Kroniek 4: Te laat – De hinder van kolossale barrières

JAN VAN ARKEL*

De olietanker was, zoals zo vaak, op weg naar Wereldhaven. Het nieuws op de boordradio maakte de kapitein ongerust. Wilde Wereldhaven de olie niet meer en moest hij omkeren? Zijn officieren waren het onderling oneens. Een beetje naar links of rechts afbuigen – dat zou nog kunnen vonden ze. Maar omkeren, dat kon echt niet. Waar moesten ze dan naartoe?*

Maar het bleef hier niet bij. De telex berichtte dat de eigendom van de olie was overgenomen door een hedgefonds. Dat fonds gaf bevel gewoon door te varen. Ook bij de reder was hierover onenigheid uitgebroken.

En nu kwam de bootsman de kapitein vertellen over grote problemen aan boord. De bemanning, allemaal slecht betaalde ‘buitenlanders’, was onrustig, om niet te zeggen opstandig aan het worden. Ze roken onraad. Ze hadden ontdekt dat de boordwerktuigkundige geknoeid had aan het scheepsontwerp. Elke tanker bestaat uit compartimenten, zodat een lek een schip niet fataal zal worden. Maar bij dit schip zou er in sommige speciale compartimenten geen olie zitten, maar hele dure contrabande. Smokkelwaar van de technici. Daar wilde de bemanning van mee profiteren.

‘En de machinist heeft de verbinding met de brug verbroken, kapitein,’ zei de bootsman nu. ‘Zij wil meer medezeggenschap.’ Daarom vaart zij op volle kracht door. ‘Het is maar dat u het weet, laat de machinist zeggen, dat discussie over de snelheid of de richting niet buiten haar om genomen mag worden. Als u haar iets te zeggen hebt, moet u maar naar de machinekamer komen.’

Ja doei, dacht de kapitein. Wie heeft er hier nu de leiding? En wat gebeurde daar voor het schip op zee? Er kwam zowaar een loods aanvaren die het bevel namens het hedgefonds wilde overnemen. Die vent wilde de kapitein niet aan boord. En daar had je, aan de ene kant, ineens een scheepje met actievoerders, en aan de andere kant een speedboot met gemaskerde mannen. Waren dat piraten? Of Russen? Of… wat kon het nog meer zijn? Wat wilden die lui? En daar in de lucht, was dat niet een helicopter van het tv-nieuws?

‘Uh kapitein,’ zei de stuurman naast hem, ‘we zijn geloof ik gehackt. Het roer luistert niet meer naar het stuurwiel…’

De kapitein wist het even niet meer. Hoe kwam hij hier uit? Waar berustte zijn gezag nog op? Wat was de juiste beslissing? Waar ging het met de wereld naartoe? Wat was dit voor een onontwarbare kluwen aan problemen?

Al gaat de vergelijking aan alle kanten mank, beleven we toch niet iets zoals deze olietanker? We gaan het hierna bekijken.

Is het reëel te verwachten dat we probleemloos op een fossielvrije economie kunnen overgaan? Of zijn er beren op ons pad? Heeft ons wereldschip iets weg van de onmogelijke toestand van deze olietanker?

De eerste drie artikelen overziende, lijkt het scenario uit de laatste aflevering van artikel 2, dat stelt dat het verbruik van fossiele brandstoffen nog tot 2030 blijft toenemen, om dan pas te pieken, nog zo gek niet. Ook een volle vijf jaar na het Akkoord van Parijs stijgt de verbranding onverdroten door.* En er zijn wereldwijd geen signalen dat dat snel zal veranderen.

Doorschieten naar de hittestand van Gaia zou over een paar jaar zomaar het geval kunnen blijken te zijn. Laten we het daarover maar niet hebben. De barrières om het scenario van artikel 2 te halen zijn op zich al enorm. We moeten dan dus rekening gaan houden met 2,5 meter zeespiegelstijging rond het jaar 2100 (of wat later – dat maakt geen wezenlijk verschil). Die barrières zijn het onderwerp van dit artikel.

Heel vaak wordt geschermd met het beeld dat we er technisch toe in staat zijn om snel geheel fossielvrij te worden. Maar wie er over nadenkt, moet constateren dat er om te slagen twee ingrediënten onontbeerlijk zijn. Dat zijn eensgezindheid en een vooruitziende blik. We moeten het mondiaal onderling allemaal eens zijn, willen we deze uitdaging aankunnen. En we moeten de juiste weg kiezen.

Bij eensgezindheid hoort ook solidariteit, en daar hoort weer gelijkheid bij. Want bij grote ongelijkheid krijg je geen eensgezindheid. En er zijn juist veel maatschappelijke processen die eensgezindheid actief bestrijden.

Ook moeten we barrières overwinnen die ingebouwd zitten in onze eigen psyche. Om ons daar de weg te wijzen, hebben we dus eigenlijk een leidsman of -vrouw nodig die zelf niet behept is met deze eigenste bedrading – een onmogelijke eis.

Bij de vooruitziende blik blijkt dat de term barrière, of hinderpaal, eigenlijk een verkeerde is. Het is barrières in meervoud. De verschillende barrières die ik ga bespreken staan niet los van elkaar. Het zijn juist allemaal op elkaar inwerkende onderdelen van een complex systeem, dat zich eigenstandig ontwikkeld en waarvan we – om het klimaat te redden – de ontwikkeling min of meer moeten laten omdraaien.

Ik heb niet de illusie dat mijn opsomming compleet is. Dat is ook helemaal niet erg. Het is voldoende om te laten zien voor welke opgave we staan, om ons ervoor te waarschuwen niet onbezonnen zomaar ergens te beginnen.

Voordat we de systemen induiken, daarom eerst nog één aflevering over waarom het (huidige) klimaatbeleid, dat dus wel zomaar ergens begint, gedoemd is te mislukken.

Actief overheidsingrijpen in systemen gebeurt nu hooguit op een laag niveau, bijvoorbeeld met een subsidie of een heffing. We moeten echter niet laag in het systeem ingrijpen. De vooruitziende blik leert ons dat we in dit geval heel hoog, liefst op het paradigmaniveau moeten ingrijpen. En dat komt neer op het scheppen van een totaal nieuwgerichte eensgezindheid.

Jan Paul van Soest noemt drie wetmatigheden waarom van mooie voornemens zo weinig terecht komt.*

De energievoorziening is een samenhangend systeem, dat in de loop van vele tientallen jaren is ontwikkeld en verfijnd. Fossiele brandstoffen zijn door hun grote voordelen de motor van de economie geworden: de winning is goedkoop, het gebruiksgemak van met name gasvormige en vloeibare brandstoffen is onovertroffen. De energiedichtheid is hoog en transport per pijp, schip of over de weg kost weinig. Ongetemde internationale markten voor fossiele brandstoffen, geopolitieke doelen en grote bedrijfsbelangen bepalen de koers van de energievoorziening. Les 1 is: duurzame energie in een systeem duwen dat door fossiele brandstoffen wordt gedomineerd, verandert de werking van dat systeem nauwelijks.

Ten tweede is er volgens Jan Paul van Soest, in navolging van de econoom Jan Tinbergen, voor elke doelstelling tenminste één specifiek instrument nodig. Dat wil zeggen dat beleid dat gericht is op meer zonnepanelen, wel zorgt voor meer zonnepanelen, maar niet voor minder CO2 in de atmosfeer. Daarvoor kan alleen beleid zorgen dat is gericht op minder CO2 in de atmosfeer. Slechts de concentratie van broeikasgassen telt en de stijging daarvan kan alleen een halt worden toegeroepen door dáárop te sturen: beloon de reductie van CO2, bestraf de uitstoot ervan.

Ten derde is in de polder effectief klimaatbeleid onhaalbaar. Dat is zoiets als alle boerderijdieren het kerstmenu laten bedenken. Dat wordt vlees noch vis. Alleen overheden kunnen, namens ons allen, de spelregels veranderen. Polderen met de huidige spelregels kan nooit afdoende zijn.

Overal ter wereld worden deze drie hoofdwetten genegeerd. De indruk wordt gewekt dat we goed bezig zijn. Dat is niet waar: Koning Klimaat blijkt naakt.

Ik ga nu over naar wat ik, bij het schrijven van Wat is er mis met het weer?, in 1983 al zag als de grootste hinderpaal voor een effectief klimaatbeleid: het zogenaamde industriesysteem, waarvan groei het hoofdkenmerk is. Groei betekent meer CO2-uitstoot en is dus verkeerd. Maar snijden in een systeem waarbij (bijna) iedereen belang had, was ook in 1983 al snijden in een mooie toekomst.

Nu dus over naar de dynamiek van dat ‘industriesysteem’ dat een eensgezindheid veroorzaakte die voor het klimaat precies verkeerd gericht was.

Het industriesysteem is meer dan de som der delen (de ondernemingen).* Industrie is zowel een structuur als een dynamisch principe. Structurele kenmerken zijn specialisering, centralisering en rationalisering. Deze structuur is op vele manieren dynamisch; denk aan marktuitbreiding, technische verbeteringen, het scheppen van nieuwe vraag, een groeiende kapitaalbehoefte die weer centralisering vereist.

Er is ook een tendens naar totalisering; naar buiten door internationalisering (de wereldmarkt heette dat toen – het woord globalisering was in de jaren ’70 nog niet uitgevonden), en naar binnen door het veralgemeniseren van industriële principes: nieuwe maatschappelijke terreinen en aspecten van het leven worden aan het werkterrein van de industrie toegevoegd (denk aan agribusiness, gezondheidszorg, cultuur en de aanpak van milieuverontreiniging en welvaartsziekten – dit waren in 1978 nog helemaal niet zulke vanzelfsprekende markten als nu).

Het dynamische aspect dat voor ons het meest van belang is, is de industriële productie van problemen. In de rekensommen van een bedrijf komt alleen voor wat het bedrijf aangaat. De concurrentiepositie laat niet toe dat de industrie zich bezighoudt met de algemene gevolgen van productiebeslissingen.

Een overheid zou kunnen sturen met ingrepen als limieten en belastingen. Wat gebeurt er echter: de mogelijkheden van de staat houden geen gelijke tred met de problemen die de industrie veroorzaakt. In plaats dat de staat de industrie voorschrijft wat ze moet nalaten, komt er steeds weer een oplossing uit de bus die past in het industriesysteem. Deze ‘oplossing’ moet echter betaald worden, voornamelijk door de consument en de staat. Daardoor wordt de staat als probleemoplosser zelf afhankelijk van groei, een medeplichtige. Want zonder economische groei is er geen geld voor (industriële) oplossingen.

De staat wordt ook steeds meer een groeimotor op zich en is in dit opzicht afhankelijk van het industriesysteem. De belangrijkste reden voor de groeibehoefte van de staat is het feit dat de beheersing van de gevolgen van de industriële groei een toenemende geldbehoefte oproept. Staat en industrie zitten samen gevangen in een cyclus zonder einde.

Dit systeem is na 1978 snel geëvolueerd. Daarbij lijken me drie zaken van speciaal belang: het neoliberalisme, de diepe kloof tussen arm en rijk en de aard van het internetverdienmodel. We zullen deze alle drie bekijken in het licht van de eensgezindheid en vooruitziende blik die vereist is voor het oplossen van de klimaatcrisis. Maar eerst moeten we nog wat dieper ingaan op die ingebouwde groei.

Want groei en energieverbruik lopen gelijk op en zolang energieverbruik het verstoken van fossiele brandstoffen betekent, gaat een ingebouwde groei ons heel gauw fataal worden.

Op verschillende plaatsen op 4eco wordt het thema ‘groei’ behandeld.

Marxistisch geograaf David Harvey stelt: ‘Kapitaal gaat altijd over groei en die groei is noodzakelijkerwijs exponentieel. Mijn stelling luidt dat deze dynamiek, die in de reproductie van het kapitaal besloten ligt, momenteel een buitengewoon gevaarlijke contradictie vormt die niet of nauwelijks onderkend of geanalyseerd wordt.’

Groei wordt hier dus een levensvoorwaarde genoemd voor het kapitalistisch systeem én een doodskus. Dus: de economie moet groeien en de uitstoot moet krimpen., een problematische combinatie volgens Harvey

De socioloog Immanuel Wallerstein stelt dat de hardnekkige zoektocht om eindeloos kapitaal te accumuleren het overheersende of beslissende kenmerk van het kapitalistisch systeem is, dat zich niet laat wegdrukken. Hij schrijft: ‘Wil het kenmerk van eindeloze accumulatie overheersend blijven, dan moeten er mechanismen bestaan die eenieder bestraffen die op basis van andere waarden of doelen wil opereren.’ Waarna hij droog opmerkt dat ‘het vooropstellen van de accumulatie van kapitaal teneinde nog meer kapitaal te accumuleren mij een behoorlijk irrationele doelstelling toeschijnt.’ Die bestraffingsmechanismen (denk aan faillissement) maken een andere bedrijfsvoering vrijwel onmogelijk en staan dus een oplossing van de klimaatcrisis in de weg.

Ook economen zien groei als een wezenskenmerk van ons systeem. Dat brengt bijvoorbeeld Tim Jackson tot de vraag: ‘Draagt dit zichzelf in stand houdende systeem werkelijk nog op een zinvolle manier bij aan welvaart? Is er niet een punt waar genoeg genoeg is en we beter gewoon kunnen ophouden om zoveel te produceren en te consumeren?’

Jackson ziet dat we ook de gevangene zijn van ons eigen systeem: ‘Een van de dingen die verhinderen dat we er van afstappen, is overduidelijk de manier waarop het systeem zelf structureel steunt op het voortduren van de groei.’ Ook al ondermijnt die groei het belang van hen die het systeem geacht wordt te dienen, ons belang dus.

Er is volgens Jackson niet alleen een groeilogica aan de zijde van de productie, er is ook een sociale logica aan de zijde van de consumptie die de groei almaar gaande houdt.

Onze zucht naar nieuwigheden is nauw verbonden met de symbolische rol die consumptiegoederen in ons leven spelen. Materiële dingen vormen voor ons een krachtige ‘taal van goederen’ om met anderen te communiceren, niet alleen over status, maar ook over identiteit, het behoren tot een sociale groep en zelfs – door het geven en ontvangen van geschenken bijvoorbeeld – over onze gevoelens voor elkaar, onze hoop voor ons gezin en onze dromen over het goede leven.

