De 50ste verjaardag van ‘Grenzen aan de groei’ – van scenario’s tot de realiteit die zich nu ontvouwt

RICHARD HEINBERG*

Een halve eeuw geleden werden de wereld van de wetenschap, het overheidsbeleid en de economie opgeschrikt door een gedenkwaardige publicatie, Grenzen aan de groei, geschreven door vier systeemwetenschappers (Donella Meadows, Dennis Meadows, Jørgen Randers en William Behrens III) van het Massachusetts Institute of Technology (MIT). Het team stelde een reeks op de systeemdynamica gebaseerde computerscenario’s op, waaruit bleek dat een niet-aflatende toename van de bevolking en de industriële productie op de lange duur onhoudbaar zouden blijken, en dat een stabiele toekomst alleen bereikt kon worden wanneer zowel de bevolkings- als de industriële productieniveaus doelbewust door overheidsbeleid zouden worden beperkt. Zou die groei toch onverwijld aanhouden, dan zou de crisis die daarvan het gevolg is niet onmiddellijk plaatsgrijpen; in het ‘standaard’- (of ‘business as usual’-)scenario van het team bleken grote verstoringen van de wereldsystemen pas in de eerste helft van de 21e eeuw te gaan beginnen.

Van Grenzen aan de groei werden 12 miljoen exemplaren verkocht. Het boek werd vertaald in 37 talen en blijft het best verkochte milieuboek ooit gepubliceerd. Prominente economen (waaronder Robert Solow, Milton Friedman en Julian Simon) gruwden echter van het idee dat er grenzen aan de groei zouden kunnen zitten, en ze publiceerden weerleggingen die weliswaar niet op de kernargumenten van het boek ingingen, maar in de daaropvolgende jaren desalniettemin herhaaldelijk werden aangehaald als gezaghebbende kritiek (een uitstekend overzicht en geschiedenis van het debat is te vinden in Ugo Bardi’s The Limits to Growth Revisited. The New York Times Book Review deed Grenzen aan de groei af als ‘een leeg en misleidend werk … garbage in, garbage out.’ Newsweek (toen een veel invloedrijker blad dan nu) noemde het ‘een berg onverantwoordelijke nonsens’. Beleidsmakers waren blij verlost te zijn van de verplichting om zich met het boek en zijn implicaties bezig te moeten houden en hebben het sindsdien goeddeels genegeerd.

Figuur 1: World model, standaardscenario. Deze grafiek, van bladzijde 124 van de eerste editie van het boek van 2 maart 1972, veroorzaakte paniek en woede.

Was Grenzen aan de groei echt een verzameling ‘lege … misleidende … onverantwoordelijke nonsens’? Zoals we zullen zien, zijn deze oordelen veeleer van toepassing op de negatieve kwalificaties van het boek.

Met behulp van een simulatieprogramma, World3, produceerde het MIT-modelonderzoek een reeks van 12 scenario’s, die lieten zien hoe de uitputting van hulpbronnen, de bevolkingsgroei, de industriële productie per hoofd van de bevolking (hvdb), de vervuiling en de voedselproductie per hvdb onder verschillende beleidsvoorwaarden op elkaar inwerkten. Hoewel het ‘business as usual‘-scenario (zonder beleidsinterventies) de verontrustende eigenschap vertoonde om ergens voor of rond het midden van de 21ste eeuw te pieken en een daaropvolgende substantiële daling in het niveau van de wereldbevolking en de industriële productie te genereren, was het team er bepaald niet op uit om een dergelijk scenario werkelijkheid te laten worden. Alle andere scenario’s waren namelijk gebaseerd op pogingen om andere en wenselijkere resultaten te bereiken. Wat als de voorraden (met inbegrip van mineralen en metalen) in werkelijkheid twee keer zo groot zouden zijn als toen werd aangenomen? Wat als de groei van de bevolking en/of de industriële productie door overheidsbeleid zou worden ingeperkt? In het beste geval zou de economie een stabiele toestand kunnen bereiken, althans voor de komende eeuw, al zou dat wel aanzienlijke beleidsinterventies vereisen.

Nu beschikken we over het voordeel dat we een halve eeuw kunnen terugblikken. Helaas hebben we ook de grote pech dat we leven in een wereld die het standaardscenario uit de studie dicht benadert. In dit artikel zal ik de scenario’s in grote lijnen met de werkelijkheid vergelijken, bespreken welke factoren in de studie over grenzen aan de groei niet werden gemodelleerd, een overzicht geven van latere herbeoordelingen van de studie uit 1972, en onderzoeken wat er nog kan worden gedaan om het aantal slachtoffers tot een minimum te beperken nu de expansieve drang van de mensheid in real-time op de grenzen van onze planeet botst.

