Hoe we de loop  van de menselijke geschiedenis kunnen veranderen (of althans, dat deel dat al gebeurd is)

DAVID GRAEBER* EN DAVID WENGROW*
Vertaald en samengesteld door Gertjan Cobelens

Eeuwenlang hebben we onszelf een simpel verhaal verteld over de oorsprong van sociale ongelijkheid. Voor het grootste deel van hun geschiedenis leefden mensen in kleine, egalitaire verbanden van jagers-verzamelaars. Toen kwam de landbouw, die privébezit met zich mee bracht, gevolgd door de opkomst van steden, wat het begin van onze eigenlijke beschaving inluidde. Beschaving bracht veel kwalijke zaken met zich mee (oorlogen, belastingen, bureaucratie, patriarchaat, slavernij…) maar ze was ook verantwoordelijk voor het geschreven woord, literatuur, wetenschap, filosofie en het gros van de overige grote menselijke verworvenheden.

Vrijwel iedereen is in grote lijnen met dit verhaal bekend. Al zeker sinds de tijd van Jean-Jacques Rousseau is dit verhaal leidend geweest voor hoe we in het algemeen over de menselijke geschiedenis en de richting ervan nadenken. Dit is belangrijk omdat dit verhaal ook bepalend is voor de politieke opties die we waarnemen. De meesten van ons zien beschaving – en dus ongelijkheid – als een tragische noodzaak. Sommigen dromen ervan om terug te keren naar een utopie uit het verleden en om vorm te geven aan een industrieel equivalent van het ‘primitieve communisme’. En zelfs, in extreme gevallen, om simpelweg alles te vernietigen en terug te keren gaan naar het stadium van jager-verzamelaar. Maar niemand vecht de basisstructuur van het verhaal aan.

Er is echter één probleem met dit verhaal. Het klopt niet.

Een overweldigende hoeveelheid bewijs uit de archeologie, antropologie en aanverwante disciplines geeft ons een steeds duidelijker beeld van hoe de afgelopen 40 duizend jaar van de menselijke geschiedenis er werkelijk heeft uitgezien, en dat lijkt op geen enkele manier op het conventionele verhaal. Onze soort bracht het grootste deel van haar geschiedenis helemaal niet door in kleine bandsamenlevingen, de landbouw markeerde geen onomkeerbaar omslagpunt in onze sociale evolutie en de eerste steden waren vaak uitgesproken egalitair.

Maar zelfs nu deze onderzoekers langzaamaan een consensus over dergelijke vragen beginnen te bereiken, blijven ze opmerkelijk terughoudend om hun bevindingen met het grote publiek – of zelfs maar met wetenschappers in andere disciplines – te delen. En deinzen ze er al helemaal voor terug om over de bredere politieke implicaties van dit nieuwe verhaal na te denken. Als gevolg daarvan nemen die schrijvers die zich over de ‘grote vragen’ rond de menselijke geschiedenis buigen – Jared Diamond, Francis Fukuyama, Ian Morris, om er een paar te noemen – nog altijd de vraag van Rousseau (‘Wat is de oorsprong van sociale ongelijkheid?’) als uitgangspunt. En daardoor gaan ze er nog steeds van uit dat dat grotere verhaal zijn aanvang nam met het verlies van een of andere ‘oeronschuld’.

Door de vraag op deze manier te framen, maak je noodgedwongen een reeks aannames. De eerste is dat er een ding is dat ‘ongelijkheid’ heet, de tweede dat dat een probleem is en de derde dat er een tijd is geweest dat die ongelijkheid niet bestaan heeft. Sinds de financiële crash van 2008 en de daaropvolgende onrust neemt het ‘probleem van de sociale ongelijkheid’ vanzelfsprekend een centrale positie in het politieke debat in.

Het begrip ongelijkheid lijkt echter wel geschapen voor apolitieke en technocratische oplossingen.