De consumptie van nieuwigheid laat ons hopen en dromen. Ze helpt ons onze dromen en aspiraties voor het ideale leven te onderzoeken en te ontsnappen aan de soms harde werkelijkheid van onze levens. En het is precies omdat materiële goederen gebrekkige, maar op een of andere manier toch aannemelijke substituten zijn voor onze dromen en aspiraties, dat de consumptiecultuur oppervlakkig gezien zo goed schijnt te werken. Consumptiegoederen, oppert antropoloog Grant McCracken, bieden ons een tastbare brug naar onze hoogste idealen. Zij slagen er natuurlijk niet in echt toegang tot die idealen te verlenen, maar in hun falen laten ze de behoefte aan toekomstige bruggen open en stimuleren zo onze honger naar meer goederen. De consumptiecultuur bestendigt zich hier, precies omdat ze er zo goed in slaagt te mislukken!

Laten we nu nog naar de rol van ons geld kijken, om dan te onderzoeken of economische groei valt te ontkoppelen van het energieverbruik.

‘Is geld neutraal? Kan geld ingezet worden voor duurzaamheid?’ Deze vragen stelt Bernard Lietaer met zijn medeauteurs in het paradigmaserieboek Geld en duurzaamheid.

Het antwoord luidt: Nee. Het geld dat we nu hebben – met de eigenschappen van de Euro dus – is niet neutraal. Het is zelfs funest voor duurzaamheid. Dat is niet zo gemakkelijk in te zien, omdat we er niet van een afstand naar kunnen kijken. We zijn net zoals vissen die het water waarin ze zwemmen niet ‘zien’, ondergedompeld als we zijn in een systeem van één rentedragende munt.

Dennis Meadows schrijft in zijn voorwoord voor Geld en duurzaamheid dat het pas dit boek is dat hem de schellen van de ogen deed vallen.* ‘Ik heb veertig jaar lang de literatuur over duurzaamheid gelezen. (…) Maar voordat ik Bernards werk tegenkwam, heb ik nooit iemand het financiële systeem horen beschrijven als een oorzaak waardoor we hals over kop afstevenen op de ineenstorting van onze samenleving. Integendeel, overal doet men juist zijn best om met kleine wijzigingen in het financiële systeem de mondiale samenleving op een pad naar duurzaamheid te brengen.’

Dat is dus tot mislukken gedoemd. Het wordt uit de doeken gedaan in het artikel Ons geldsysteem als netwerk van complexe stromen in de rubriek Ontwrichting.

Behalve systeemzwakte heeft het huidige geldsysteem nóg zes verschillende negatieve effecten op duurzaamheid.

De eerste is de versterking van cycli van hoog- en laagconjunctuur (of bij een pandemie). In tijden van weelde kan het niet op, terwijl elke crisis extra verdiept wordt. Dit patroon is schadelijk voor iedereen, inclusief de banken zelf en het milieu.

Dan is er is het kortetermijndenken dat voortkomt uit de discounted cashflow. Dat is naar de toekomst rekenen met rente op rente. Hoe dit zit, leest u hier in Ecopedia. Duurzaamheid, wat typisch iets is voor de lange termijn, krijgt daarbij nooit een kans.

Hiermee samen hangt (nummer drie) de ingebakken groei. Het proces van rente op rente legt exponentiële groeidwang op aan een economie die deel is van een eindig (eco)systeem. Traditionele economen kunnen daar langzamerhand de ogen niet meer voor sluiten, maar ze weten zich er tegelijkertijd geen raad mee.

Het voortgaande proces van concentratie van rijkdom, met als keerzijde verdiepende ongelijkheid, brengt een breed scala van problemen met zich mee die zowel het voortbestaan van een gezond milieu als van de democratie op het spel zetten. Daarover meer vanaf aflevering 22. Tegelijk wordt de saamhorigheid – ons sociale kapitaal – uitgehold doordat de markten bezit nemen van steeds nieuwe terreinen van ons samenleven. Ook wordt de liefde georganiseerd, zodat deze een prijs krijgt. Ziedaar effect vier en vijf.

Nummer zes is de psychische aantrekkingskracht van geld. Geld wordt gezien als hèt middel om al onze dromen te verwezenlijken. Dat alles in ons leven om geld draait versterkt de eerste vijf oorzaken nog eens.*

Het conventionele monetaire systeem werkt als een grootschalige onbewuste programmeersoftware.

We hebben op alle mogelijke manieren gezien dat economische groei in het heersende systeem onontkoombaar is. Tot nu toe loopt het energieverbruik min of meer gelijk op met de economische groei: een groeiende economie vergt meer fossiele brandstoffen. De beschikbaarheid van goedkope brandstoffen jaagt de economie trouwens ook weer aan. Gezien vanuit het klimaatprobleem staan we dus voor de keuze: de effecten van de groei teniet doen, of overgaan op een ander systeem.*

Wie er even over nadenkt, ziet dat er drie theoretische uitwegen zijn:

  • absolute ontkoppeling van het verband tussen economische groei en energieverbruik binnen het huidige systeem door middel van technologie (aflevering 8 en 9)
  • overgaan op onstoffelijke in plaats van stoffelijke consumptie (al of niet in combinatie met de eerste uitweg)
  • overgaan naar een systeem zonder groeidwang, dat wil zeggen een heel ander systeem dat gebaseerd is op ecologische grenzen, òf de ineenstorting van het huidige ondergaan.

Het laatste punt vergt een paradigmawijziging. (Daarover nog wat in aflevering 37, maar voor de rest laat ik de vraag hoe dit bereikt kan worden in dit artikel verder rusten.)

Harvey behandelt de tweede uitweg in zijn artikel ‘Eindeloze groei’. Hij zegt daarover onder meer: ‘Theorieën die gestoeld zijn op een radicale verschuiving van stoffelijke naar onstoffelijke productie propageren de gevaarlijke misvatting dat eeuwige exponentiële groei zonder al te veel materiële moeilijkheden geabsorbeerd kan worden.’

Die groei zou in de financiële sfeer kunnen liggen. Harvey stelt vast dat de hoeveelheid fictief kapitaal die in circulatie is almaar toeneemt, en het scheppen van elektronisch geld in principe onbeperkt is (het zijn maar getallen op een beeldscherm). Maar het feit dat hier geen limiet gesteld wordt aan een onbelemmerde groei, schept de gevaarlijke contradictie dat geld, dat geacht wordt de waarde van producten aan te geven, zelf een product wordt om waarde mee te scheppen.* En geld kan nu eenmaal niet twee dingen tegelijk zijn. Daarmee valt fictief kapitaal als mogelijkheid af.

Ook kan die groei in de sfeer van de onstoffelijke consumptie liggen. Harvey zegt daarover: ‘De spektakel- en kenniseconomie als vormen van kapitaalvalorisatie dringen de toename van de vraag naar materiële goederen en diensten zonder meer terug. Maar de grootschalige fysieke infrastructuur die hiervoor nodig is, (…) pleit tegelijk tegen het idee dat de productie ooit geheel onstoffelijk kan verlopen.’ Harvey stelt, een beetje langs zijn neus weg, dat onstoffelijke productie (juist wel) ‘steeds meer’ energie kost.

Je hoeft bijvoorbeeld maar één film te maken en die kan dan inderdaad door talloze mensen bekeken worden zonder dat er verder ‘productie’ vereist is; maar dat bekijken kost wel energie en dat wordt vaak genegeerd. Bovendien komt zulke consumptie altijd bovenop de voorziening in de eerste levensbehoeften; het gaat er nooit aan vooraf. En dat betekent dat mensen met een laag inkomen er het geld niet voor hebben (denk hier even mondiaal), zodat onstoffelijke consumptie er, aldus Harvey, slechts voor een relatief klein deel van de bevolking is. Voor het overige blijft het consumeren zoals we dat al gewend zijn, zodat deze vorm van consumptie hooguit een wat minder uitbundige economische groei oplevert. (Vergelijk dit ook met wat in aflevering 20 behandeld wordt.)

De tweede uitweg is dus geen uitweg.

Tim Jackson toont in de volgende aflevering waarom absolute ontkoppeling per definitie onmogelijk is.

Ontkoppeling kan eigenlijk alleen door grotere efficiëntie, want welvaartsgroei willen we niet opgeven en de bevolkingsgroei hebben we niet in de hand.* De winst bij technologie moet dus groter zijn dan de optelsom van de bevolkingsgroei en de inkomensgroei. Anders is er geen sprake van absolute maar van relatieve ontkoppeling.

Hoe verhoudt zich dit tot de mondiale CO2-uitstoot in het recente verleden? (Bedenk hierbij dat Jackson de periode 1990-2007 bekijkt.) Hij schrijft:

De koolstof-intensiteit is sinds 1990 dankzij de technologie mondiaal gemiddeld met 0,7% per jaar gedaald. Dat is goed, maar niet goed genoeg. De omvang van de bevolking is namelijk gestegen met 1,3% per jaar en het gemiddeld inkomen per hoofd steeg (in reële waarden) over dezelfde periode met 1,4% per jaar. De efficiëntiewinst heeft dus zelfs de groei in bevolking niet gecompenseerd, laat staan de groei in inkomens. In plaats daarvan is de CO2-uitstoot gemiddeld met 1,3 + 1,4 – 0,7 = 2% per jaar gegroeid, wat over 17 jaar leidt tot bijna 40% hogere emissies.

Hoe haalbaar is het dan om de CO2-uitstoot in de toekomst los te koppelen van de groei? Het vierde rapport van het IPCC denkt dat een stabilisatie van het CO2-gehalte op 450 ppm bereikt wordt door het verminderen van de mondiale CO2-uitstoot tot onder de 4 miljard ton per jaar tegen 2050 of spoedig daarna. Dit halen zou neerkomen op het jaarlijks verminderen van de emissies met gemiddeld 4,9% per jaar tussen nu en 2050.*

Maar de groei in inkomen en mondiale bevolking werkt dit juist tegen. Volgens de middenraming van de Verenigde Naties (VN) zal de wereldbevolking tegen 2050 9 miljard mensen tellen – een gemiddelde groei van 0,7% per jaar. Blijven de technische zaken zoals ze nu zijn, dan compenseert de technologische daling in koolstofintensiteit net zo’n beetje de groei van de bevolking en zal de CO2-uitstoot ongeveer blijven groeien met het tempo van het gemiddelde inkomen: 1,4% per jaar. Dat lijkt misschien niet veel, maar tegen 2050 groeit (vanaf 2007 gerekend) onder deze aanname de CO2-uitstoot dan met 80%. Niet helemaal wat het IPCC graag wil.

Om een gemiddelde jaarlijkse vermindering van emissies van 4,9% te bereiken bij 0,7% bevolkingstoename en 1,4% inkomensgroei, moet de technologiewinst verbeteren met ongeveer 4,9 + 0,7 + 1,4 = 7% per jaar – bijna tien keer sneller dan nu. Tegen 2050 zou de gemiddelde koolstofinhoud van de economische productie minder dan 40 gr. CO2/$ moeten zijn, een 21-voudige verkleining van het huidige wereldgemiddelde (uitgaande van ‘IPCC-scenario 1’: 9 miljard mensen bij een trend van gangbare inkomensgroei).

Het zou best nog moeilijker kunnen worden dan dit. In de hoogste schattingen van de VN telt de wereldbevolking rond 2050 11 miljard mensen. Een normale economische ontwikkeling zou dan de CO2-uitstoot meer dan verdubbelen ten opzichte van 2007. Onder die omstandigheden moet de koolstofintensiteit van de productie tot onder de 30 gr. CO2/$ geduwd worden, waarvoor nog meer technologische verbetering nodig zou zijn (uitgaande van ‘IPCCC-scenario 2’: 11 miljard mensen bij een trend van gangbare inkomensgroei).

Dit zijn onmogelijke hordes om te nemen en daarmee zijn we er nog niet.

Bij wenselijke economische omstandigheden is de inkomensgroei in de ontwikkelde landen een stabiele 2%, terwijl de rest van de wereld zijn best doet om de achterstand in te halen. Voorlopig maken China en India grote sprongen vooruit met 5 à 10% groei per jaar, terwijl Afrika, Zuid-Amerika en delen van Azië nog tientallen jaren in stagnatie kunnen kwijnen. In de meeste van de scenario’s die dit verdisconteren, zouden zowel de inkomens als de koolstofvoetafdruk van de ontwikkelde landen in 2050 een orde van grootte hoger zijn dan die van de armste landen.

Stel dat we werkelijk ernst zouden willen maken met een eerlijke verdeling. En dat we ernaar streven dat alle 9 miljard mensen op de wereld een inkomen gaan genieten dat vergelijkbaar is met dat van de EU burgers vandaag de dag. Dan zou de economie tussen nu en 2050 zes keer groter moeten worden en inkomens zouden met gemiddeld 3,6% per jaar moeten stijgen. Om dán nog het doel van het IPCC uit 2007 van een CO2-gehalte van de atmosfeer van 450 ppm te halen, moet de koolstofintensiteit van de productie de komende veertig jaar met 9% per jaar omlaag. Dan zou de koolstofintensiteit in 2050 55 keer lager moeten zijn dan in 2009, namelijk 14 gr.CO2/$ (uitgaande van ‘IPCC-scenario 3’: 9 miljard mensen met inkomens op het EU 2007-niveau).

En dit scenario houdt nog niet eens rekening met inkomensgroei in de ontwikkelde landen. Stel je eens een scenario voor waar overal het inkomen met 2% per jaar stijgt uitgaande van het huidige EU-inkomen. Dan gaat de wereldeconomie naar het 15-voudige groeien en moet de koolstofintensiteit ieder jaar met 11% omlaag. Dan zou in 2050 de CO2-inhoud van iedere dollar niet meer dan 6 gr.CO2/$ mogen zijn. Dat is bijna 130 keer zo klein als de gemiddelde koolstofintensiteit vandaag de dag (uitgaande van ‘IPCC-scenario 4’: 9 miljard mensen met inkomens op het EU 2007-niveau en 2% groei per jaar).

Als de groei na 2050 bovendien wil doorgaan dan moet natuurlijk ook de efficiëntie blíjven verbeteren. Met een groei van 2% per jaar van 2050 tot het eind van de eeuw zal de economie in 2100 40 keer zo groot zijn als die van vandaag. Dan kan alleen een nagenoeg volledige ‘ontkoling’ van iedere dollar ons nog de IPCC-doelstelling laten realiseren. Onder een paar stringentere stabilisatiescenario’s zullen we tegen 2100 zelfs koolstof uit de atmosfeer moeten halen. Dan moet de koolstofintensiteit van elke dollar economische productie onder het nulpunt dalen!

Om wat voor economie gaat het dan? Hoe ziet haar consumptie- en investeringspatroon eruit? Waar draait ze op? Wat houdt haar op de been? Hoe produceer je economische waarde door CO2 uit de atmosfeer te halen?

Eén ding is duidelijk: het zal een volstrekt ander soort economie zijn dan de huidige die zich juist in stand houdt door meer en meer CO2 uit te stoten. Dat betekent dat we eigenlijk automatisch uitkomen bij mogelijkheid 3 uit aflevering 6: overgaan naar een ander systeem, of de ineenstorting van het huidige accepteren.

