eigen lokale economie. Neem de zakken van prachtig gelooid leer om het keiharde gesteente obsidiaan in te vervoeren. Die worden zelf een gewild product. Kant-en-klare messen, pijlpunten, speren en spiegels van obsidiaan, die de bewoners van Obsidiaan eerst voor eigen gebruik maakten, blijken aantrekkelijk voor degenen die aanvankelijk onbewerkt obsidiaan kwamen kopen. Ook bekers en kleren worden exportproducten.

De godsdienst in de stad is bijzonder omdat niet één, maar verscheidene stamgoden worden geëerd. Deze goden vormen net zo’n mengsel als de bewoners van het florerende Obsidiaan. Deze levenskrachtige godsdienst wordt ook onderwerp van handel met de verkoop van krachtige talismannen.

De belangrijke handelscentra maken veel producten van elkaar na. Die zakken van gelooid leer worden nu ook gemaakt in de centra van koper en pigment. Intussen maakt Obsidiaan nu ook zelf die sterke, elegante mandjes, waarin het rode oker zit; net als de bewerkte houten kistjes van de fossiele oesterschelpen. De verminderde vraag naar leren zakken wordt zo gecompenseerd met vraag naar nagemaakte manden en kisten.

Importvervanging en diversificatie doen de stad bloeien.

.

De bewoners van de stad Obsidiaan, van andere nederzettingen, èn de groepen jager-verzamelaars met een vaste verblijfplaats, bewaken elk nauwgezet hun eigen territorium. Ze doen dat met alle middelen. Alleen voor de doortocht naar handelscentra wordt een uitzondering gemaakt. De routes die van verre naar Obsidiaan leiden doorkruizen de gebieden van heel veel groepen jager-verzamelaars. Die wegen worden in de loop van de tijd almaar langer, omdat mensen van steeds verder weg op pad gaan om aan obsidiaan te komen. Verbonden met de routes van andere steden, is zo een netwerk ontstaan dat van oost naar west 3.000 kilometer lang is.

Op de weg heerst vrede omdat de route steeds een uitbreiding is van de weg die een groep die dichterbij de stad woont, toch al gebruikt voor zijn aankopen. Elke groep die de weg afsluit of handelaars doodt, hoeft niet meer op obsidiaan te rekenen. Die groep wordt bovendien bestreden door een coalitie van de dichtstbijzijnde stad en jager-verzamelaars uit de buurt die de handelsroute gebruiken.

Plaatsen om te overnachten of te drinken worden na verloop van tijd traditionele vrijplaatsen. Ze staan onder de bescherming van de stadsreligie. Ook het drinkwater staat onder dezelfde bescherming. De handelaars overnachten in de buitenlucht en sjouwen hun eigen voedsel mee. Ze leven niet van het land waar ze doorheen trekken. Ze reizen zo snel mogelijk en hebben meestal honger als ze aankomen in de stad.

Het is niet de weg die naar de stad leidt, hij groeit de stad uit.

.

De stad Obsidiaan komt op twee manieren aan voedsel. Een deel komt van de jacht en het verzamelen in het eigen gebied. Dat gaat nog als vanouds. Als leden van de groep mijnbouwers zich in de stad vestigen, wordt ook hun territorium een bron van voedsel. Maar een groot deel van het voedsel wordt geïmporteerd uit vreemde territoria. Dat is het voedsel waarmee de stadsproducten betaald worden.

Wie niet in koper, schelpen, pigment, of andere schatten kan betalen, moet wel voedsel aanbieden. Geschikt voedsel is een prima betaalmiddel. Eigenlijk heeft Obsidiaan door deze handel een veel en veel groter jachtgebied dan eerst. In tijden van hongersnood is natuurlijk alles welkom, maar normaal is alleen niet-bederfelijk voedsel acceptabel als betaling. De bewoners willen het namelijk opslaan voor latere consumptie. Het voedsel dat klanten meebrengen bestaat aldus grotendeels uit levende dieren en harde zaden. Zo lijkt Obsidiaan op alle nederzettingen uit de tijd van voor de landbouw die wild voedsel importeren.

Omdat Obsidiaan zo goed gedijt, stromen de levende dieren en de zaden de stad binnen. De dieren zijn vastgeknoopt of zitten in kooien als ze gevaarlijk zijn. Ze zijn lastig te verplaatsen. Daarom komen van verder weg vooral bonen, noten en eetbare graszaden.

De lokale economie ontfermt zich direct over dit importvoedsel. Bepaalde inwoners hebben de taak het te beschermen, op te slaan en uit te delen. Ze zijn beheerders – gedelegeerden voor het beheer van de wilde dieren en de eetbare zaden.