Onder de intellectuele en politieke klassen lijkt er een consensus te bestaan dat de omvang van de sociale ongelijkheid volkomen uit de hand is gelopen en dat een fors deel van de problemen in de wereld hier op de een of andere manier op terug te voeren is. Het aanroeren van overmatige ongelijkheid wordt al snel gezien als het im Frage stellen van de mondiale machtsstructuren. Maar vergelijk dit eens met de manier waarop soortgelijke kwesties een generatie eerder zouden zijn aangekaart. Toen ging dat in termen van ‘kapitaal’ of ‘klassenmacht’. In vergelijking daarmee lijkt het begrip ‘gelijkheid’ wel bedoeld om op halve maatregelen en halfslachtige compromissen uit te draaien. Bij het omver werpen van het kapitalisme of het afbreken van de staatsmacht kun je je nog iets voorstellen, maar het is heel wat lastiger om een beeld te krijgen bij hoe je ‘ongelijkheid’ uitbant. Als überhaupt al duidelijk zou zijn wat zoiets betekent, want mensen zijn niet allemaal hetzelfde en dat willen we graag zo houden.

Het gebruik van het etiket ‘ongelijkheid’ is een manier om sociale problemen toe te snijden op technocratische hervormers, op het soort mensen dat er op voorhand al van uitgaat dat elke echte politieke visie op sociale verandering allang van tafel is gehaald. Het etiket nodigt uit om enkel wat aan de cijfers te sleutelen, om te discussiëren over Gini-coëfficiënten en disfunctioneringsdrempels en aanpassingen aan belastingregimes of mechanismen van sociale zekerheid. En zelfs om het grote publiek te choqueren met cijfers die aantonen hoe slecht de zaken er wel niet voor staan (‘Moet je je voorstellen, 0,1 procent van de wereldbevolking heeft ruim 50 procent van alle rijkdom ter wereld in handen’). Maar zonder ook maar één van de factoren aan te kaarten waar mensen bij ongelijkheid echt aanstoot aan nemen. Bijvoorbeeld dat sommige mensen erin slagen om hun rijkdom om te zetten in macht over anderen, en dat andere mensen te horen krijgen dat hun behoeften er niet wezenlijk toe doen en dat hun leven geen intrinsieke waarde heeft. Dat laatste, zo worden we geacht aan te nemen, is slechts het onvermijdelijke effect van ongelijkheid. En op haar beurt is ongelijkheid weer het onvermijdelijke resultaat van het leven in een grote, complexe, stedelijke, technologisch verfijnde samenleving.

Dat is de echte politieke boodschap die wordt overgebracht met al die eindeloze verwijzingen naar dat denkbeeldig tijdperk van onschuld, die tijd van vóór de uitvinding van de ongelijkheid: dat als we echt af willen van dergelijke problemen, we ook af moeten van 99,9 procent van de wereldbevolking en we weer terug moeten keren naar het leven in kleine verbanden van jagers-verzamelaars. Zo niet, dan is het beste waar we op mogen hopen dat we het formaat van de laars die ons in het gezicht stampt neerwaarts kunnen bijstellen, of misschien wat meer manoeuvreerruimte kunnen creëren waardoor in elk geval sommigen van ons tijdig kunnen wegduiken.

Gelukkig is er ruimte voor een ander verhaal.

Het heeft er alle schijn van dat de gangbare sociale wetenschap in stelling is gebracht om dit gevoel van uitzichtloosheid te versterken. Bijna maandelijks worden we getrakteerd op publicaties die de huidige obsessie met de eigendomsverdeling helemaal op het Stenen Tijdperk terugprojecteren. Dit zet ons op een dwaalspoor. Het leidt tot een valse zoektocht naar ‘egalitaire samenlevingen’ die zo gedefinieerd zijn dat ze onmogelijk buiten minutieuze bandsamenlevingen van jagers-verzamelaars kunnen bestaan (en misschien zelfs dan nog niet).

Om die reden willen we in dit essay twee dingen doen. Ten eerste zullen we wat tijd besteden aan het uitpluizen van wat rond dergelijke zaken voor een goed gefundeerde opinie doorgaat, om zo te laten zien hoe het spel gespeeld wordt. En hoe zelfs de ogenschijnlijk beste ingelichte hedendaagse geleerden uiteindelijk de conventionele wijsheid reproduceren zoals die in het Frankrijk of Schotland van rond 1760 de rigueur was. Vervolgens willen we een poging wagen om de eerste fundamenten te leggen voor een heel ander verhaal. Dit is vooral een kwestie van het opruimen van achterhaalde inzichten. De vragen waar we mee te maken hebben zijn zo enorm, en de kwesties zo belangrijk, dat het jaren van onderzoek en debat zal vergen om zelfs maar een begin te maken met het doorgronden van alle implicaties.