Tenzijde: Wie denkt dat de conclusie van Tim Jackson van 2007 intussen misschien achterhaald is, wijs ik graag op het rapport Decoupling Debunked van juli 2019 van het European Environmental Bureau.* De conclusie is ook daar ondubbelzinnig: economische groei zonder meegroeiende milieudruk is uitgesloten, nu en ook in de toekomst. Het idee van groene groei is een fata morgana.

En dan moeten we nog kijken naar het neoliberalisme, de diepe kloof tussen arm en rijk en de aard van het internetverdienmodel. Maar eerst nog iets over de jaren na de Tweede Wereldoorlog: wat voor economie was er toen?

Als je een oude vent wordt zoals ik, weet je nog dat het ook anders kon. En het is misschien goed daarvan een paar dingen in herinnering te roepen. Ten eerste om te laten zien dat het ook anders kán – de economie draaide van 1955-1970 prima. En ten tweede om te beseffen dat onze positie om de klimaatcrisis te voorkomen intussen veel slechter is geworden.

De Nederlandse staat (en sommige gemeenten) verzorgde toen allerlei voorzieningen die later geprivatiseerd zouden worden: gas, elektriciteit, telefoon, vervoersdiensten – het waren allemaal overheidsbedrijven. Vrijwel iedereen had een girorekening en een telefoonabonnement bij de PTT.* Vrijwel iedereen verplaatste zich met de NS of bussen of trams van de gemeente, want auto’s waren er nog weinig. De Staatsmijnen, de KLM en Hoogovens waren staatseigendom.

Behalve dat, ging er veel meer coöperatief. Zo had in de vakbeweging de NVV een handelsbank en de NKV een spaarbank.* Bij de Rabobank hadden de leden nog echt invloed, net zoals bij tal van andere instellingen en verzekeringsmaatschappijen.

Het toptarief van de inkomstenbelasting was in 1964 72%. (Het daalde in 1990 naar 60% en is nu 51,75% (vanaf € 68.508). Het gedeelte van het nationaal inkomen waar de overheid met haar uitgaven beslag op legde, groeide van 10% rond 1900 naar 27% in 1950, 32% in 1970, 40% in 1980. Met de opkomst van de wijdvertakte verzorgingsstaat kwamen er niet alleen meer ambtenaren, ook werden steeds meer particuliere organisaties door de overheid gefinancierd, bijvoorbeeld ‘bedrijven om de bedreigde werkgelegenheid op peil te houden, woningbouwverenigingen om de woningnood te bestrijden, stichtingen en verenigingen voor maatschappelijk werk om individuele noden te lenigen en beschaving en burgerzin te verbreiden, sportorganisaties en recreatieve verenigingen om ontspanning en welzijn te bevorderen, organisaties op literair en artistiek gebied om bij te dragen tot de bloei van het culturele leven.’*

Deze beschrijving maakt duidelijk dat Nederland in de fase van de cyclus verkeerde – zoals Bas van Bavel die beschrijft – waarin een zeker machtsevenwicht tussen de diverse economische partijen leidt tot economische bloei. Die bloei doet de behoefte ontstaan aan factormarkten (een financiële markt, een arbeidsmarkt en een grondmarkt, die tot dan toe nog weinig ontwikkeld zijn).* Volgens Van Bavel bewerkstelligen factormarkten weliswaar flexibiliteit en mobiliteit, maar behalve in de eerste fase van deze markten, zorgen ze nauwelijks voor echte economische groei. Een onvermijdelijk gevolg is wel het ontstaan van marktelites. Die maken gebruik van de markt om hulpbronnen te vergaren en deze winstgevend te maken, waardoor deze groep mensen economisch steeds rijker en machtiger wordt. Deze rijkdom zetten ze vervolgens in voor politieke invloed en macht. Daardoor raken de markten feitelijk verstoord en wel op zo’n manier dat nog meer macht en rijkdom naar een steeds kleiner wordende elite vloeit. Deze gang van zaken is universeel en onomkeerbaar.

Hoe ging het met Nederland?

Deze polarisatie in de economische cyclus op het vlak van rijkdom en politieke slagkracht leidt in het algemeen tot verkalking van markten, tot uitbuiting en diepe armoede bij de massa. De elite doet er alles aan haar macht en rijkdom te behouden en te beschermen. De verstarring die dat oplevert is fnuikend voor de economie. Tenslotte stort het systeem in. Deze fase kan gerust honderd jaar duren, maar de neergang is volgens Van Bavel onafwendbaar.

Je zou op grond van de beschrijving van de Nederlandse situatie in aflevering 9 verwachten dat we vanaf de jaren ’60 een heel geleidelijke groei van de factormarkten zouden meemaken. Maar in de jaren ’80 raakte Noordwest-Europa, inclusief Nederland, in hoog tempo gekoppeld aan de cyclus van de Verenigde Staten en die was veel verder in zijn ontwikkeling. Met geleidelijkheid was het gedaan.

We stapten snel over op een meer Angelsaksische organisatie van economie en maatschappij. Veel van wat gezamenlijk bezit of coöperatief was, werd geprivatiseerd of ontmanteld. De financiële markten werden gedereguleerd. Dit leidde wereldwijd tot een explosie van nieuwe financiële instrumenten, van nieuwe markten, en van uiterst geraffineerde en complexe financiële systemen, die steeds meer op wereldschaal opereren, ongehinderd door nationale grenzen.

Deze gigantische groei van financiële markten vertaalde zich ook in politieke invloed. Vlak voor de financiële crisis van 2008 bezat de rijkste 1% maar liefst 42% van de Amerikaanse overheidsschuld (en die crisis is door hen juist gebruikt om hun rijkdom nog veel verder te vergroten).

Bij ons werden steeds meer bankiers in directies en raden van commissarissen benoemd, zodat de belangen van het bedrijfsleven steeds meer samenvielen met die van de financiële sector. Het aandeelhoudersbelang won het van het bedrijfsbelang op de lange termijn, om van het werknemersbelang en zelfs van het algemeen belang maar te zwijgen.

Alle belemmeringen die een volstrekt vrije werking van de markten voor grond, arbeid en kapitaal nog in de weg konden staan, werden gesloopt. Zo gingen we over op de Angelsaksische regels van accountancy. Die regels leggen een zwaarder accent op het beschermen van investeerders, bieden financiële partijen meer invloed en snijden de banden tussen financiële verslaglegging en belastingaangifte door. Zo werd het voor belastingdiensten veel moeilijker om vermogensbelasting te heffen en ligt nu de nadruk op het innen van omzet- en inkomstenbelasting. Dividendbelasting is lager en lager geworden. En de allerrijksten weten zich met belastingbox 2 èn met behulp van hun fiscale raadgevers bijna helemaal aan de belastingen te onttrekken.

En wat er bij de rijksten bijkomt, gaat er af bij de onderste 80%.

En nu zijn we ook nog het machteloos slachtoffer geworden van een nieuwe ontwikkeling, die van het surveillancekapitalisme, een gevolg van de komst van het internet.*

Dit is niet bepaald een constellatie om gezamenlijk de klimaatcrisis te lijf te gaan. Dat zou in de jaren ’50 en ’60 beter gelukt zijn.*

Met de komst van het neoliberalisme is het denken in economische termen allesoverheersend geworden. En dat schept ernstige tekortkomingen voor de manier waarop tegen het klimaatprobleem wordt aangekeken. Dit zijn er drie:

  • De toekomst wordt in dat paradigma ernstig ondergewaardeerd.
  • Het belang van de voedsel-, energie- en grondstoffenvoorziening wordt stelselmatig veronachtzaamd.
  • Men vertrouwt op versimpelende, lineaire modellen voor het in kaart brengen van complexe, non-lineaire problemen.

De Amerikaan William Nordhaus, de invloedrijke winnaar van de ‘Nobelprijs’ voor economie 2018, doet hieraan volop mee. Hij ontwikkelde een model om te berekenen bij welke temperatuurstijging de economische kosten en baten het best in evenwicht zijn.*

Laten we beginnen met dat ‘afprijzen’ van de toekomst.* Dat werkt als een soort omgekeerde rente. De gedachte erachter is als volgt. Als je nu 100 euro investeert met een winst van 4,5%, heb je volgend jaar 104,50 euro. Daarom is de waarde van 100 euro nu hoger dan de waarde van 100 euro die je volgend jaar hebt. Oftewel, geld in de toekomst heeft minder waarde dan nu, en daarmee heeft de toekomst zelf minder waarde dan het heden.

Die 4,5% komt niet uit de lucht vallen. Dat is het percentage dat Nordhaus hanteert voor zijn berekeningen.* Deze aanpak heeft een schrikbarende uitkomst. Nordhaus vindt op grond daarvan de kosten voor het klimaatbeleid alleen verantwoord als de baten ervan over vijftig jaar ruim acht keer groter zijn dan die kosten nu. En als je vooruitloopt op problemen van over honderd jaar, zoals zeespiegelstijging, dan moeten de baten ruim zestig keer hoger zijn dan de kosten nu. Nordhaus vindt daarom de economische kosten van grootscheepse emissiereductie nú niet opwegen tegen de te verwachten klimaatbaten later.

Kun je zo’n houding wel aannemen bij een existentiële crisis? Je zou denken dat ook de belangen van de jongste en toekomstige generaties meewegen. Om die reden maakt de Britse econoom Nicholas Stern een onderscheid tussen een ethisch en economisch percentage en hanteerde hij in de Stern Review on the Economics of Climate Change (Cambridge University Press, 2007) een percentage van slechts 1,5.*

Nordhaus heeft ook een blinde vlek voor de fysische basis van de economie, het tweede punt dat boven genoemd wordt. Zo schreef hij in 1991 in Science: ‘Landbouw […] beslaat slechts 3% van het [Amerikaanse] bbp. Het is dus ondenkbaar dat [de gevolgen van klimaatverandering op dit punt] een groot effect zullen hebben op de Amerikaanse economie.’* Hij veronachtzaamt niet alleen dat voedsel onontbeerlijk is, en dat zonder voedsel er van die andere 97% van het bbp weinig overblijft. Hij ‘prijst’ meteen ook de belangen af van de armen in de samenleving die dan hun eten niet meer kunnen betalen. Hun bijdrage aan het bbp is immers ook te gering om ons druk over te maken.

Het grootste probleem van het werk van Nordhaus schuilt echter in zijn model. En daarvoor krijgt hij juist de meeste lof toegezwaaid.

In zijn Nobelprijslezing toont de eerste dia meteen de belangrijkste bevinding van Nordhaus, namelijk dat de optimale curve van zijn model halverwege de volgende eeuw een temperatuurstijging oplevert van vier graden boven pre-industrieel niveau.* Die optimale curve is de curve waarin de kosten van maatregelen nu om klimaatverandering in de toekomst te voorkomen in evenwicht zijn met de economische kosten van later ten gevolge van die klimaatverandering. Vier graden temperatuurstijging, dat is de beste uitkomst bij Nordhaus.*

Hoe kan een mondiale temperatuurstijging van vier graden ooit een optimale uitkomst zijn, vraagt collega-econoom Steve Keen* zich vertwijfeld af. En hoe is het mogelijk dat een dergelijke stijging slechts gepaard gaat met een wereldwijd bbp-verlies van 3,5%, zoals Nordhaus in zijn artikel ‘Revisiting the social cost of Carbon’ (PNAS, 14 feb. 2017) stelt?

In hetzelfde artikel claimt Nordhaus zelfs dat een temperatuurstijging van zes graden zich slechts vertaalt in een bbp-daling van 8,5%. De laatste keer dat we op aarde zo’n temperatuur meemaakten ging grofweg 90% van alle leven teloor.

Hoe moeten we dat met elkaar rijmen? Het is allemaal mogelijk dankzij het wiskundige model DICE (Dynamic Integrated model of Climate and the Economy) dat Nordhaus ontwikkelde. De mathematische basis van DICE bestaat uit een tweetal standaardmodellen.* Nordhaus’ toevoeging bestaat uit de introductie van een ‘schadefunctie’ die de temperatuurstijging koppelt aan een mondiale bbp-daling; plus een ‘reductiefunctie’ die de relatie in kaart brengt tussen de kortetermijnkosten van ingrijpen nu en de langetermijnkosten van niets doen; en dan nog twee functies die de relatie beschrijven tussen economische groei en CO2-stijging, en tussen CO2-stijging en de stijging van de mondiale temperatuur. *

In die schadefunctie zit het grootste probleem. Het klimaat en de economie zijn beide complexe systemen. De manier waarop die op elkaar inwerken zit vol kantelpunten en verrassingen. Toch kiest Nordhaus ervoor om deze complexe relatie in een eenvoudige kwadratische functie te vangen, waarin kantelpunten, of een totale ineenstorting van de economie, simpelweg niet voor kunnen komen.

Nordhaus verantwoordt dat zijn model geen rekening houdt met drempels of kantelpunten met de verwijzing naar een enkele studie. Maar die studie van Lenton et al. stelt helemaal niet dat kantelpunten niet bestaan. Ze stelt alleen dat ze nog niet afdoende gelokaliseerd zijn. In hun conclusie nemen de auteurs van deze studie nota bene expliciet stelling tegen ‘soepele projecties’ die het bestaan van kantelpunten negeren en de samenleving met een onterecht gevoel van veiligheid in slaap sussen.*

Als zulk denken een Nobelprijs waard is, hoe kunnen wij de economen dan nog de zorg over ons klimaat toevertrouwen? En daarmee zijn we er niet. Want niet alleen verspelen de economen van het neoliberalisme onze toekomst, met de komst van het internet leveren we ook zelf een groot deel van onze persoonlijke zelfstandigheid in het algemeen, van onze agency in, en daarmee van onze invloed op het aanpakken van het klimaatprobleem. Daarover gaan de afleveringen 13-19.

Voor het handhaven van de status quo is in het gevestigde economische denken kennelijk alles geoorloofd.

Bijna gelijk met het neoliberalisme kwam ook het internet op. Het internet zou een geheel nieuwe publieke ruimte scheppen. Open en democratisch. Maar het liep anders. Jan Kuitenbrouwer beschrijft hoe kapitaal en commercie het internet koloniseerden. Hij doet dit met behulp van begrippen van Jürgen Habermas.*

Jürgen Habermas laat zien hoe – ver voor de komst van het internet – de ‘publieke sfeer’, die machtsvrije debatcultuur in de negentiende en twintigste eeuw, geleidelijk aan gekoloniseerd werd door een commerciële mediacultuur en het politiek-economische krachtenveld. De massamedia evolueerden tot kapitalistische organisaties. Hun rol in het publieke debat verschoof van het verspreiden van betrouwbare informatie tot het kneden van de publieke opinie.