De handel leidt tot een nieuwe beroepsgroep: beheerders.

.

De nieuwe beheerders in Obsidiaan moeten de binnenkomende dieren in leven houden totdat ze geslacht worden. Dit vergt een beoordeling. De lastigste dieren worden het eerst geslacht. Hiertoe behoren de meeste roofdieren. Hun pelsen gaan naar de leerlooiers, ook een nieuw beroep. Hun tanden en klauwen worden ook gebruikt.

Dieren die gras eten worden het laatst geslacht, vooral de vrouwtjes die de minste last veroorzaken. Soms geven ze jongen voordat ze geslacht worden. Dat betekent natuurlijk extra vlees en extra huiden. Omdat er zoveel keus is om dieren direct of later te slachten, wordt het een gewoonte de dociele dieren zoveel mogelijk te sparen.

Ook al zijn de vroege beheerders intelligent, oplossingsgericht en krijgen ze steeds meer ervaring, het idee van ‘dieren tam maken’ kennen ze niet. Ze proberen gewoon zo goed mogelijk de wilde voedselimport van de stad te managen. De enige reden dat dieren van de tweede, derde en vierde generatie lang genoeg leven om zelf weer jongen te krijgen, is dat ze toevallig het gemakkelijkst te houden zijn in tijden van overvloed. Want ook dieren van de tweede, derde en vierde generatie worden net zo vlot geslacht als er voedsel nodig is.

Maar de beheerders proberen wel altijd vers vlees bij de hand te hebben. Er mag eens iets te vieren zijn, bijvoorbeeld de terugkeer van vermoeide en hongerige handelaars. Uiteindelijk lukt het hen permanent vers vlees aan te houden. Ze gaan daarvoor wat we nu fokvee zouden noemen selecteren. Dit ‘fokvee’ loopt nog gewoon tussen nieuw aankomende dieren. Uit hun nageslacht krijgen de beste en kalmste exemplaren weer de voorkeur.

In Obsidiaan concentreren de beheerders zich op schapen, lekker als ze zijn en makkelijk te houden, met hun gewilde vachten. Elders hebben ze liever geiten omdat die op arme grond overleven. Verder weg zijn het koeien en varkens die de voorkeur krijgen.

Onbewust leidt het selecteren van rustige dieren tot fokvee.

.

De beheerders van de zaden hebben geen reden om de voorkeur te geven aan een bepaald soort zaad. Ze krijgen de droge zaden allemaal door elkaar en ze worden ook gemengd gegeten – gepeld, geplet en gekookt – samen met erwten, linzen en notenpasta.

Het zijn zaden van heel veel verschillende soorten grassen, afkomstig van natte bodems, droge bodems, zandige en lemige, hoge en lage gronden, van berghellingen, rivieroevers en uit bossen. Ze komen normaal nooit de grens van een stamgebied over, maar hier in Obsidiaan komen ze uit talloze stamgebieden bij elkaar.

Wat in Obsidiaan na de winter van het zaad over is, wordt uitgezaaid. Niet dat dat zoveel oplevert; het is geen landbouw. Het is zo vooral gemakkelijker oogsten.

Op plekken in of bij de stad, waar vrouwen zaden dragen, pellen en pletten, worden zaden gemorst. Ook raken zaden verspreid door ratten, muizen en vogels. Het gebeurt allemaal in ongekende variatie. Er is volop kruisbestuiving, of het nu granen betreft, of bonen, of erwten. Het is gewoon niet te voorkomen.

De kruisingen en hybriden worden niet over het hoofd gezien. Integendeel, ze worden opgemerkt door mensen die experts zijn in het herkennen en beoordelen van ruilhandelszaden. Zij zien heel goed dat sommige van deze stadszaden nieuw zijn. Overal komen mutaties voor; ze verschillen in de stad niet van wat normaal is in de natuur, maar hier worden ze opgemerkt. Kruisingen, hybriden en mutanten worden echter niet bewust gebruikt in een teeltprogramma.

Beheerders merken topzaden op, maar zijn er niet op uit.

.

De beheerders van de zaden gaan niet over de lokále granen. (Dat doen de verzamelaars.) Zij maken geen eerste keuze uit de nieuwe graanplanten. Sommige huishoudens van Obsidiaan doen dat wel. Eerst is dat onbewust, doordat sommige veldjes een hogere opbrengst geven. De gelukkige eigenaar van zo’n veldje heeft vollere bussen, en houdt eerder zaaigoed over in jaren dat ervoor gekozen wordt het weer uit te zaaien.