De scenario’s uit 1972

1. Standaardscenario

2. Dubbele hoeveelheid grondstoffen

3. ‘Onbeperkte’ grondstoffen in combinatie met maximale recycling

4. ‘Onbeperkte’ grondstoffen in combinatie met inperking van vervuiling

5. ‘Onbeperkte’ grondstoffen in combinatie met inperking van vervuiling en verhoogde landbouwproductiviteit

6. ‘Onbeperkte’ grondstoffen in combinatie met inperking van vervuiling en ‘perfecte’ geboortebeperking

7. ‘Onbeperkte’ grondstoffen in combinatie met inperking van vervuiling, verhoogde productiviteit van de landbouw en ‘perfecte’ geboortebeperking

8. Gestabiliseerde bevolking (het geboortecijfer staat vanaf 1975 gelijk aan het sterftecijfer)

9. Gestabiliseerde bevolking en kapitaal (kapitaalinvesteringen zijn gelijk aan de afschrijvingen)

10. Gestabiliseerd wereldmodel 1: technologisch beleid (verlenging van de levensduur van industrieel kapitaal) toegevoegd aan scenario 9, plus bodemherstel

11. Gestabiliseerd wereldmodel 2: beperkingen van de groei van bevolking en kapitaal worden gefaseerd ingevoerd, om zo rekening te houden met waarschijnlijke vertragingen bij de tenuitvoerlegging

12. Het stabilisatiebeleid wordt uitgesteld tot het jaar 2000

In de volgende aflevering bekijken hoe we de huidige ontwikkeling van de bevolkingsgroei zich tot de modelverwachtingen uit 1972 verhoudt.

In plaats van de toekomstige bevolkingsniveaus simpelweg te ramen op basis van het toenmalige groeipercentage, gingen de auteurs juist diep in op de factoren en terugkoppelingen die tot bevolkingsgroei of -afname leiden. In 1972 telde de wereldbevolking 3,8 miljard mensen en dat aantal nam met 2,1 procent per jaar toe. In de daaropvolgende decennia hebben sommige landen (met name China) ingegrepen om de groei af te remmen, waardoor de mondiale bevolkingsgroei tot het huidige niveau van 1 procent per jaar is gedaald en de wereldbevolking nu een kleine 8 miljard zielen telt. In een groeiende lijst van landen, waaronder Japan, Italië, Cuba en verschillende Oost-Europese landen, krimpen de bevolkingsaantallen momenteel zelfs.

Figuur 2: Wereldbevolking en bevolkingsgroei van 1700 tot heden, met raming tot 2100 – uitsluitend gebaseerd op de huidige demografische trends (d.w.z. geen terugkoppeling van veranderingen in vervuiling, voedselproductie per hvdb*).

Waar in het standaardscenario de wereldbevolking rond het midden van de huidige eeuw een piek bereikte om daarna snel af te nemen, lijkt de wereld de piek nu iets geleidelijker te naderen dan zonder nationale interventies het geval zou zijn geweest. Dit betekent dat de piek op een iets lager bevolkingsniveau zal liggen – hoewel niet zo laag als in scenario’s 6, 7 en 8, waarin werd aangenomen dat de wereld vanaf 1975 een ‘perfect’ niveau van vrijwillige geboortebeperking zou bereiken, of in de scenario’s 9, 10 en 11, waarin de bevolking wordt gestabiliseerd door vanaf datzelfde jaar het wereldwijde geboortecijfer gelijk te trekken met het sterftecijfer. Sommige demografen voorspellen nu een bevolkingspiek kort na het midden van de eeuw, gevolgd door een geleidelijke daling, hetgeen zou overeenkomen met het standaardscenario.

Indien de trends die ik hieronder bespreek echter niet op de een of andere manier worden omgebogen, zou de daling wel eens eerder kunnen inzetten en veel sneller kunnen verlopen dan nu algemeen wordt verwacht.

De auteurs van Grenzen aan de groei hebben zich niet aan pogingen gewaagd om te voorspellen of en wanneer de mondiale energievoorziening een piek zou bereiken. Wat ze wel bespraken was de centrale rol van energie in de industriële productie, de onhoudbaarheid van onze sociaaleconomische afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en de grenzen aan de alternatieve energiebron die in 1972 het vaakst ter sprake kwam: kernenergie. Op het moment van publicatie nam het mondiale energieverbruik snel toe: van 1960 tot 1972 steeg dat met gemiddeld 5,4 procent per jaar. Sinds 1973 is dat groeitempo vertraagd naar een gemiddelde stijging van iets meer dan 2 procent in de afgelopen halve eeuw. Die afname is gedeeltelijk een gevolg van de teruglopende vraag, die te wijten is aan het feit dat ook het tempo van de economische groei in de wereld is afgenomen (zie hieronder). Maar het is ook belangrijk te begrijpen dat, naarmate fossiele brandstoffen (die ongeveer 85 procent van de totale energievoorziening uitmaken) uitgeput raken, er meer inspanningen nodig zijn om de resterende steenkool-, olie- en gasvoorraden op te sporen en te ontginnen. Aangezien goedkope energie een sleutelfactor is die economische groei mogelijk maakt, is het moeilijk te zeggen welke trend de drijvende kracht is – of de vertragende economische groei de vraag naar energie doet afnemen, of dat moeilijker te verkrijgen energie die groei afremt.