En toen was er ineens een volledig nieuwe publieke ruimte, open, democratisch en egalitair – het internet. Deze digitale ruimte kon volgens de pioniers van het internet het nieuwe, wereldwijde koffiehuis worden voor rationeel-kritisch debat. Zij zagen het internet als een op zichzelf staande democratie, met een eigen ‘soevereiniteit’. Vrijwel iedereen in en rond Silicon Valley geloofde dit in die beginjaren. Sterker, je kón het internet niet eens reguleren. Dat was de heersende opinie.

Toch zou ook dit nieuwe domein gekoloniseerd worden door kapitaal en commercie, en nog wel in veel sterkere mate dan het ‘oude’ mediabestel. Van een funky tegencultuur van geeks en nerds groeide het internet uit tot het centrale zenuwstelsel van de wereld en het grootste economische machtsblok aller tijden, in handen van een handvol multimiljardairs in een voormalige pruimenboomgaard in Californië. Het is een systeem waarvan de werking geheim is en waarop wij als burger geen invloed hebben. Het is een datadictatuur (maar niet van de staat).

Het internet blijkt trouwens heel goed technisch controleerbaar door de staat. Het is immers een weefsel van lijnen. En lijnen kun je doorknippen. China hééft het internet al onder controle. ‘Gevaarlijke’ diensten worden geblokkeerd en zonodig vervangen door een staatsgecontroleerd alternatief, zoals Weibo, het Chinese Twitter, en Renren, een soort Facebook.

Het internet begon dus als een ‘sociaal-technologisch experiment’. En om dat experiment te beschermen werd er in het Westen een hek omheen gezet: ‘Verboden voor big business, verboden voor big brother.’ Juist door deze status aparte heeft het digitale domein zich ‘onder de radar’ kunnen ontwikkelen tot de datadictatuur die het nu is. Dat politieke reclame op internet bijvoorbeeld zo’n hoge vlucht heeft genomen, is precies omdat er, in tegenstelling tot in de gewone wereld, geen regels voor zijn.

Hoe ging die ontwikkeling in zijn werk en waar zijn we inmiddels aanbeland?

Het internet eiste bij de overheid totale vrijheid. Online reclame werd voorgesteld als reclame zoals met de bedrukte ballpoint. De maker van de ballpoint hoeft geen verantwoording af te leggen voor de inhoud of de benutting ervan. Hij staat daar buiten.

Het internet kreeg juridisch dezelfde vrijstelling als die ballpointmaker. Dat maakte de weg vrij voor de zogeheten dark post, niet-identificeerbare propaganda-uitingen op internet. Langs die weg kon het Kremlin zich met de Amerikaanse verkiezingen bemoeien. Zo ontstond het Cambridge Analytica-schandaal, dat leidde tot het onderzoek van speciaal aanklager Robert Mueller.

De internetindustrie onttrekt zich voortdurend aan publieke controle en stelt zijn eigen wetten. In de gewone wereld is anonimiteit taboe, op internet is het normaal. Een krantenbedrijf dat meer dan 50% marktaandeel verwerft, krijgt met een mededingingsautoriteit te maken. De grote internetbedrijven hebben marktaandelen van 70, 80, soms meer dan 90%. De tycoons van Silicon Valley kopen halve woonwijken op om hun privacy te waarborgen en bewaken hun copyrights en patenten met legers advocaten, maar uw privacy en het auteursrecht interesseert ze niets. Achter dat hek rond Silicon Valley – ‘Verboden voor overheid en grootkapitaal’ – groeide iets dat zich dertig jaar later misschien nog het best laat omschrijven als een mutatie van die twee: big business en big brother in één.

Het gevolg: een uitholling van de film- en muziekindustrie door digitale piraterij, verborgen politieke manipulatie door troll farms en keyboard armies, polarisatie door een verruiging van het publieke debat en allerlei vormen van online wangedrag, inclusief haat- en lastercampagnes die levens kosten.

Er is, vindt Habermas, sprake van ‘een vorm van her-feodalisering’. Eerst was er alleen een vorst, wiens communicatie met het volk uitsluitend bestond uit het etaleren van zijn macht, zodat mensen geen gekke ideeën kregen. ‘Publieke opinie’ bestond niet. Toen kwam de constitutionele democratie, met vrije meningsvorming in de boezem van de bourgeoisie. Dat was het koffiehuis waar vrij gedebatteerd kon worden. En daarna kwam de huidige media-industrie: de macht debatteert niet, de macht manipuleert consensus, zodat – opnieuw – mensen geen gekke ideeën krijgen. Een nieuwe vorm van feodalisme.

Het is geen toeval dat die term in de discussie over het internet ook geregeld valt. De techtycoons zijn de grootgrondbezitters van nu. Cyberspace is van hen, wie daar iets wil, moet betalen. Met geld, met data of met aandacht. Politiek vinden zij overbodig. Het liefst beginnen zij hun eigen staat.

Valt het u ook op dat grootgrondbezitters renteniers zijn? En is dit het hele verhaal, of is er nog een andere kant? En maakt dat wat uit voor de gevolgen?

Bij alle aandacht voor de techgiganten blijft de rol van de gebruiker onderbelicht, stelt de filosoof Hans Schnitzler. Met de benadering van Jürgen Habermas ontstaat er een blinde vlek voor de diepere drijfveren van menselijk technologiegebruik. Ik neem zijn aanvulling op Jan Kuitenbrouwer hier letterlijk over:*

Er is een fundamentele bezinning nodig op de relatie tussen de mens en zijn technologieën: aan welke dieperliggende behoefte beantwoordt ons verblijf in cyberspace?

De techniekdenker Bernard Stiegler grijpt in Tecnics and Time terug op de Prometheus-mythe om te laten zien dat we gemankeerde wezens zijn, niet in staat om te overleven zonder techniek. Om onze ziel te redden schonk Prometheus ons het vuur – symbool voor technologisch vernuft. Je zou kunnen zeggen dat de mens invalide ter wereld kwam en aangewezen was op ‘techniekprothesen’, die zijn gemis aan natuurlijke kwaliteiten om te overleven, moeten maskeren én compenseren.

Zo hebben we onze gebrekkige spierkracht uitbesteed aan de lopende band, ons tekort aan oriëntatievermogen aan gps-systemen en onze beperkte breinkracht aan slimme machines. Daar blijft het niet bij. Google zorgt ervoor dat de mens nooit meer om een antwoord verlegen hoeft te zitten, terwijl Facebook, WhatsApp en Tinder zelfs menselijke beperkingen in ruimte en tijd opheffen – sociale contacten of sekscontacten laten zich met een paar swipe-bewegingen tevoorschijn toveren. Aldus wordt een religieus motief nieuw leven ingeblazen: ‘zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal worden opengedaan.’

Prometheus toont hoe technologie sterfelijke wezens in tovenaarsleerlingen verandert. Met ongekende mogelijkheden én het risico van hoogmoed. Inderdaad overspeelt de mens met regelmaat zijn hand. Zo worstelen we nog steeds met de neveneffecten van de industriële revolutie en worden de schaduwkanten van de digitale revolutie nu zichtbaar. Uiteraard betekent dit dat we de macht van techmonopolies moeten inperken, zoals Kuitenbrouwer suggereert. Maar we moeten ook erkennen dat het verlangen om de menselijke natuur te herscheppen en aan onze wensen aan te passen, diepgeworteld is. De Silicon Valley-industrie komt hieraan tegemoet.

Dat de omstandigheden in cyberspace ten koste gaan van een gezond democratisch en publiek leefklimaat, is evident. Maar door de schuld al te eenzijdig bij de bouwers van onze digitale infrastructuur te leggen, dreigt de belangrijkste vraag uit beeld te raken, namelijk: hoe gehandicapt durft de swipende datamens eigenlijk te zijn? Had Kuitenbrouwer dit perspectief in zijn analyse betrokken, dan had de kop boven zijn stuk ook kunnen luiden: ‘Als we de mens vrijlaten, neemt het internet hem gevangen.’

Als we ons zo gemakkelijk uitleveren, waar eindigt dat dan?

Waren we in het ‘gewone’ kapitalisme behalve arbeiders en burgers bovendien consumenten, nu zijn we ook de grondstof geworden voor de productie.

We zijn eraan gewend geraakt te horen dat onze gedragsdata helpen om producten of diensten te verbeteren, waar wij dan van profiteren. Maar de reden waarom nu alle gegevens over ons interessant zijn, is een andere. Ons hele hebben en houden dient in het nieuwe surveillancekapitalisme als grondstof.* Deze grondstof wordt omgezet in gedragsdata. Deze gegevens over hoe wij ons gedragen worden nu verwerkt tot voorspellingsproducten. Die voorspellingsproducten lopen vooruit op wat je nu, straks en later zult doen. De voorspellingsproducten worden op de markt gebracht. De inzet op deze nieuwe markt is het verwachte gedrag. Er zijn heel veel bedrijven die dolgraag willen weten wat wij in de toekomst gaan doen. Het gevolg is dat de aanbieders van de voorspellingsproducten geweldig rijk worden van deze handel.

De stevige concurrentie op deze nieuwe markten zorgt ervoor dat surveillancekapitalisten steeds meer bronnen voor het voorspellen van ons gedrag proberen te verwerven. Ze willen nu ook ons stemgeluid, onze persoonlijkheid en onze emoties. De surveillancekapitalisten hebben ontdekt dat ze de meeste voorspellingsproducten binnenhalen als ze ons doen en laten een beetje bijsturen, ons zo nu en dan een duwtje in de rug gegeven, zodat wij zijn afgestemd op de manier die zij graag willen dat wij het doen. In hun onderlinge concurrentie produceren de surveillancekapitalisten dus een geautomatiseerd machinewerk dat niet alleen ons gedrag kent, maar ook ons gedrag vorm geeft.

Dit is een verschuiving van kennis naar macht. Het gaat er niet langer om de informatiestromen over ons te automatiseren; het doel is nu om onszelf te automatiseren.* Deze macht kent en kneedt menselijk gedrag naar de wensen van anderen. We worden deze keer niet veroverd met wapens en legers, het gebeurt met het automatisch werkende medium van een steeds alomvattender netwerkarchitectuur van ‘slimme’ apparaten, spullen en ruimtes.

Dit is nu al zo alomvattend dat je er moeilijk buiten kunt blijven. Je gegevens worden zonder enig mededogen ingepikt. Zo is het surveillancekapitalisme uitgelopen op het tegenovergestelde van wat men rond het jaar 2000 nog verwachtte, die open en egalitaire, nieuwe publieke ruimte voor rationeel-kritisch debat.

Het surveillancekapitalisme is integendeel pure commercie geworden. In haar kern is het parasitair en spiegelt het zich uitsluitend aan zichzelf. Dat doet denken aan het oude beeld van het kapitalisme van Marx: dat van de vampier. Alleen wordt nu niet de arbeider uitgezogen, maar vormt ieder aspect van ons dagelijks leven het bloed voor de vampier die het surveillancekapitalisme is.

Het raadsel hoe wij ons maatschappelijk systeem kunnen aanpassen zodat we kans maken de klimaatcrisis te overleven, wordt met deze nieuwe ontwikkeling alleen nog maar groter.

Google is de pionier van het surveillancekapitalisme. Dit bedrijf lanceerde een ongekende marktoperatie om de onbekende gebieden van het internet te ontdekken. Google ging aan de gang, onbelemmerd door regelgeving of concurrenten, net als een invasieve soort die een land zonder vijandige roofdieren aantreft. De bedrijfsleiders stuurden de systemische samenhang van hun ondernemingen zo ongekend snel voorwaarts dat publieke instellingen noch individuele personen dit konden volgen.

Daarbij profiteerde Google van gebeurtenissen als de aanval op de twin towers. Die daad maakte dat de veiligheidsdiensten zich gingen richten op de emergerende capaciteiten van het surveillancekapitalisme. Deze veiligheidsdiensten beschermden deze capaciteiten ervan juist en aapten ze na om zelf ook maar zoveel mogelijk te weten te komen. Het was de lokroep van zekerheid in onzekere tijden.

De surveillancekapitalisten hadden al snel door dat ze konden doen wat ze wilden. En dat deden ze dan ook. Ze deden zich voor als behulpzaam en emanciperend. Ze gingen in op de angsten van deze tijd en buitten die uit, terwijl het echte werk achter de schermen plaatsvond. Het was alsof ze een onzichtbaar makende mantel droegen die uit gelijke delen bestond van de beeldspraak van hoeveel het web ons te bieden had en de geweldige snelheid die het bood.

Hun vertrouwen in de geweldige inkomsten die het ging opbrengen en het wilde, onbeschermde karakter van het gebied dat ze gingen veroveren en het hunne maken, deden de rest. De onbegrijpelijkheid die de geautomatiseerde processen die zij beheersen eigen is, de onkunde die deze processen kweken en het gevoel van onvermijdelijkheid dat ze cultiveren, dit alles beschermde de surveillancekapitalisten.

De grote internetbedrijven mikten met hun voorspellingsproducten eerst op de verkoop van online advertenties, net als veel andere bedrijven in navolging daarvan doen met het volgen van ons browsen, liken en aanklikken. Maar hun onderlinge strijd daarover geeft geen goed beeld meer van de huidige situatie.

De arena van onderlinge concurrentie heeft zich uitgebreid tot in de offline-wereld. Daar worden de voorspellingsproducten nu uit ons gedrag gepeurd als we joggen, met elkaar praten bij het ontbijt, of zoeken naar een parkeerplaats. De markt voor voorspellingsproducten gaat verder dan op ons toegesneden online advertenties, en breidt zich uit naar allerlei andere sectoren, waaronder verzekeringen, het winkelbedrijf, financiële dienstverlening en almaar meer goederen en diensten van bedrijven die ons in deze nieuwe, winstgevende markten willen bedienen.

Of het voor een ‘slim’ apparaat is, voor een of andere ‘dienst op maat’, of een van die duizenden andere transacties die we met zijn allen aangaan, we betalen er nu voor om ons te laten overheersen. Moeten degenen die we betalen dan ook de klimaatcrisis maar oplossen?

Het draait feitelijk niet om de producten en diensten van het surveillancekapitalisme. Het gaat niet om een klassieke ruil van het een voor het ander – zij mijn geld, ik hun product. De wederzijdse constructieve producent-consument-verhouding is vervangen door producten en diensten die ons ‘weerhaken’, die ons als gebruikers in de inhalige handelwijzen van bedrijven lokken, waar onze persoonlijke ervaringen worden opgeschraapt en verpakt als een middel tot hún doelen.

We zijn niet de ‘klanten’ van het surveillancekapitalisme. Het gezegde ‘als het gratis is, ben jij het product’ klopt ook niet. Wij zijn de bronnen van de cruciale meerwaarde van het surveillancekapitalisme: de voorwerpen van een technisch geavanceerde en steeds onontkoombare grondstofwinningsoperatie. De echte klanten van het surveillancekapitalisme zijn de bedrijven die handel drijven op de markten van de voorspellingsproducten.