De ongehoorde verschillen in opbrengst tussen de verschillende veldjes van de stad leiden tot iets geheel nieuws: sommige mensen in de stad ruilen zaden met andere stadsbewoners. Dat wil zeggen, ze ruilen zaden tegen spulletjes. Mogelijk is het handel tussen vrouwen. En zo gek is het nu ook weer niet, want deze mensen doen na wat er op het marktplein toch al gebeurt.

Door deze praktijk is de oogst van het in Obsidiaan groeiende graan steeds beter vergeleken met de oogst van wilde granen in hun territorium. De inwoners snappen niet helemaal waarom dat zo is, maar ze zien gewoon dat het zo is. In de volgende fase van dit proces wordt de selectie dan ook doelbewust. Er wordt keuze gemaakt uit de verschillende (genetische) stammen van al bestaande kruisingen, en hun kruisingen, mutanten en hybriden. Het vergt vele generaties – niet alleen van tarwe en gerst, maar ook van mensen – om de zaden van Obsidiaan om te vormen in geperfectioneerde cultuurgewassen. En dit gebeurt alleen omdat:

  • er allerlei zaden consequent, veelvuldig en langdurig bij elkaar groeien die dat normaal niet doen,
  • er ter plekke oplettende, goed geïnformeerde mensen zijn die metterdaad reageren op wat ze waarnemen, en
  • er op die plek geen honger heerst en het zaaigoed heilig verklaard kan worden, zodat het hele proces niet vroegtijdig afgebroken wordt.

 Zonder rust en voorspoed geen cultuurgranen.

.

Er wordt in deze oude stad dus door drie bronnen voorzien in de voedselbehoefte. Er is de opbrengst van het aloude jagen en verzamelen, die in de loop van de tijd redelijk constant zal zijn gebleven. Er zijn de zaden en levende have die als betaling Obsidiaan binnenkomen. En stap voor stap groeit de ‘stadslandbouw’ die steeds meer graan en vlees oplevert.

Deze nieuwe eigen voedselopbrengst maakt het voedsel waarmee de traditionele jager-verzamelaars voor obsidiaan betalen steeds minder nodig. Het is pure importvervanging. Eigenlijk is er niet veel verschil tussen het gaan namaken van manden (zie aflevering 4), of zichzelf gaan voorzien van graan en dieren, die eerder geïmporteerd werden.

En omdat zoveel van de import voedsel is, maakt deze ontwikkeling een groot verschil. Nu kan Obsidiaan in plaats daarvan andere zaken importeren, een heleboel andere zaken. Het lijkt voor de inwoners net of de import enorm is toegenomen. Maar dat is niet zo. Het is de aard van de import die enorm verschuift.

De zelfvoorziening van voedsel vergt nieuwe gereedschappen en meer industriële materialen. Ook betekent het een radicale verandering voor de kopers van obsidiaan. Jagers en verzamelaars moeten nu iets anders meebrengen om mee te betalen: vachten, huiden, bundels schaafstro, vezels en hoorns bijvoorbeeld. Graszaden en uitgeputte dieren zijn nu minder gewild.

De verhouding tussen stedeling en jager-verzamelaar verschuift.

.

De handelaars van Obsidiaan trekken er nu vaker en verder op uit, op zoek naar exotische materialen voor de ambachtsmensen in hun stad. Er is een weelde aan de stad binnenstromende materialen, Wat de ambachtslui daarvan maken levert een explosie op van nieuwe soorten werk, een explosie van nieuwe exportproducten, een explosie van rijkdom, die de stad explosief doet groeien.

Het werk dat er gedaan wordt en de bevolking die er woont, nemen snel toe. Zo snel dat mensen van andere stammen stadsbewoners worden. Aan hun bijdrage is behoefte. De stad Obsidiaan maakt een gedenkwaardige economische verandering door, die kenmerkend is voor steden: een explosieve groei die veroorzaakt wordt door de lokale productie van goederen die voorheen geïmporteerd werden met een verschuiving in de import als gevolg.

De handelaars nemen op hun reizen voor zichzelf nu het nieuwe voedsel uit Obsidiaan mee. Soms brengen ze nog wel eens een vreemd dier of veelbelovend zaad mee terug. Handelaars van andere, kleine steden nemen soms voedsel uit Obsidiaan mee, en ze vertellen wat ze in de grote stad gezien hebben. Zo verspreiden nieuwe zaden en dieren zich van stad tot stad.

Buiten de steden gaat men gewoon door met het gewone leven van jagen en verzamelen. Het kweken van zaden en fokken van dieren is, voorlopig, louter stadswerk. Het wordt nagedaan in andere steden, niet in dorpen.