Tot dusver worden alternatieve energiebronnen niet uitgerold in een tempo dat hoger ligt dan de groei van het totale mondiale energieverbruik, en dus blijft de wereld voor het overgrote deel afhankelijk van fossiele brandstoffen. De steeds snellere verbranding van deze fossiele energiebronnen leidt tot steeds meer broeikasgassen in de atmosfeer, ook al zijn er uiteenlopende maatregelen genomen om de emissies terug te dringen (zie de aflevering over vervuiling).

Aangezien fossiele brandstoffen in toenemende mate uitgeput raken, en regeringen en investeerders hun vingers steeds minder willen branden aan steenkool, olie en gas vanwege de koolstofemissies en de gevolgen voor het klimaat, is een ‘energiepiek’ ergens in de komende 20 jaar, mogelijk zelfs dit decennium, een realistisch vooruitzicht.

Gezien de cruciale rol van energie in de samenleving zou een piek in de energieopwekking waarschijnlijk het einde betekenen van de economische groei zoals we die de afgelopen decennia hebben gekend.

De mensheid verbruikt momenteel een kleine 100 miljard ton grondstoffen per jaar, tegen ongeveer 30 miljard ton in 1972 (aldus het UNEP). In Grenzen aan de groei werd uitvoerig ingegaan op de snelheid waarmee verschillende minerale hulpbronnen uitgeput raken en de te verwachten grenzen aan de winning van deze grondstoffen.

Ook hernieuwbare hulpbronnen kunnen sneller worden opgebruikt dan ze zich kunnen aanvullen, wat de afgelopen decennia het geval is geweest bij bijvoorbeeld vissen en bossen. Niet-hernieuwbare hulpbronnen kunnen zich überhaupt niet aanvullen en raken mettertijd gewoon op. In alle scenario’s van het boek nemen de beschikbare niet-hernieuwbare hulpbronnen af, hoewel ze in het standaardscenario sneller afnemen dan in scenario’s waarin de bevolkingsomvang en/of de consumptie door beleidsinterventies wordt ingeperkt.

Criticasters van het boek grepen de grondstoffenramingen op pagina 56-60 aan (die overigens voornamelijk afkomstig waren uit publicaties van het US Bureau of Mines) om te beweren dat er ongetwijfeld nog grote hoeveelheden tot dusver onontdekte grondstoffen moeten bestaan. De auteurs hadden echter op deze kritiek geanticipeerd door een scenario op te nemen waarin de beschikbare voorraden twee keer groter waren dan hun toenmalige ramingen. In dit scenario bereikte de industriële productie weliswaar een hoger niveau, maar werd de ineenstorting slechts met een decennium of twee vertraagd als gevolg van het hogere vervuilingsniveau. De auteurs namen zelfs een derde scenario op, waarin energie onbeperkt was en alle grondstoffen gerecycleerd werden. Maar ook in dit scenario bleek de toegenomen milieuverontreiniging de grote boosdoener en werd een ineenstorting slechts iets vertraagd.

Beleidsmakers besteden tegenwoordig relatief weinig aandacht aan het dilemma van de grondstoffenuitputting. In het eerste decennium van deze eeuw bestond er een levendig debat over piekolie, maar nieuwe, intensieve en invasieve methoden van oliewinning (fracking en horizontaal boren) alsmede een sterke toename van de investeringen vertraagden de piek in de mondiale oliewinning met ongeveer een decennium, wat ruim baan gaf aan de wijdverbreide, zij het ongegronde opvatting dat het piekolieprobleem was opgelost of geen serieuze belangstelling meer waard was.

Een andere kritieke niet-hernieuwbare hulpbron baart echter eveneens grote zorgen. Dat is fosfor, een essentiële grondstof voor de industriële landbouw (later deze eeuw behoren tekorten zeker tot de mogelijkheden, en voor zover we weten bestaat er geen substituut voor). Ook goud en uranium zullen later deze eeuw waarschijnlijk schaars worden, aangezien de bekende voorraden snel uitgeput raken. Sommige analisten hebben ook alarm geslagen over de toekomstige grondstoffenvraag als gevolg van de geplande overschakeling op hernieuwbare energiebronnen als zonne- en windenergie. Hernieuwbare energie en batterijtechnologieën vergen enorme hoeveelheden koper, zilverzand, cadmium, gallium, germanium, lithium en zeldzame aardmetalen.

Ook als we hoge recyclingpercentages incalculeren, is het waarschijnlijk dat we ergens later deze eeuw met schaarste van enkele of al deze materialen te kampen zullen krijgen.