Deze logica verandert ons normale leven in de dagelijks ververste versie van een verdrag met de duivel, een faustiaans pact. Het is faustiaans omdat er bijna geen ontsnappen aan is, ook al vernietigt wat we de duivel in ruil moeten geven het leven zoals wij dat kennen (of is het al: ‘kenden’?).

Bedenk eens hoe onmisbaar het internet geworden is om er sociaal bij te horen, hoe moeilijk het is de commercie daar te ontlopen, en dat zelfs commercie nu ondergeschikt is gemaakt aan het surveillancekapitalisme.

Onze afhankelijkheid zit in het hart van het commerciële surveillanceproject, waarin de behoeften die we voelen om een effectief leven te leiden, wedijveren met de neiging de brutale inmenging ervan te weerstaan. Dit conflict veroorzaakt een psychische verdoving die ons eraan laat wennen om gevolgd, ontleed, uitgemolken en aangepast te worden. Het doet ons berusten in een toestand van cynisme. Het doet ons excuses fabriceren die als verdediging dienen (‘Ik heb niets te verbergen’). Of het doet ons andere manieren vinden om onze kop in het zand te steken, om de onnozele te spelen uit frustratie of hulpeloosheid. Op deze manier stelt het surveillancekapitalisme ons voor een fundamenteel illegitieme keuze die mensen in de 21ste eeuw niet zouden moeten hoeven te maken, en doet de gewenning eraan ons zingen in onze ketenen.

Het surveillancekapitalisme opereert door middel van een nooit vertoond overwicht in kennis, en de macht die voortspruit uit kennis. Surveillancekapitalisten weten alles over ons, terwijl hun handelen zo ontworpen is dat het voor ons juist onkenbaar is. Ze verzamelen enorme domeinen van nieuwe kennis van ons, maar niet voor ons. Ze voorspellen onze toekomst ten bate van anderen, niet ten bate van onszelf.

Volgzaam worden is geen goede houding om in het geweer te komen om bijvoorbeeld de groei te stoppen om het klimaat te redden. Gebrek aan kennis hebben evenmin.

Zo lang het surveillancekapitalisme en zijn handel in voorspellingsproducten mag floreren, zal het eigendom van de nieuwe middelen tot gedragsaanpassing dat van de klassieke productiemiddelen overschaduwen, die bron van kapitalistische macht en rijkdom in de 20e eeuw. Zo wordt een nieuw kapitalisme geboren op de puinhopen van het oude.

Er is een parallel tussen hoe de industriële beschaving floreerde ten koste van de natuur en hoe ons dat nu de Aarde dreigt te gaan kosten, en hoe de informatiemaatschappij, gevormd als ze wordt door het surveillancekapitalisme en zijn nieuwe ‘gedragsmodificatiemiddel’, zal floreren ten koste van de menselijke natuur en ons onze menselijkheid dreigt te gaan kosten.

De industriële erfenis van klimaatchaos vervult ons met wanhoop, schuldgevoel en angst. Als het surveillancekapitalisme in onze tijd de dominante vorm van kapitalisme wordt, welke verse erfenis van schade en spijt zal dan door toekomstige generaties betreurd worden?

Het surveillancekapitalisme overkomt ons in razend tempo, met steeds meer sectoren, start-ups, app-ontwikkelaars en investeerders die zich mobiliseren rondom deze ene plausibele versie van het kapitalisme die nog rest. Het is een nooit vertoonde vorm van kapitalisme. En we bekijken het met de bril van oude vormen. Net zoals de auto eerst werd gezien als een ‘paardloos rijtuig’ en de feitelijke kenmerken pas later zichtbaar werden, is het surveillancekapitalisme ook ‘onherkenbaar’ omdat we de juiste maatstaven missen.

Er is een nieuwe accumulatielogica in de wereld gekomen met zijn eigen operationele mechanismen, economische wetten en markten. We kunnen begrippen als monopolie en privacy in het geweer brengen – en dit zijn heus wezenlijke begrippen – maar ze schieten toch tekort om de meest wezenlijke en nooit vertoonde feiten van dit nieuwe regime te identificeren en te bestrijden.

Het oude industriesysteem is er door het neoliberalisme niet alleen sterker en ongrijpbaarder op geworden, maar ook exponentieel schadelijker voor het klimaat. De enorme groei van rijkdom erin onttrekt zich tegenwoordig aan iedere publieke sturing en is per definitie in handen van asociale elementen die alleen in kortzichtige termen aan hun eigen hachje denken. En na het oude, door het neoliberalisme al geperverteerde industriesysteem zitten we nu dus opgescheept met een extra vorm van kapitalisme, geleid door een handvol individuen die denken dat ze alles beter weten en ons in een avontuur storten waarvan we vrijwel zeker weten dat het verkeerd afloopt. De ‘verduurzaming’ van hun eigen datacentra doet daar niets aan af en strooit ons slechts zand in de ogen.* Van Amerikaanse ideeën om een bedrijf als Facebook in het kader van de monopoliewetgeving op te breken komt niets terecht. Dit werd bijvoorbeeld door mede-oprichter van Facebook Chris Hughes aanbevolen in een longread in The New York Times van 9 mei 2019 met de titel ‘It’s Time to Break Up Facebook’. (Hughes verliet Facebook in 2017.) De coronacrisis heeft de greep van de techbedrijven (en Amazon!) nog verder versterkt.*

Bij de tycoons van het surveillancekapitalisme heerst de moneyland-mentaliteit – er is slechts één belang en dat is eigenbelang – die ons in het klimaatverderf stort.

Douglas Ruskoff (die we kennen van twee artikelen in de rubriek Economie) kreeg in 2017 een enorm honorarium aangeboden als hij wilde komen spreken op een super-de-luxe ontspanningsoord. Het moest over de ‘toekomst van de technologie’ gaan. Na enige aarzeling stemde hij toe. Het werd een bijzondere ervaring. Hij vertelt erover in The Guardian van 24 juli 2018.

Rushkoff verwachtte een zaal vol investeringsbankiers, maar hij werd naar een simpele conferentiekamer geleid. Zijn gehoor bestond uit vijf supperrijke kerels (ja allemaal mannen, schrijft hij erbij) uit de hedge-fondsenwereld. Het ging hen helemaal niet om de ‘toekomst van de technologie’ an sich. Ze kwamen met vragen als: waar kan je je het beste terugtrekken als de klimaatcrisis toeslaat: Nieuw Zeeland of Alaska? En kon je echt een huis voor je hersenen bouwen, zoals Ray Kursweil van Google deed?

Tenslotte bleek het te draaien om de vraag: Hoe blijf ik de baas over mijn veiligheidsdienst na de grote klap om in weelde te kunnen voortleven?

De grote klap, daarmee bedoelden ze de instorting van het milieu, de sociale onrust, een kernexplosie, een alles doordringend virus, echt of digitaal – om het even wat – datgene dat alles ineen zou doen klappen.

Hoe moesten ze hun lijfwachten betalen als het geld waardeloos was geworden? Wat zou deze mensen tegenhouden om in opstand te komen? Moesten hun wachters disciplinerende halsbanden om? Of konden robots hun taken overnemen? Hoe konden ze ondoordringbare privé-voorraden aanleggen?

Ineens drong het tot Rushkoff door dat dit wel degelijk over toekomst van de technologie ging. Zij bereidden zich voor op een digitale toekomst die niets te maken had met het scheppen van een betere toekomst voor ons allemaal, maar één waarin hún levensomstandigheden de stap zouden maken naar een plek die hen veilig stelde voor zeespiegelstijging, massale migratie, grondstofgebrek, pandemieën en paniek. Voor hen stond de toekomst gelijk aan vluchten.

Zo rijk zijn brengt niet de beste dingen bij mensen boven.

Oxfam Novib brengt jaarlijks een rapport uit over de scheve verdeling van de rijkdom in de wereld.* Zo was 2018 een fantastisch jaar voor miljardairs en gingen de armste 3,8 miljard wereldburgers er juist flink op achteruit. Elke twee dagen komt er een miljardair bij. Vooral in China ging het hard, met 54 nieuwe superrijken. Eind 2018 stond de teller op 2.208 miljardairs.

Supergenant wordt het bij de allerallerrijksten. Waren er in 2017 nog 46 allerrijksten voor nodig om evenveel te bezitten als de 3,8 miljard armsten. In 2018 waren slechts 26 mensen nodig om samen even rijk te zijn als de armste helft van de wereldbevolking. Die arme helft ging er in 2018 met 11% op achteruit! Hoe het met de rijken in Nederland zit, is te vinden in de Quote 500 en in nieuw onderzoek.*

‘Hoeveel ongelijkheid is nog verantwoord?’ Dat is de ondertitel van het boekje Rijkdom van Ingrid Robeyns.* Ze volgt daarin Aristoteles die stelde dat er hebzuchtige burgers ontstaan als rijkdom een doel op zichzelf wordt.* Die vormen dan een gevaar voor de staat die alleen wél kan varen door deugdzame burgers. Robeyns voegt daar voor de huidige tijd onder andere aan toe dat extreme rijkdom niet alleen de democratie ondermijnt, maar ook onverenigbaar is met onze ecologische plichten.

En dit gaat dan over degenen van wie we weten hoe rijk ze zijn. Maar er is ook heel veel geld verborgen – in Moneyland.

Er zijn in de verdeling van rijk en arm aan de rijke kant twee categorieën. Rijkaards waarvan we weten hoe rijk ze zijn. Daarover ging het in de vorige aflevering. En rijkaards waarvan we niet weten dat ze rijk zijn, of tenminste: niet hoe rijk ze zijn. Dat komt omdat deze categorie hun bezit heeft verstopt in Moneyland.

Moneyland is tegelijk echt en virtueel.* De schrijver van het gelijknamige boek, Oliver Bullough, begint zijn verhaal in Londen, waar op Eaton Square – ‘op dit moment misschien wel het meest prestigieuze adres in Londen’ – tal van panden staan waarvan de eigendom niet is te achterhalen. (In totaal zijn er in het Verenigd Koninkrijk zo al 100.000 van zulke panden, waar de huurder wel huur betaald maar niet weet aan wie.) Zijn onderzoek doet hem wel een nieuw land ontdekken: Moneyland (Geldland).

Het boek gaat over de ‘valsspelers’, mensen die hun eigen land rustig te gronde richten als dat in hun eigenbelang is. Deze valsspelers lopen uiteen van kleine vissen als ‘Belgische tandartsen’ en andere mensen die alleen maar de belasting proberen te ontduiken en multinationals, tot grote criminelen en megadieven, die hun geld wit willen wassen, maar het tegelijk verborgen willen houden. Denk bij de laatste groep aan Oekraïners, Russen en Afrikaanse vorsten.

Zo zag het half procent Russen dat meer dan 180.000 dollar bezit in de jaren 2000-2015 (onder Poetin) hun vermogen met 687 miljard dollar groeien. Die ‘opbrengst’ moet natuurlijk in het Westen worden ondergebracht want daar is het veilig.* De econoom Gabriel Zucman (Universiteit van Berkeley) schat dat bij Rusland de helft van het huishoudvermogen naar het buitenland verdwenen is. (Voor Europa gaat het om 10%.)

En dit, schrijft Bullough, ‘wordt allemaal mogelijk gemaakt door westerse geldgoochelaars: juristen, accountants en anderen die geld verplaatsen en op slimme manieren verbergen.’ En vergis u niet, dat is een heel leger aan ‘eerzame burgers’. Er woont er vast wel eentje bij u in de buurt.

Bullough schrijft: ‘Ik noem deze nieuwe wereld Moneyland: Maltese paspoorten, Engelse smaadwetten, Amerikaanse privacy, Panamese brievenbusfirma’s, trusts op Jersey, stichtingen in Lichtenstein, allemaal bij elkaar opgeteld vormen ze een virtuele ruimte die veel groter is dan de som der delen.’

‘De wetten van Moneyland zijn de wetten die jou – als je rijk genoeg bent – per situatie het best uitkomen. Als de wet in een land wordt gewijzigd om de praktijken van Moneylanders op welke manier dan ook aan banden te leggen, verplaatsen ze zich (of hun vermogen) naar een ander rechtsgebied dat hun belangen beter dient. Als in een land een wet wordt ingevoerd die nieuwe mogelijkheden voor zelfverrijking biedt, worden de activa eveneens verplaatst.

De rijkste mensen in landen als China, Nigeria, Oekraïne of Rusland hebben zich toegang verschaft tot dit nieuwe land dat onder al onze landen ligt en waar grenzen niet bestaan. Ze verplaatsen hun geld, hun kinderen, hun bezittingen en zichzelf waarheen ze maar willen, en ze kiezen telkens onder de wetten van welk land ze op dat moment willen leven. Met als gevolg dat de strenge regels en restricties waaraan wij moeten gehoorzamen, op hen niet van toepassing zijn,’ zo vervolgd Bullough.

Het gaat ook om het kopen van paspoorten en nepambassadeurschappen met de bijbehorende diplomatieke onschendbaarheid, het goedkoop van een ex-echtgenoot afkomen, het met veel juridisch geschut belemmeren van journalistieke onthullingen en – waar nodig – zelfs het uit de weg ruimen van klokkenluiders en andere lastposten.

Moneyland is in essentie dus een veilig heenkomen, samengesteld uit een selectie van de voordelen die landen afzonderlijk bieden.

Dagblad Trouw schrijft dan nog in een recensie: ‘Met Moneyland is een vrijwel grenzeloze nevenwereld ontstaan. Het geld stroomt automatisch naar het laagste punt. Rijken zoeken de wetten die hun het beste uitkomen, de rechtssystemen die hun de minste belemmeringen opleggen. Die neiging laat menig regering besluiten om almaar meer vrijheden toe te staan. Want wie niet meedoet, jaagt kapitaal en bedrijvigheid misschien wel naar elders.’*

Het fundament van Moneyland is geheimhouding, de mogelijkheid vermogens te verbergen. Dit is nodig om rijke mensen te beschermen tegen diefstal en bedreiging, zeggen voorstanders. Moneyland heeft zich altijd achter dit argument verscholen. Als je leest over de geschiedenis van de Zwitserse banken ga je bijna geloven dat het charitatieve instellingen waren die joods geld beschermden tegen Hitler. Dat gebeurde óók, maar de meeste mensen die hun geld opborgen in Zwitserland waren belastingontwijkers en nazi’s. In Florida hoor je hetzelfde: we beschermen het geld van eerlijke latino’s tegen hun corrupte regimes. En ook die mensen zullen bestaan. Maar het zijn uitzonderingen.