Maar er is één ding waar we op staan. Namelijk dat afzien van het verhaal van de verloren oeronschuld op geen enkele manier betekent dat we ook de dromen over de menselijke emancipatie moeten opgeven. Dat wil zeggen, de dromen over een samenleving waarin niemand zijn eigendomsrecht om kan zetten in een middel om anderen tot slaaf te maken, en waarin niemand te horen krijgt dat zijn of haar leven en behoeftes er niet toe doet. Integendeel juist. Wanneer we ons bevrijden van onze conceptuele kluisters en de zaken zien zoals ze echt geweest zijn, dan maakt dat de geschiedenis van de mens er alleen maar boeiender op, met veel meer hoopvolle momenten dan het bestaande verhaal ons laat geloven.

Het bestaande verhaal berust op maar één denker, Jean-Jacques Rousseau, en dat verhaal was nooit bedoeld om de werkelijke geschiedenis weer te geven.

Laten we om te beginnen in grote trekken het standaardverhaal over de loop van de menselijke geschiedenis schetsen. Dat ziet er ongeveer als volgt uit: Wanneer het gordijn over de menselijke geschiedenis wordt opgetrokken – zeg maar zo’n 200 duizend jaar geleden, toen de anatomisch moderne Homo sapiens op het toneel verscheen – leeft onze soort in kleine, beweeglijke banden, in omvang variërend van twintig tot veertig leden. Ze zijn voortdurend op zoek naar optimale jacht- en foerageergebieden; ze volgen kuddes en verzamelen noten en bessen. Worden de middelen schaars of ontstaan er sociale spanningen, dan reageren ze daarop door verder te trekken. Het leven van deze vroege mensen – noem het de kindertijd van de mensheid – zit vol gevaren, maar ook vol mogelijkheden. Ze beschikken weliswaar over weinig materiële bezittingen, maar de wereld is een ongerepte en uitnodigende plek. De meesten werken slechts een paar uur per dag, en doordat ze in zulke kleine verbanden leven, valt het hen licht om een ongedwongen kameraadschap te handhaven zonder formele hiërarchischer structuren. In de achttiende eeuw doopte Rousseau dit de ‘natuurtoestand’, maar tegenwoordig gaat men ervan uit dat deze staat op het grootste deel van de geschiedenis van onze soort van toepassing is geweest. Ook gaat men ervan uit dat dit het enige tijdperk is geweest waarin de mens er daadwerkelijk in slaagde in samenlevingen van gelijken te leven, zonder klassen, kasten, erfelijke leiders of een gecentraliseerde overheid.

Helaas kon deze gelukkige stand van zaken niet eeuwig voortduren. De conventionele versie van de wereldgeschiedenis plaatst dit moment zo’n 10 duizend jaar geleden, aan het einde van de laatste ijstijd. Op dit punt in de geschiedenis hebben onze denkbeeldige menselijke acteurs zich over alle continenten verspreid en beginnen ze hun eigen gewassen te verbouwen en hun eigen vee te houden. Wat de plaatselijke redenen ook geweest mogen zijn (ze vormen nog altijd onderwerp van debat), de gevolgen waren buitengewoon ingrijpend en in grote lijnen overal hetzelfde. Verbondenheid aan de grond en privébezit eisten een rol op die tot dan toe onbekend was geweest. En deze nieuwe fenomenen mondden sporadisch in vetes en oorlogen uit. De landbouw bracht een voedselsurplus voort, hetgeen sommigen in staat stelt om buiten hun directe groep rijkdom en invloed te vergaren. Anderen gebruikten hun vrijstelling van de jacht op voedsel om nieuwe vaardigheden te ontwikkelen, zoals het uitvinden van meer geavanceerde wapens, gereedschappen, voertuigen en vestingwerken, of het bedrijven van georganiseerde politiek en religie. Als gevolg daarvan kregen deze ‘neolithische boeren’ al snel de overhand over de naburige jagers-verzamelaar, en gingen ze ertoe over om hen uit te roeien of in hun nieuwe en superieure – zij het minder gelijke – levensstijl te assimileren.