Steden wisselen onderling uit.

.

Het zijn de eerste steden die de landbouw naar het platteland brengen. Waarschijnlijk gaat het vooral om veehouderij, omdat die veel ruimte vereist en de groei van de stad in de weg zit. Dus worden kuddes, samen met herders, naar nieuwe grazige weiden gebracht, op een dag afstand van Obsidiaan. Die herders nemen hun gezinnen mee, evenals hun dagelijkse spullen, kookgerei en zaaigoed.

Zo ontstaat er een nieuw soort dorp, niet van jager-verzamelaars, maar gespecialiseerd in een aspect van het stadsleven. Deze dorpen leveren de stad vlees en wol. Voor zichzelf zaaien de bewoners graan. Alles wat ze nodig hebben, komt uit de stad in ruil voor de producten van hun vee. Ook relevante nieuwe technologie vindt zijn weg vanuit de stad naar deze dorpen.

De grazende kuddes hebben ruimte nodig (wat ten koste zal zijn gegaan van jagers-verzamelaars). Dus liggen de dorpen wijd verspreid, maar wel allemaal zo dicht mogelijk bij de stad. Eenmaal gesticht worden deze dorpen een verlengstuk van de stad. Handelaars overnachten er en krijgen er eten en drinken.

Gaat de stad ten onder en zijn deze dorpen op zichzelf aangewezen, dan kunnen ze doorgaan met de veehouderij, maar hun ontwikkeling komt stil te staan. Ze zijn verweesd, niet in staat zichzelf opnieuw uit te vinden. Ze zouden wel eens de oorsprong van de nomadische stammen met hun kuddes kunnen zijn.

In tijden van voorspoed worden sommige jagers-verzamelaars in deze dorpen opgenomen, bijvoorbeeld als bijvrouw of knecht. Maar jagers en verzamelaars die niet opgaan in het dorpsleven, worden geen boer, ook al hebben ze het voorbeeld naast de deur.

Landbouw blijft onbegrijpelijk voor wie niet uit de stad komt.

.

De grondstof obsidiaan mag een prachtige handelswaar zijn, nu heeft de stad Obsidiaan iets wat nóg waardevoller en mooier is. Het heeft een creatieve lokale economie. Die maakt de stad tot iets geheel anders dan een handelspost met toegang tot een mijn. De inwoners voegen de ene na de andere soort werk toe aan hun eigen lokale stadseconomie.

Misschien hebben veel dorpen uit het tijdperk van het jagen en verzamelen door handel in een plaatsgebonden schat een creatieve economie gehad, die voor een korte tijd ineens opbloeide. Maar in de tegenwoordige tijd lijkt geen enkele creatieve economie – oftewel geen enkele stadseconomie – zich los van andere steden te hebben ontwikkeld. Een stad groeit niet met louter platteland om zich heen. Het bestaan van een stad lijkt altijd te beduiden dat er een groep steden is die met elkaar handel drijven.

Vertaal je dat terug naar de tijden van deze vroege beschaving, dan was landbouw dus niet de onderscheidende start van het Neolithisch Tijdperk. Die start was de zichzelf onderhoudende, onafhankelijke, creatieve stadseconomie, waar allerlei nieuwe dingen hun oorsprong vonden, met de landbouw als een van die nieuwe dingen.

Wat gold voor de eerste stad, geldt nu nog.

.

In de Neolithische stad werd de afweging gemaakt: gaan we de reeds succesvolle veehouderij ter plaatse voortzetten en uitbreiden, of maken we ruimte voor nieuwere – en dus per definitie minder ‘fundamentele’ – soorten werk? Het was het een of het ander: werk dat zich had bewezen, of de gelegenheid te baat nemen om meer en ander werk toe te voegen.

Met het stichten van landbouwdorpen, besteedde de stad werk uit, maar nam de stad het achterland ook werk af. De dorpen kwamen er, maar de zaden en wilde dieren van de jagers-verzamelaars waren niet meer nodig. Zo maken steden steeds opnieuw werk van het platteland overbodig, en brengen ze er nieuw werk heen, ook nu nog. Daar zijn genoeg voorbeelden van.

Hennep voor kabels werd overbodig, voor echte rozenblaadjes kwam E-nummer-rozenolie, voor rubberplantages synthetische rubber, voor geneeskrachtige kruiden synthetische geneesmiddelen, bont werd vervangen door namaakbont, katoen door kunststof.

Het werk dat naar het platteland toekomt is dat van de neergeplante fabriek, van de vakantiepret, van de natuurbescherming.