In landen als Rusland, Oekraïne, Venezuela en Nigeria is Moneyland alomtegenwoordig.

‘De kracht van Moneyland,’ zegt Bullough in een interview in de NRC van 9 maart 2019, ‘is dat het diefstal en profijt ontkoppelt. Je kon gestolen geld altijd al verbergen, maar dan kon je het niet uitgeven. Nu pomp je het de wereld rond en verbergt het achter ondoorzichtige vennootschapsstructuren. Zo verliest het geld zijn directe link met de dief, het wordt anoniem, en je kunt het verbergen én uitgeven.’

Uiteindelijk hebben deze rijkaards met hun beleggingen een deel van de wereldeconomie in handen. En het gaat om een niet kinderachtig deel daarvan. De in aflevering 22 al aangehaalde Gabriel Zucman schat dat in 2014 8% van het geldbezit in de wereld in belastingparadijzen was ondergebracht: 7,6 biljoen dollar, van een totaal van 95,5 biljoen dollar. Dit staat dus op bankrekeningen in bijvoorbeeld Zwitserland. En dan zijn er nog activa zoals jachten, kunstwerken en onroerend goed. Ook nog eens 2 biljoen dollar waard.

Een andere econoom, Jamen Henry, komt op een veel hoger bedrag aan in Moneyland verborgen geld. Hij denkt dat het in 2010 tussen de 21 en 32 biljoen dollar was.

Internet heeft het de Moneylanders alleen maar makkelijker gemaakt. Wie hun gangen na wil gaan moet van goeden huize komen en vooral veel geduld hebben: in een middag kan iemand een keten van bedrijven opzetten. Zulke netwerken ontrafelen kan jaren kosten.

In Moneyland werkt de globalisering dus anders. Daar wordt kapitaal niet zo efficiënt mogelijk ingezet om een zo groot mogelijke opbrengst te genereren, maar het wordt in het geheim verplaatst om de grootste mate van bescherming te kopen. (Dit alles werkt verhogend voor de productiekosten. Vergelijk het ook eens met de kosten van corruptie.)

Nu over naar de keerzijde van Moneyland, het deel van de wereldbevolking zonder geld en zonder macht.

We zijn na het optimisme van de val van de muur verzeild zijn geraakt in een economische oorlog van allen tegen allen, waarin vooral de elites profiteren. Dit constateert Pankaj Mishra, een ‘Indiaas stiefkind van het Westen’, in zijn boek Age of Anger. Hij ziet onvervulbare verlangens en ontembare woede. Hij ziet hoe de wrok bij de verliezers, zoals altijd, leidt tot haat jegens zondebokken, tot reactionair populisme en tot terroristisch geweld.*

Critici verwijten hem dat hij al dit negatieve op één hoop gooit en te weinig aandacht besteedt aan de onmiskenbare vooruitgang op deelgebieden. In een interview met de Volkskrant vindt hij dat typisch de kritiek van ‘Westerse grotestadscritici’.*

Deze critici hebben niet door ‘hoeveel miljoenen op andere continenten lijden onder oorlog, etnische zuivering en het immense structurele geweld van onteigeningen, ontworteling en de systematische ontkenning van grondrechten. Het aantal vluchtelingen staat niet voor niets op recordhoogte. Mensen die geloven dat de wereld almaar beter wordt, hebben niet goed opgelet. Het is tijd wakker te worden uit onze vooruitgangsdromen.’

De mensen buiten de metropool, op het traditionele platteland of in kleine steden, ‘voelen dat hun ervaringen worden genegeerd’. Ze zijn buiten beeld geraakt en geven ‘de schuld aan een transnationale elite die hun allerlei ingrijpende veranderingen opdringt zonder hun iets te vragen.’

‘Globalisering heeft de idealen van vrijheid, gelijkheid en concurrentie universeel gemaakt.’ zegt Mishra, ‘Toen ik in India opgroeide in de jaren zeventig had ik geen idee hoe mensen in het Westen leefden; we hadden geen telefoon, geen tv, geen film. Europa was zo ver weg dat ik niet eens zeker wist of het wel bestond. Tegenwoordig kun je in een sloppenwijk in Bangladesh wonen en dromen van het leven in Manhattan. Zonder het geld om er ooit te komen.’*

‘Je leeft niet meer in beschermde gemeenschappen of natiestaten, maar in een enorme wereldwijde markt waarin iedereen geacht wordt te wedijveren met iedereen. (…) Een wereld zonder duidelijke begrenzingen, waarin mensen zich volkomen onveilig voelen.’

‘Wat we nu meemaken is in veel opzichten een verzet tegen verandering als motor van de maatschappij. Want verandering gaat ten koste van andere waarden als veiligheid, identiteit, gemeenschap en solidariteit.’*

Dat voelen nu ook velen in het Westen zelf, met een opleving van nationalisme als gevolg. ‘Het is een herontdekking van een denkbeeldig verleden, toen de wereld nog vertrouwd en heel was, toen er geen vreemdelingen waren.’

Zo wordt het wel heel moeilijk aandacht te besteden aan problemen waarvoor in de woorden van Mishra ‘geen oplossingen bestaan. Zoals klimaatverandering. Het enige wat we kunnen doen is vertragen wat onvermijdelijk is. Proberen de beloften van de moderniteit voor zoveel mogelijk mensen te realiseren. En op die manier de toekomst wat minder verontrustend en gewelddadig te maken. Maar dan moeten we de problemen wel eerst correct benoemen en de enorme schaal ervan onder ogen zien.’

Is dat ‘onder ogen zien’ zo moeilijk? Zien we daarom zoveel mensen worstelen met hun nationale identiteit, zonder toe te komen aan hun identiteit van wereldbewoner? Trekken ze zich daarom liever terug op een beperktere groepsidentiteit? Ik laat nu een typische conservatieve ‘grotestadsdenker’ aan het woord. Want de strijd is ook daar aanbeland.

Hoe kan het dat de wereld tegenwoordig vol autoritaire leiders is? Het antwoord op die vraag, denkt Francis Fukuyama, is te vinden in de menselijke psyche.* ‘Het is tijd om een betere theorie van de menselijke ziel te ontwikkelen,’ vindt hij. Zijn eigen theorie luidt kort samengevat: Geld, macht en seks zijn belangrijk, maar de mens kan niet zonder erkenning van de identiteit die hij zichzelf toedicht.

In de strijd om die erkenning zijn we bereid een hoop in de waagschaal te leggen: veiligheid, rechtvaardigheid en op dit moment democratie, concludeert Fukuyama in zijn nieuwe boek Identiteit.*

De Brexit bijvoorbeeld, draait om erkenning. Het argument dat het een economische ramp zal worden, doet er voor veel Britten niet toe. Culturele behoeften winnen het telkens van economische logica. Mensen zijn bereid welvaart in te leveren, als ze daarmee het idee hebben dat wie ze zijn beter tot hun recht komt.

‘Het gaat er (tegenwoordig) om wie je bent en tot welke groep je behoort. Veel van die identiteiten liggen al vast bij de geboorte, zoals etniciteit, ras en je genderoriëntatie. Andere identiteiten hangen samen met bijvoorbeeld natie of religie. Als gevolg valt de liberale samenleving uit elkaar in verschillende groepen, opgedeeld door onoverbrugbare scheidslijnen. Je kunt niet onderhandelen over je identiteit.’

En die ononderhandelbaarheid is een probleem. De strijd om liberale gelijkwaardigheid moet nu veroverd worden op onze eigen inborst, meent Fukuyama. Een diepe behoefte om als superieur te worden gezien, botst met de behoefte om door anderen als gelijkwaardig gezien te worden. Denk aan Trump tegenover LHTBI+ (of aan het alt-right witte-mannennationalisme).

Dat geeft een probleem met democratie. Democratie schiet niet zomaar uit de grond op basis van welvaart. Zonder leiders die werkelijk in democratie geloven doen alle andere wegen die naar democratie leiden er niet toe. Je hebt individuen nodig die democratie bepleiten en partijen en politieke bewegingen die zich organiseren rondom dat onderwerp.* De politiek moet bij de belangenbehartiging wel begrijpen dat de behoefte aan erkenning zich in een heel andere deel van de menselijke psyche bevindt en losstaat van materiële welvaart. Tot zover Fukuyama.*

Naar aanleiding van zijn boek Angst en vrijheid over de Tweede Wereldoorlog en de mythe van het slachtoffer, krijgt de auteur Keith Lowe in de NRC de vraag ‘De gevaarlijkste mythe is volgens u die van het martelaarschap en het slachtoffer. Waarom?’ Hij antwoordt: ‘Omdat de mythe van het martelaarschap nu nog het sterkst aanwezig is. En het gevaar is dat slachtofferschap je ontslaat van verantwoordelijkheid.’ En: ‘Vrijheid is, zeker op individueel niveau, ook angstaanjagend, zo stelde Jean-Paul Sartre al in 1945 vast. Individuele vrijheid betekent dat je zelf verantwoordelijk bent voor je daden. In tegenstelling tot het slachtoffer, kan een vrij persoon niet iemand anders de schuld geven. We zijn daarom bang om vrij te zijn, zoals Erich Fromm al beweerde in zijn boek Angst voor vrijheid uit 1941. We doen er dan ook alles aan om niet de verantwoordelijkheid van onze vrijheid te dragen. Je aansluiten bij een al dan niet religieuze groepering is een manier om daaraan te ontkomen.’*

Als het zoeken naar een identiteit een vlucht is, raakt de eensgezindheid uit het zicht en dat werkt voor het klimaatwerk volkomen averechts.

Van de Britse filosoof David Hume kende ik, schrijft Bas Heijne, de beroemde uitspraak ‘Reason is a slave to the passions’.* Lange tijd las ik deze uitspraak zo: mensen zijn niet van nature rationeel, dus houdt altijd rekening met een zekere mate van onredelijkheid, voor gevoelens die tegenstrijdig of onlogisch zijn – of zelfs afkeuringswaardig. Probeer de mens niet te objectiveren, zie hem niet als een volledig bestuurbaar wezen, anders kom je van een koude kermis thuis.

Helemaal zoals ik erover denk, zegt Heijne. Maar onlangs kwam ik erachter dat Hume zijn uitspraak anders bedoelde. Dat komt ervan wanneer je citaten los van hun context omarmt. In werkelijkheid zegt Hume dat het verstand, de rede, altijd getriggerd wordt door emotie, door iets wat heftig, instinctief beleefd wordt. Een gevoel van dreiging bijvoorbeeld… De praktische rede alleen, zegt Hume, is niet voldoende om mensen moreel te motiveren. Het zijn emoties die het menselijk verstand in beweging zetten, tot daadkracht aansporen. Dat is wat Hume bedoelt wanneer hij zegt dat de rede slaaf van de hartstochten is. Voor we ergens over gaan nadenken, moet het ons eerst wat kunnen schelen.

Wie denkt dat feiten over de opwarming van de aarde een en al manipulatie en bedrog zijn, een hoax, zal berichten over de noodzaak van windmolens en de onderbouwing van milieumaatregelen als leugenachtig beschouwen – en zichzelf daardoor bij uitstek als intelligent en rationeel.

Wat als de ratio alleen nog dient om de emotie te rechtvaardigen? Je kunt zeggen dat de ‘passions’ steeds geraffineerder kunnen worden bespeeld, waardoor door emotie gekleurde feiten niet langer meer effectief kunnen worden. Het is niet langer de wetenschap die antivaxxers verlicht, ze zetten er keihard ‘andere’ wetenschap tegenover. De hartstocht die ons prikkelt en ons bewustzijn in beweging zet, leidt dan niet meer tot rationele beschouwing en afweging, zoals Hume het wilde, en eventueel correctie door feiten die de emotie weerspreken.

Met het besef dat een ‘objectieve waarheid’ helemaal niet bestaat, wordt ook het streven die waarheid zo dicht mogelijk te benaderen opgegeven. De rede is zelf dan pas echt tot een slaaf van de hartstocht gemaakt, maar precies omgekeerd dan Hume voor ogen stond. Het is niet langer onze emotie die de rede in beweging zet; de rede bestaat enkel nog om onze emotie te rechtvaardigen. Het zoeken naar een objectieve waarheid geldt dan niet langer als een positieve kracht die ons verder gaat brengen, die onze emoties bedding geeft, en ons richting een gedeelde waarheid stuurt, mogelijk eindigend in consensus, maar juist als een teken van een fataal soort relativisme – omdat het een authentiek gevoelde overtuiging ontkent. De rede van Hume die onze emoties moet toetsen geldt dan als verdacht, een bedreiging van eigenheid en authenticiteit. Het is, kortom, de vijand.

Zo gezien is het streven naar waarheidsvinding de vijand van identiteit. Het argument dat objectiviteit niet bestaat, dat alles een kwestie van perspectief is, kan dan worden gebruikt om degenen die zeggen naar feitelijkheid te streven verdacht te maken, weg te zetten als hysterisch, irrationeel, verdwaasd. Maar, heel gek, dat argument wordt vervolgens niet gebruikt om te pleiten voor méér objectiviteit, betere waarheidsvinding, het delen van kennis. Integendeel, het wordt gebruikt om het geloof in eigen waarden, religieuze, culturele en politieke waarden onaantastbaar te verklaren, immuun voor onderzoek, boven rationele kritiek verheven. Omdat anderen zouden liegen of hypocriet zijn, hoeven jouw overtuigingen niet langer kritisch tegen het licht gehouden te worden.

Dit is een grote paradox van deze tijd. Naarmate we steeds meer toegeven aan onze emoties, roepen we steeds harder hoe rationeel we zijn. Het maakt zo helemaal niet meer uit of we het klimaatprobleem soft of hard aan de man/vrouw brengen.

Niet alleen dit artikel, de hele website 4eco is als ‘boodschap’ eigenlijk volstrekt zinloos, want wij mensen hebben dus steeds uitgesprokener overtuigingen en vrijwel niets brengt ons daar vanaf; in elk geval brengt informatie dat het fout gaat ons niet van ons gedrag af. Daar is uit psychologisch oogpunt nog wel wat meer over te zeggen.

Wij hebben allemaal – intelligentie speelt hierbij geen rol – de neiging om informatie die niet met onze opinie strookt te negeren. Wij willen die opinie vooral bevestigd zien en staan daarom niet open voor tegenstrijdige informatie. Bij negatief nieuws hebben we bovendien de neiging onrealistische verwachtingen over de toekomst te koesteren. In de woorden van de Britse neurowetenschapper Tali Sharot gaat het brein bij kritiek ‘bij wijze van spreken op slot. De conflicterende informatie komt gewoon niet binnen.’*

Als we dit betrekken op het klimaat dan zijn er tegenwoordig al aardig wat partijen die toch proberen ons te beïnvloeden.* Vanouds is dat de natuur- en milieubeweging, overigens bepaald geen eenvormige groep. Dan is er natuurlijk de overheid, net zo min een eenvormige groep. (Van de overheid moet het komen. In vrijwel alle publicaties waarin iemand zich zorgen maakt, is de conclusie is dat ‘dé overheid’ ergens voor moet zorgen.) En ten derde zijn er tegenwoordig allerlei mensen, instellingen en bewegingen die specifiek iets over het klimaat te zeggen hebben. Denk hierbij aan Urgenda en Extinction Rebellion.