Om het er nog lastiger op te maken – dat wil zeggen, volgens het standaardverhaal – zorgde de landbouw voor een wereldwijde bevolkingstoename. Terwijl mensen zich in steeds grotere bevolkingscentra vestigden, zetten onze voorouders argeloos hun volgende onomkeerbare stap richting ongelijkheid. En toen zo’n 6 duizend jaar geleden de eerste steden werden gebouwd was ons lot bezegeld. Met de opkomst van de steden ontstond ook de behoefte aan gecentraliseerde overheden. Er traden nieuwe klassen van bureaucraten, priesters en krijgers/politici aan die belast waren met het bewaren van de orde, het leveren van overheidsdiensten en de vlotte doorstroming van de goederentoevoer. Vrouwen, die ooit zo’n prominente rol bij het menselijk wel en wee hadden gespeeld, werden nu afgezonderd of in harems gevangengezet. Krijgsgevangenen werden tot slaaf gemaakt. De ongelijkheid had nu voluit zijn intrede gedaan en was niet meer weg te krijgen. En toch bracht die opkomst van de stedelijke beschaving niet uitsluitend kommer en kwel, aldus het gangbare narratief. We vonden het schrift uit, in eerste instantie om de staatsboekhouding bij te houden, en dat stelde ons in staat om ongekende vooruitgang te boeken op het gebied van wetenschap, technologie en kunst. Met het afwerpen van onze oeronschuld zijn we ons moderne zelf geworden. En kunnen we nu alleen nog maar met medelijden en jaloezie naar die handvol ‘traditionele’ of ‘primitieve’ samenlevingen kijken die op de een of andere manier de boot hebben gemist.

In al onze onwetendheid stevenden we halsoverkop op de ongelijkheid af, althans zo laat het standaardverhaal ons geloven.

Dit is het verhaal dat volgens ons de basis vormt van alle hedendaagse debatten over ongelijkheid. Als, zeg, een expert op het gebied van internationale betrekkingen of een klinisch psycholoog iets over dergelijke zaken te berde wenst te brengen, dan zal hij of zij hoogstwaarschijnlijk voetstoots aannemen dat we voor het grootste deel van de menselijke geschiedenis in kleine egalitaire bandsamenlevingen hebben geleefd of dat de opkomst van de stad ook de opkomst van de staat betekende. Hetzelfde geldt voor de jongste boeken die in grove trekken een beschrijving van de prehistorie geven om zo politieke conclusies te kunnen trekken die voor ons huidige bestaan relevant zijn. Denk bijvoorbeeld aan Francis Fukuyama’s The Origins of Political Order: From Prehuman Times to the French Revolution:

In het beginstadium van de mens valt zijn politieke organisatie het best te vergelijken met die van het groepsbestaan zoals dat wordt waargenomen bij hogere primaten als chimpansees. Dit kan als de standaardvorm van sociale organisatie worden opgevat. […] Rousseau wees erop dat de oorsprong van de politieke ongelijkheid te vinden is in de opkomst van de landbouw, en daarin had hij grotendeels gelijk. Aangezien samenlevingen in banden pre-agrarisch zijn, is er geen sprake van privébezit in de moderne zin van het woord. Net als chimpansees bewonen jagers-verzamelaars een territoriaal gebied dat ze bewaken en waar ze af en toe om vechten. Maar in tegenstelling tot de landbouwers ontberen ze goeddeels de prikkel om een stuk land af te bakenen en het tot hun bezit uit te roepen. Dringt een andere groep hun territorium binnen of wordt het gebied bewoond door gevaarlijke roofdieren, dan hebben de leden van de groep de optie om, gezien de geringe bevolkingsdichtheid, simpelweg ergens anders heen te verhuizen. Samenlevingen die uit banden bestaan zijn zeer egalitair […] Leiderschap wordt aan individuen toegekend op basis van kwaliteiten als kracht, intelligentie en betrouwbaarheid, maar kan gemakkelijk van het ene individu aan het andere worden overgedragen.