Er is geen echt onderscheid tussen stadswerk en plattelandswerk, noch tussen stadsconsumptie en plattelandsproductie. Steden vinden de dingen uit die de importgoederen vanuit het platteland worden, en dan vinden ze het platteland opnieuw uit zodat het ook in die import kan voorzien. Alleen op deze manier is er sprake van plattelandsontwikkeling, in tegenspraak tot het dogma van ‘landbouw eerst, dan de rest’.

De stad creëert, het platteland ontvangt.

.

De vroege mens was helemaal niet de stereotype primitieve holbewoner. In de tijd van voor de landbouw was hij veel meer dan alleen jager. Deze mensen waren ook ambachtsman, bouwer, handelaar en kunstenaar. Ze maakten allerlei wapens, kleren, gebouwen, sieraden, muurschilderingen en sculpturen. Ook de gebruikte materialen varieerden enorm: steen, been, hout, leer, bont, biezen, klei, leem, obsidiaan, koper, kleurstoffen, tanden, schelpen, amber en hoorn. Behalve spullen en kunst maakten ze ook hulpmiddelen (of in economische termen: ‘productiegoederen’): ladders, lampen en pigmenten voor hun grotkunst; graveerstiften om gleuven te kerven in andere gereedschappen; schrapers om huiden te prepareren.

Toch wordt dit allemaal beschouwd als een soort voorspel in de wildernis, gevolgd door het drama dat Adam Smith (in The Wealth of Nations) als eerste beschreef: in de hoogst ontwikkelde landbouwlanden is de industrie en handel het verst ontwikkeld. Smith vond ook dat de superieure economische ontwikkeling van Engeland hem vooral zat in een voorsprong van de industrie en handel, en niet zozeer in de superieure ontwikkeling van de Engelse landbouw, ook al was die andere landen ver vooruit. Hij constateerde zelfs dat de meest productieve, bloeiende en bij-de-tijdse landbouw te vinden was rond steden, en verder er vanaf juist de armste.

Maar Adam Smith trok niet de logische conclusie dat de ontwikkeling van de landbouw volgde op die van de stad. In zijn tijd dacht men namelijk nog dat de aarde ‘kant-en-klaar’ geschapen was, ergens 5.000 jaar voor Christus. De mens was geboren in een tuin, met landbouw en veehouderij en al. Het was nu eenmaal de manier waarop de mens in het zweet des aanschijns zijn brood verdiende.

Het lot van Adam en Eva was een onwrikbaar gegeven.

.

Het was voor Adam Smith een gegeven dat de handel en de industrie opkwamen uit de nu eenmaal bestaande landbouw, ook al moest hij de keten van oorzaak en gevolg daarvoor geweld aandoen. Na hem bleef echter de ene generatie economen na de andere de misvatting steunen, van zo verschillende huize als Karl Marx en de neoliberalen van tegenwoordig. Zij zien het geen van allen en beschrijven het dus verkeerd. Het is een dogma geworden.

Vergelijk het eens met elektriciteit. Steden zijn totaal afhankelijk van elektriciteit. Zonder elektriciteitsvoorziening stort hun economie in. De meeste stadsbewoners zullen zonder elektriciteit van honger en dorst omkomen. De grote elektriciteitscentrales staan onveranderlijk op het platteland. Hun elektriciteit bedient zowel steden als het platteland.

Als we ons de wereld van voor de elektriciteit nu eens niet meer kunnen herinneren, dan lijkt de logische volgorde: Eerst was er een plattelandsbevolking zonder elektriciteit. Die bevolking ontwikkelt in de loop van de tijd elektriciteit voor eigen gebruik. Tenslotte produceert het platteland een overschot. Dat overschot maakt steden mogelijk.

De misvatting is om gevólgen van de economische ontwikkeling van de stad aan te zien voor voorwáárden van economische ontwikkeling van de stad. Het is een heel eenvoudige misvatting, maar wel een die ons het zicht ontneemt op enkele zeer interessante vragen die nog helemaal niet beantwoord zijn. Hoe groeien steden werkelijk? Als ze plattelandsontwikkeling zozeer sturen, wat schept en herschept dan die stadseconomieën zelf eigenlijk?

Het antwoord hierop komt aan de orde in het (in 2020 te verwachten) artikel ‘Waar komt de economische groei vandaan?’

Als geen econoom het begrijpt, kan geen econoom ons raden.

“Ik zal gaandeweg net zo goed het verhaal vertellen van kleine steden als van grote. De meeste die ooit groot waren zijn nu klein; en degene die gedurende mijn eigen leven tot groots worden, waren vroeger klein genoeg.”
Herodotus