Zij staan allemaal voor de schier onmogelijke taak om in een paar jaar tijd onze overtuigingen op hun kop te zetten. Vergeet daarbij niet dat alle influencers, milieubeweging en overheid incluis, ook maar gewone mensen zijn met dezelfde psychologische tekortkomingen als de mensen die ze willen beïnvloeden.

Wat heeft Sharot ons hieromtrent nu te vertellen?

Zij geeft het voorbeeld van een intensive-care-afdeling waar men probeerde het handen wassen te bevorderen.* Een gebod, zelfs de wetenschap dat men gefilmd werd, hielp niet. Wel hielp een elektronisch bord dat het percentage van de medewerkers vermeldde dat die dag en die week zijn handen al had gewassen. Binnen een mum van tijd wasten negen van de tien personeelsleden de handen. Dit model werkte elders ook.*

Er vallen hier drie lessen te leren. Onmiddellijke beloning helpt. Zodra je je handen onder de kraan doet, gaan de scores op het bord omhoog.

Wat ook helpt, is dat mensen zich graag conformeren. Als je weet dat bijna alle anderen het ook doen, wil je niet de uitzondering zijn.

Tenslotte laat het experiment iedereen de vrijheid om mee te doen. Er is geen bevel, geen straf, je wordt niet ingeperkt. Het is aan jou of je meedoet en je houdt de controle over je eigen gedrag. Dat vinden mensen prettig. Verlies aan controle maakt angstig. We zitten liever zelf aan het stuur.

Emoties blijken een betere drager van een boodschap dan taal. Emoties zijn een veel oudere en krachtiger bron van informatie dan de evolutionair gezien tamelijk recent ontwikkelde taal. Emoties zeggen: let op, dit is belangrijk. Je brein wordt geactiveerd om de boodschap te verwerken. Ze wordt ook beter in het geheugen opgeslagen.

Dit werkt net zo goed in de verkeerde richting. Een aangrijpend verhaal van één kindje dat ziek werd na een vaccinatie en later autisme ontwikkelde, maakt meer indruk dan alle statistieken bij elkaar. Dat maakt het abstracte klimaatverhaal zo problematisch.

Wij vinden het dus moeilijk om informatie te accepteren die conflicteert met ons gedrag of onze overtuiging. Als we horen dat iedereen, wijzelf incluis, medeschuldig is aan de klimaatverandering, doet die informatie pijn. Die pijn stoppen we weg en vervolgens doen we er niets mee. Als die pijn onverwerkt blijft, komen we vast te zitten.

Dit zegt de Amerikaanse klimaatpsycholoog Renee Lertzman.* Zij kreeg er zelf een intens gevoel van verlies en melancholie van, dat uitmondde in een depressie. Ze weet dus uit ondervinding waarover ze praat. In diepte-interviews die ze deed met mensen in het sterk vervuilde Green Bay in Wisconsin, leken ze op het eerste gezicht niet onder de milieuvervuiling te lijden. Wel spraken ze over de omgeving en de meren die vroeger zo schoon en ongerept waren.

‘Ik besefte,’ zegt Lertzman, ‘dat die melancholie een logische, rationele reactie op de klimaatcrisis in de weg zit. De complexe combinatie van gevoelens die mensen al dan niet bewust hebben, kan leiden tot verlamming of ontkenning.’*

Ons gedrag wordt normaal al bepaald door allerlei verlangens en waarden die met elkaar wedijveren en aan elkaar tegengesteld kunnen zijn.* Als we begrijpen waar de grootste conflicten liggen, kunnen we ze hopelijk wegnemen. Daar gaat het om: het wegnemen van die ambivalentie, want die werkt verlammend. Daar zijn methodes voor. Puur door het conflict te benoemen, geef je mensen al de kans zelf een keuze te maken.

Lertzman was op bezoek in Nederland om de milieubeweging te helpen. Ze vervolgt daarom: ‘Uiteraard willen we niet blijven hangen in het wegnemen van de ambivalentie. We willen mensen helpen om andere keuzes te maken. Maar dat is een andere techniek dan de waarden van mensen zelf te proberen te veranderen, want dan komen ze in verzet.’ Zij denkt aan het opzetten van klimaatgesprekken en wat in het Engels motivation interviewing heet, een sturende, persoonsgerichte gespreksstijl. Die wordt hier in de gezondheidszorg al met veel succes toegepast, aanvankelijk bij verslavingsproblemen, maar inmiddels ook bij gedragsverandering rond voeding en beweging.

Tot zover enkele deskundigen over gedragsverandering.*

Voor mij is nu de vraag: waar haal je de begeleiders vandaan om ons allemaal bij de hand te nemen op weg naar een beter gedrag, naar een ander consumptiepatroon en tenslotte naar een minder belastende, rijkere levensvervulling? Dat zijn dus mensen die op ons voorlopen door hun begrip van de situatie en door hun kundigheid verandering aan te kaarten; kortom, het zijn mensen met een vooruitziende blik.

Als we alle tijd hadden, konden we het rustig van de grond af opbouwen. Maar nu het op stel en sprong moet, is er een gigantisch tekort aan mensen als Renee Lertzman, die begrijpen wat er gevraagd wordt. En als je bekijkt welk ander gedrag in de praktijk vaak wordt voorgesteld, dan zijn het vaak specifieke dingen die elk voor zich slechts een klein beetje helpen, want ze zijn nooit revolutionair. De stap kan blijkbaar niet te groot zijn.

Kan het zijn dat onze inborst gewoon niet los kan komen van wat voor het klimaat fataal dreigt uit te pakken? Hierover heeft ook de filosofie nog wat te zeggen.

In het boek Dwalen in het antropoceen bekijkt de auteur René ten Bos de bijdragen van een aantal filosofen om ons tijdsgewricht beter te kunnen begrijpen. Bij de Franse filosoof Dany-Robert Dufour gaat het over onze behoeften en onze verlangens. Ik kort het sterk in, dus lees eventueel ook het hele stuk in het boek.

Alle levende wezens hebben behoeften die ze proberen te bevredigen. Mensen ook. En wij hebben verlangens. Het verschil: bij behoeften wil je eten, bij verlangen wil je lekker eten, waar en wanneer je maar wilt.

Historisch was het steeds zo: verlangens – als iets wat uitstijgt boven directe behoeften – bestaan, zonder twijfel, maar een teveel aan verlangen is er vooral om ingetoomd te worden. Het verlangen, aldus Ten Bos, is in veel samenlevingen als een morele en existentiële bedreiging gezien, omdat het iedere vorm van terughoudendheid ondermijnt.

Dan komt het kapitalisme. Dat zegt dat het verlangen juist niet ingetoomd hoeft te worden. Het verlangen moet daarentegen zijn tomeloze gang kunnen gaan, het moet worden geëmancipeerd. In het kapitalisme wordt terughoudendheid juist een taboe.

Het besef, schrijft Ten Bos, dat het met onze excessen misschien maar eens afgelopen moet zijn, is nu wankelmoedig. Het liefst willen wij mensen doorleven zoals we al deden. Zolang de catastrofe zich niet voor onze neus aftekent, zolang we die afgrond niet voor ons zien, willen we er nog niet aan om onze verlangens in te tomen.

Dufour stelt nu dat het onrealistisch is om van mensen te veel gedragsverandering te vragen. De discussie moet niet gaan over behoeften en verlangens op zich, maar over de wijze waarop het verlangen steeds van vorm of gestalte verandert. Ooit waren we namelijk allemaal neurotisch, nu zijn we pervers. Dufour heeft zich verdiept in het probleem van de neotonie, het verschijnsel dat sommige soorten, waaronder de mens, ook tijdens de volwassenheid bepaalde kinderlijke eigenschappen behouden.

Hele pedagogische systemen zijn afgestemd op de lineaire periodisering van: embryo baby peuter kleuter kind puber adolescent volwassene. Dufour wijst dit af. De mens, zo stelt hij, wordt niet als een gefixeerd wezen geboren. Zo leeft het embryo voort in het kind en het kind in de volwassene.

Voor Dufour zijn wij, mensen als soort, evolutionair gezien in bepaalde opzichten onvolwassen, ‘niet-vastgesteld’ (‘neotonisch’). Er zitten niet-lineaire aspecten aan de menselijke ontwikkeling die ons dit ‘niet-vastgestelde’, onvolwassen karakter geven. ‘De mens is een dier waarmee het alle kanten op kan gaan en een dier dat van tevoren niet weet welke kant,’ concludeert Ten Bos.

Juist daarom zijn wij gaan denken dat het met ons inderdaad alle kanten op kan. Dat kon toen het verlangen bevrijd werd. En dat gebeurde eigenlijk pas recent, en wel in neotonische richting, vooral met de komst van het neoliberalisme.

Het verlangen werd op zo’n manier bevrijd dat het jeugdige geïdealiseerd wordt. Wij willen zo lang mogelijk jong blijven. Dat zien we overal om ons heen. Zelfs ouderen worden aangesproken op hun zin voor uitdaging, exploratie en nieuwsgierigheid, alle drie zaken waar kinderen doorgaans in excelleren.

Het echte leven is dan een onbekommerd leven in een perfect lichaam. En onbekommerdheid is juist niet terughoudendheid. Wat moeten wij in het antropoceen met dergelijke onbekommerdheid?

De hele moraalfilosofie, vanaf de Grieken, zo stelt Dufour, is lange tijd een gevecht geweest tegen dit ‘onvolwassen gedrag’ om van alles te willen. De wereld van de drift, de impuls en de passie werd met wantrouwen bejegend. Dat wij als niet-vastgesteld wezen een tendens tot zelfvernietiging hebben, is een oeroude gedachte. Maat houden, was daarom de boodschap.

Dit wantrouwen jegens onszelf zijn we nu kwijt. Dat moment van verlies van zelfcontrole is het ontstaansmoment van het liberaal-kapitalisme. En met de grote acceleratie van het neoliberalisme heeft het vleugels gekregen. Deze levensvorm kent zijn paradoxale kronkelingen, zegt Ten Bos. ‘Enerzijds kan hij niet bestaan zonder restrictie, terughoudendheid of controle.’ Het keurslijf van de arbeid is bijvoorbeeld een noodzakelijke voorwaarde voor het kunnen verwezenlijken van verlangens. Anderzijds functioneert de samenleving evenmin als die verlangens niet bevrijd worden van alle vormen van controle, zodat iedereen onbekommerd kan consumeren.

Hieruit volgt een tweede kronkeling: het verwezenlijken van een bepaald verlangen leidt er altijd toe dat anderen hun verlangen niet kunnen verwezenlijken, iets waardoor sociale onrust of crisis op de loer ligt.

Het kapitalisme is een spel waarin het erom draait dat iedereen meer krijgt dan hem of haar toekomt. Hierdoor is het ook een spel dat, voor degene die minder krijgt dan hem of haar toekomt, kan ontaarden in een hel.’

Genieten zonder terughouding, is het doel, stelt Dufour. Geniet, ook als dat de ander pijn veroorzaakt; want het eigen genieten staat voorop. Het begrip respect is daarbij niets minder dan een gevaar voor de vrijheid om te genieten (respect voor het niet-menselijke al helemaal).

Het verbod op respect in dit universum heeft een ongekende obsceniteit tot gevolg. Bovendien: alles is tegenwoordig te koop. Je kunt alles door een koophandeling tot jouw eigendom maken. Niet alleen het genieten is obsceen, eigendom blijkt dat ook te zijn. Bij Kant hing respect samen met waardigheid. ‘Wat waardig is,’ schrijft Ten Bos, ‘kun je per definitie niet kopen. Het obscene erkent geen enkele waardigheid. Het leeft uitsluitend van eigendom. (…) Eigendom zelf is een kwestie geworden van zelfverwerkelijking.* Daarmee wordt de samenleving dus ook een zone waarin onvrede permanent aanwezig is. Je moet voortdurend meer en anders willen hebben.’

Wie niet genoeg heeft of helemaal niet heeft, doet iets niet goed, want hij of zij heeft zichzelf niet verwerkelijkt. Je ziet dus dat het eigenlijk nodig is om het particuliere eigendom en ons huidige economisch systeem af te schaffen, willen we nog iets van het voor ons gunstige Holoceen-klimaat redden. En dan zit ook de individualisering ons nog eens danig in de weg.

Ten Bos schrijft: ‘Wat achter de individualisering zit, is niets anders dan een programma van constante zelfproblematisering: IK moet dingen anders doen, IK moet dit en IK moet dat. Mensen worden aangemoedigd eerder in zichzelf geïnteresseerd te zijn dan in de wereld. Ook dit is een onderdeel van de desoriëntatie die ik (Ten Bos dus) kenmerkend acht voor het antropoceen. IK weet dat de wereld ingewikkeld in elkaar zit, maar vooralsnog erken IK niet de grenzen van MIJN recht op bezit, moet iedereen begrijpen dat IK anders ben dan alles wat niet-IK is, moet IK mijn eigen verantwoordelijkheid nemen en moet iedereen begrijpen dat IK altijd in potentie een slachtoffer ben van anderen, die mij altijd en overal kunnen dwarsbomen. Dufour wijst erop dat De Sade met zijn pleidooi voor het soevereine als eerste de nieuwe tijdgeest begreep: niet IK kan slachtoffer zijn, hooguit een ander.’

Lange tijd heeft de samenleving geprobeerd dit in te tomen door liefde voor het sociale te propageren en de eigenliefde te problematiseren. In de zeventiende eeuw komt echter de grote ommekeer. Waarom moet het verlangen zo nodig onder het regime van de beheersing of de redelijkheid worden geplaatst?

Het vrijmaken van de weg voor onze verlangens heeft de weg gepavleid voor niets minder dan een psychologische catastrofe in de geschiedenis van het Westen. Het is (halverwege de zeventiende eeuw) Blaise Pascal die als eerste met de gedachte speelt dat uit wellust, exces, ongecontroleerdheid en chaos toch een orde kan ontstaan. Wellust en imperfectie op individueel niveau hoeven niet per se tot een ontaarde samenleving te leiden.

Dit idee acht Dufour catastrofaal, want het verandert de vórm waarin het mensenleven gestalte krijgt drastisch. De mens wordt nu immers begrepen als een perverseling die alleen en altijd zijn eigen genot najaagt.

