Als een systeem ook levende wezens bevat spreken we van een ecosysteem. In principe moet een ecosysteem met zijn eigen materiaal toe kunnen: alle stoffen die nodig zijn om het leven vol te houden – zoals water, anorganische verbindingen en elementen – blijven binnen het systeem en circuleren daar. Er bestaat dus een kringloop van de stof. Alleen de energie wordt uit het zonlicht geput. Deze verdwijnt op den duur ook weer uit het systeem. Naast de kringloop van de stof is er dus een stroom van energie. De energiestroom verloopt volgens patronen die in ieder ecosysteem hun eigen vorm hebben. We kunnen een ecosysteem dus opvatten als een ‘gekanaliseerde energiestroom’. Zie aflevering 78 van het artikel ‘Wat is ecologie?’ (serie 3).

Een ecosysteem is slechts in beperkte zin een gesloten geheel. Er is geen enkele plek op aarde te bedenken, waar geen relatie bestaat met de omringende omgeving. Overal vindt wel enige stofoverdracht plaats; hetzij naar binnen, hetzij naar buiten. (Het enige echt gesloten ecosysteem dat we kennen is de hele levende wereld.) Maar het is natuurlijk wel zo praktisch en zeker niet verkeerd om te praten over het ‘regenwoud-ecosysteem’ of het ‘eikenbos-systeem’, enzovoort. Een ecosysteem kan jong zijn, een pionier-ecosysteem, rijp, volgroeid en dergelijke. Daar hoort het begrip successie bij. Zie over de ecosysteemfasen (jong-rijp) niet alleen aflevering 84-86 in serie 3 van het artikel ‘Wat is ecologie?’, maar ook het artikel ‘Panarchie’ in de rubriek Ontwrichting. Met de successie veranderen de kenmerken van ecosystemen. Jonge systemen kennen een laag niveau van regulatie. Er is nauwelijks sprake van inwendige stabiliteit. Er zijn in een jong systeem met weinig soorten immers niet veel afhankelijkheidsrelaties. Het klinkt misschien wat tegenstrijdig maar dit systeem kan wel tegen een stootje. We zeggen dat de uitwendige stabiliteit hoog is. Deze soorten zijn immers gewend aan naar verhouding sterk wisselende milieuomstandigheden. Rijpe systemen bezitten daarentegen een hoog niveau van regulatie. Er zijn immers veel soorten en daartussen zijn veel relaties mogelijk. Rijpe systemen zijn aangepast aan een milieu dat gedurende de successie ontdaan is van extremen. Plotselinge veranderingen in dat milieu zullen moeilijk opgevangen kunnen worden. Rijpe systemen hebben dus juist een lage uitwendige stabiliteit. Maar de inwendige stabiliteit is er vrij hoog. Door het hele netwerk van relaties kunnen ‘systeemeigen’ fluctuaties vrij gemakkelijk opgevangen worden. Zie in dit verband ook veerkracht.

Er zijn nog andere eigenschappen van een ecosysteem die gedurende de loop van de successie veranderen. Door de toename van het aantal soorten is er ook een toename mogelijk van relaties tussen die soorten. We kunnen spreken van toenemende informatie. Verder gaat successie ook gepaard met een toename aan structuur van een ecosysteem. Er moet overigens worden bij gezegd dat wat hier als ‘rijp’ ecosysteem wordt omschreven niet zomaar als een eindstadium kan worden gezien. Systemen kunnen ná hun optimale ontwikkeling weer een verval laten zien, waarin de diversiteit, de gelaagdheid en al die kenmerken van informatie weer teruglopen. Dat wordt behandeld in het artikel ‘Panarchie’ in de rubriek Ontwrichting. De rol van negatieve terugkoppeling als middel tegen ontwrichting van ecosystemen wordt genoemd in aflevering 24-26 van het artikel ‘De natuur van de econome’ in de rubriek Complexiteit. Bij Harvey komt in aflevering 18 van het artikel ‘De verhouding van het kapitaal tot de natuur’ in de rubriek Ontwrichting het ‘ecosysteem van het kapitaal’ aan de orde.