Hier wordt iets duidelijk over hoe en waarom het antropoceen en de klimaatontwrichting psychologisch-filosofisch mogelijk, hoe die in zekere zin zelfs onvermijdelijk wordt.

De verkeerde gedachte is dat eigenliefde, in plaats van liefde voor het sociale, uiteindelijk alles toch in goede banen kan leiden. Een zekere controle is natuurlijk nodig, maar de bevrijde mens, als rationeel wezen, is zelf in staat die eigenliefde waar nodig te corrigeren. Hoe dat daadwerkelijk moet, is een groot raadsel, dat het liefst in handen van God wordt gelegd, de god van het kapitalisme. Zo is de gedachte.

Maar de hedendaagse mens is geen evenwichtskunstenaar. Overvloedig eten wisselt hij af met ascetische diëten, excessief drankgebruik met harde abstinentie. We leven in een puriteins bordeel, waar niemand nog precies weet wat goed en kwaad is.

Niemand weet precies waarheen we moeten gaan. Moeten we ons dan illusies maken over de vraag of we zelf het klimaatprobleem kunnen oplossen?

In de ‘Tovenaarsleerling’ van Goethe is de tovenaar weg en blijft een leerling alleen in het huis achter. Hij heeft corvee en hij betovert een bezemsteel om het werk voor hem te doen. De bezemsteel moet badwater uit de rivier om de hoek halen. In het begin gaat dat voortreffelijk. De bezem haalt het water met een emmer en vult het bad. Als het bad gaat overlopen, beseft de leerling dat hij de toverspreuk om de bezemsteel te laten stoppen, niet kent. De bezemsteel blijft maar heen en weer van de rivier naar het bad gaan. Het hele huis loopt onder. Wanhopig splijt de leerling met een bijl de steel in twee delen, om tot zijn afgrijzen te merken dat allebei de helften het werk blijven doen, waardoor het huis nu met dubbele snelheid overspoeld wordt. Gelukkig kan de oude tovenaar, als hij terugkomt, de betovering verbreken en komt alles weer goed.

Eigenlijk is dit een prachtige verbeelding voor de situatie waarin we verzeild zijn geraakt, zegt Jeremy Lent in zijn boek The Patterning Instinct.* Alleen is het de vraag wie bij ons de tovenaar kan zijn die de fout van de leerling teniet doet. Die lijkt er niet te zijn. Lent somt het allemaal op. Ik vat zijn opsomming hier samen.

In onze maatschappij is snelle innovatie nu de norm. We zijn gewend geraakt aan versnelling volgens de Wet van Moore, niet alleen voor de computersnelheid, maar op allerlei gebied. We plukken daar de vruchten van, niet alleen de zoete, ook de wrange. Denk maar aan hoe onze aandacht nu wordt opgeslokt door Facebook en Netflix, terwijl we tegelijk tegen een crisis van ongekende omvang aankijken. We zijn het contact met de natuur, met de werkelijkheid (zoals beschreven in het artikel Het Sumerisch Testament) kwijt. (We komen daar in artikel 5 op terug.) We kunnen dit niet meer stoppen.

In het artikel De ‘ijzeren kooi’ van het consumentisme wordt beschreven hoe we bevrediging zoeken in de consumptie van spullen (zie aflevering 5). Jeremy Lent beschrijft dit ook. Vroeger vonden we verlossing (zelfbeheersing) in de kerk en het geloof in een hemel. In plaats daarvan gingen we ons heil op aarde zoeken in het gebruiken en bezitten van goederen. De mens kon best zelf met wilskracht zijn leven zo veranderen dat hij plezier, overvloed en geluk beleefde, was de nieuwe gedachte. En daarmee werd precies voldaan aan de snelle industrialisering die markten zocht voor de massaproductie waartoe het kapitalisme nu in staat was. Dat ging gepaard met de ontwikkeling van alle verleidingskunsten die de reclamewereld maar kon bedenken en uitproberen. Een voortgaande groei was gegarandeerd.

De nieuwe rol van geld maakte die groei onvermijdelijk. Die verandering culmineerde in het loslaten van de gouden standaard in 1971. Geld werd virtueel. Vanaf dat moment werd geld gecreëerd op basis van een vorm van schuld. Lent beschrijft het zo: Als schuld moest de geldhoeveelheid blijven groeien om de rente over de schuld te kunnen voldoen. Dit maakt een eeuwig durende economische groei nodig om het systeem aan de gang te houden.* (Zie ook aflevering 7 en volgende.)

Dit is een duidelijke positieve terugkoppeling. En was de spreuk van de tovenaarsleerling dat niet ook?

En daarmee zijn we er nog lang niet.

De vereiste groei van de geldhoeveelheid heeft onze samenleving aangezet tot een meedogenloze zoektocht naar steeds meer natuurlijke bronnen om te gelde te maken. Dit betreft zowel tastbare grondstoffen zoals de oliewinning als minder tastbare zaken als kinderverzorging – en wat er vroeger nog meer zonder betaling werd gedaan. Dit te gelde maken dringt nu in ieder aspect van ons leven door. We zijn hier zo aan gewend geraakt, dat ons bewustzijn ervan doordesemd is. We weten niet beter meer, of zo hoort het te zijn. Het is een patroon geworden dat we geïnternaliseerd hebben.

Dit kon weer alleen door de rol van de onderneming, in de vorm van een naamloze vennootschap met aandeelhouders, overheersend te maken. We kwamen dit al tegen in het artikel Corporatisme zuigt welvaart weg. Opvallend genoeg wist het commerciële Amerika de corporatie lange tijd buiten de deur te houden. Maar bij de Burgeroorlog zagen de industriëlen hun kans schoon.

Ruterford B. Hayes, die in 1877 president werd, kon er al over klagen: ‘Dit is niet langer een regering van de mensen, door de mensen en voor de mensen. Het is een regering van ondernemingen, door ondernemingen en voor ondernemingen.’ In 1886 kreeg de corporatie als juridische vorm van het Hooggerechtshof de status van persoon, met alle bescherming van het Veertiende Amendement erbij (dat oorspronkelijk bedoeld was om de positie van vrijgelaten slaven te versterken). De corporatie werd zo een abstracte eenheid die er uitsluitend is voor het aandeelhoudersbelang en die onsterfelijk is, niet gevangen gezet kan worden en niet gebonden is aan de wetten van welk individueel land dan ook. 53 van de 100 grootste economieën op aarde zijn corporaties (multinationals).

Hoe eenzijdig die gerichtheid op het maken van winst is, wordt duidelijk uit een gesprek dat de bioloog Paul Ehrlich in de vorige eeuw had met een Japanse journalist. Het viel Ehrlich op dat de walvisjacht het risico liep zijn eigen bron van inkomsten om zeep te helpen. Waarop de journalist reageerde: ‘Je denkt over vissers op de walvisjacht als over een organisatie die geïnteresseerd is de walvisstand op peil te houden; maar je kunt het beter zien als een enorme hoeveelheid kapitaal die probeert het hoogste rendement te halen. Als het 15% kan halen door de walvis in 10 jaar totaal weg te vangen, maar slechts 10% zou halen bij het in stand houden, dan kiest het kapitaal het eerste. Na die 10 jaar stapt het gewoon over naar een andere bron om de exploiteren.’

Als we (juridisch) doen alsof zo’n bedrijf een mens is, dat is het een psychopaat zonder mededogen en normaal menselijk gedrag. En juist hierover schrijft Al Gore: ‘Het is nu heel gewoon dat advocaten die lobby’s van ondernemingen vertegenwoordigen erbij zitten als we wetten aan het schrijven zijn, dat ze de precieze bewoordingen dicteren die belemmeringen voor hun bedrijvigheid uit de weg ruimen. … Veel wetten in Amerika worden nu in hun geheel geschreven door zulke lobby’s, waarna de politici ze alleen maar hoeven in te brengen.’ En bij ons gebeurt dat ook wel.

En dan doen economen of de mens rationeel zijn eigenbelang nastreeft en dat dat resultaat een weldaad voor allen is. Ze denken alleen in competitie, nooit in samenwerking.

Met het vrije geldverkeer, kunnen corporaties fabrieken neerzetten waar ze maar willen, en zo allerlei wetgeving en vakbonden buiten spel zetten. Deze vorm van ondernemen heeft de productie doen exploderen. Was de wereldproductie in 1950 6,4 biljoen dollar waard, in 2012 was dat 72,4 biljoen dollar. De welvaart is tegelijk zeer ongelijk verdeeld. U kent de cijfers waarschijnlijk: 20% van de Amerikanen bezit 93% van alles (huizen niet meegeteld). 1% bezit 43% van alles en de armste 60% bezit slechts 0,3%. Op wereldschaal bezitten de 8 (of 26 zoals aangegeven in aflevering 21) rijkste mensen evenveel als de armste helft van de wereldbevolking. De 20% van de wereldbevolking die in de OESO-landen woont, consumeert 86% van alle goederen en diensten, de armste 20% consumeert 1,3% ervan.

En net als bij de tovenaarsleerling is de trend in de richting van grotere ongelijkheid niet te stoppen. De uitkomst kan ook moeilijk anders zijn, want zo zit het systeem in elkaar. Als er al een tovenaar is, dan is hij het ermee eens.

Als je uitsluitend denkt in geldtermen, in kosten en baten, en de toekomst onderwaardeert, krijg je dat de meeste mensen steeds meer wordt afgenomen van wat ze sinds mensenheugenis bezaten. Dit proces van inpikken en toeëigenen is het onderwerp van het artikel door Jason Hickel.

Als onderlinge exploitatie voorop staat, moet dat onze houding tegenover de natuur wel vormgeven: die is er om ontgonnen, nee om ‘veroverd’ te worden. We hebben in de serie over energie gezien hoe zich dat ontwikkeld heeft, en in het artikel Kunnen we ontsnappen aan de energie-complexiteitsspiraal lezen we hoe dat wel móet gaan vast lopen. Ook hier is de tovenaarsleerling weer bezig. De bezemsteel blijft doorwerken, alles moet meer.

We lezen over deze grote versnelling in de De vooruitziende blik (de inleiding bij 4eco). Hiertoe behoort ook de groei van 2,5 miljard mensen in 1950 naar 7,5 miljard nu (en misschien onderweg naar 10 miljard). Bij alle gedachten om een oorlogseconomie op te zetten om het klimaat te redden, zoals Amerika deed in 1940, moeten we dus wel bedenken dat alles intussen een veelvoud bedraagt vergeleken met toen, om te beginnen het aantal mensen. Dat maakt het veel moeilijker te realiseren.

Onze exploitatie van de aarde is nu op het randje van wat misschien nog even kan. U kent misschien deze cijfers wel: Twee derde van de grote rivieren bereikt vaak de zee niet meer; onderaardse waterlagen raken nu al uitgeput; dus een zoetwatertekort zal spoedig gigantisch worden. De helft van alle wouden, mangroves en draslanden is al weg; in 30 jaar zal dit (los van het klimaat) weer halveren. De bodems worden in Amerika 10 keer sneller verbruikt dan de regeneratie duurt; in Europa is het 17 keer zo snel; in China 57 keer zo snel; we zullen spoedig honger krijgen door gebrek aan vruchtbare grond; intussen vervuilt de stikstofkunstmest het milieu op steeds grotere schaal. De zeeën worden leeggevist; wilde dieren krijgen geen ruimte meer; het uitsterven is schrikbarend. Over het klimaat hebben we het al gehad. Het wachten is op het verstrijken van omslagpunten.

We zijn nu zo overheersend geworden, dat we planetair een onbekend gebied betreden, een terra incognita. Over het beheersen van de toverkunst gesproken!

Er is op aarde geen tovenaar die thuis komt om de leerling uit de brand te helpen. Ons probleem is gelaagd, en elke laag moet apart aangepakt worden, willen we onszelf redden. Lent gebruikt het begrip keurslijf (of dwangbuis) dat je overal terugziet, als je erover nadenkt.

Het is gemakkelijk in te zien dat er gevestigde belangen zijn, die alles te verliezen hebben bij de noodzakelijke veranderingen. Die belangen zijn economisch, structureel, financieel en politiek – en ze hebben zich tot nu toe op al die fronten verzet, met als gevolg dat we op klimaatgebied geen stap vooruit zijn gekomen.

Allereerst is er (economisch) de oliesector. Die steekt jaarlijks honderden miljoenen dollars in lobbywerk om verandering te voorkomen. Maar ook zonder zulke belanghebbenden is een gevestigd systeem (structureel) al heel moeilijk te veranderen. Lent noemt zoiets eenvoudigs als het QWERTY-toetsenbord als voorbeeld. De letters zijn daarop expres onhandig verdeeld, omdat bij snelle typistes op de ouderwetse typemachines anders steeds de ‘pootjes’ verstrikt raakten. Alle pogingen om weer van die ongelukkige volgorde af te komen, zijn mislukt. En dan staan we nu dus voor de enorme hervorming die alleen al de overgang op elektrisch van het verkeer vergt. Het is niet zó onlogisch dat de Duitse auto-industrie zo lang tegenstribbelde.

Nog veel moeilijker is de dwangbuis in de financiële infrastructuur die onder die oliewereld ligt. De waarde van energiebedrijven wordt voornamelijk bepaald door de olie-, gas, en steenkoolreserves die ze bezitten. Maar die mogen ze dus eigenlijk niet meer exploiteren als we het klimaat willen redden. Hun beurswaarde is in die optiek een zeepbel. Als de waarde van deze bedrijven gaat kelderen, kan het kapitalistisch systeem zelfs instorten. De diverse landen waar deze bedrijven hun zetel hebben, of landen die zelf olievoorraden bezitten, zullen eerder elkaar geopolitiek de loef af willen steken – om als laatste toe te geven – dan willen samenwerken aan een gecoördineerde overgang, laat staan dat er één het voortouw wil nemen met zichzelf drastisch te verarmen. Er is geen tovenaar om deze leerlingen uit de brand te helpen.

Onder de financiële infrastructuur ligt het paradigma van het kapitalisme. Dat beschouwt wat de natuur ons gratis geeft niet als relevant voor de toekomst. We zagen dat bij het onderscheid in primaire en secundaire economie van Schumacher en bij de kritiek op William Nordhaus, de Nobelprijswinnaar voor (klimaat)economie. Ook de beperkte en deels totaal foutieve reikwijdte van het alom gebruikte bbp zit ons hierbij in de weg. En we hebben individueel niet eens echt iets aan die economische groei van het kapitalistische paradigma, want we zijn er in de afgelopen decennia niet gelukkiger door geworden. Dat toont allerlei onderzoek aan.

We zouden dus kunnen zeggen: ‘Voor ons hoeft die groei niet’, maar dat wil niet zeggen dat we er zomaar uit kunnen stappen.

Print Friendly, PDF & Email