In zijn World Before Yesterday: What Can We Learn from Traditional Societies? oppert Jared Diamond dat dergelijke verbanden (waarvan hij aanneemt dat mensen daar zo ‘recent als 11 duizend jaar geleden’ nog in leefden) bestaan uit ‘slechts enkele tientallen individuen’, die voor het overgrote deel biologisch verwant zijn. Ze leidden een tamelijk karig bestaan, ‘terwijl ze op de dieren jaagden en de planten verzamelden die zich in hun hectare bos ophielden.’ (Waarom dat slechts een hectare is, legt hij niet uit.) En hun sociale leven was volgens Diamond benijdenswaardig simpel. Beslissingen werden ‘in onderling overleg’ genomen; er waren ‘weinig persoonlijke bezittingen’ en er was evenmin sprake van ‘formeel politiek leiderschap of van vergevorderde economische specialisatie’. Diamond concludeert dat het de mens helaas alleen binnen dergelijke primordiale verbanden gelukt is om een significante mate van sociale gelijkheid te bereiken.

Maar hebben deze opvattingen ook een wetenschappelijke basis?

Wat voor altijd en overal een eind heeft gemaakt aan die gelijkheid is, wat betreft Diamant en Fukuyama – en Rousseau een paar eeuwen eerder –, de uitvinding van de landbouw en de hogere bevolkingsdichtheid die deze mogelijk maakte. De landbouw ontketende een overgang van bandsamenlevingen naar ‘stamverbanden’. Een groeiend voedselsurplus leidde tot bevolkingsgroei, wat bij sommige stammen resulteerde in meer hiërarchisch georganiseerde samenlevingen die bekend staan als ‘chiefdoms’. Fukuyama schetst een bijkans bijbels beeld; een verbanning uit de Hof van Eden: ‘Naarmate kleine groepen mensen migreerden en zich aanpasten aan uiteenlopende omgevingen, lieten ze de natuurtoestand achter zich door nieuwe sociale instellingen te ontwikkelen.’ Ze voerden oorlogen om hulpbronnen. Ze gedroegen zich als ongerichte puberbendes en dus kon het met deze samenlevingen alleen maar slecht aflopen.

Het werd hoog tijd om op te groeien, om eens wat stevig leiderschap aan te stellen. Dus duurde het niet lang voordat de leiders zich tot koning of keizer uitriepen. Verzet hiertegen was zinloos. Zodra mensen in grote, complexe samenlevingsvormen gingen leven, was dit alles onvermijdelijk geworden. Ook toen die leiders zich van hun slechtste kant lieten zien – door het landbouwsurplus af te romen om hun lakeien en verwanten te fêteren, door hun status permanent en erfelijk te maken, door schedels als trofeeën en slavenmeisjes voor hun harems te verzamelen of de harten van hun rivalen met messen uit hun borst te snijden – was er geen weg meer terug. ‘Een grote bevolking kan niet functioneren’, aldus Diamond, ‘zonder leiders die de beslissingen nemen, zonder managers die die beslissingen in beleid omzetten en bureaucraten die die beslissingen en dat beleid uitvoeren. Jammer maar helaas voor al die lezers die anarchist zijn en van een leven zonder staatsgezag dromen, maar dit zijn nu eenmaal de redenen waarom jullie droom onrealistisch is: jullie zullen een kleine band of stam moeten vinden die bereid is jullie te accepteren. Een samenlevingsvorm waarin niemand een vreemde is, en waarin koningen, presidenten en bureaucraten overbodig zijn.’

Een treurigstemmende conclusie. En niet alleen voor anarchisten, maar voor een ieder die zich ooit heeft afgevraagd of er misschien een levensvatbaar alternatief voor de status quo bestaat. Maar wat werkelijk opmerkelijk is, is dat dergelijke uitspraken, ondanks de zelfvoldane toon waarmee ze gebezigd worden, niet op enige vorm van wetenschappelijk bewijs gestoeld zijn.

Er is namelijk geen enkele reden om aan te nemen dat juist kleinschalige groepen egalitair zijn, of dat grote groepen noodzakelijkerwijs koningen, presidenten of bureaucratieën moeten hebben.

In het geval van Fukuyama en Diamond kan je in elk geval nog stellen dat ze nooit in de relevante disciplines zijn opgeleid (de eerste is politicoloog, de tweede doctor in de fysiologie van de galblaas). Maar ook wanneer antropologen en archeologen zich aan het Grote Verhaal wagen, leggen ze een vreemde neiging aan de dag om eveneens op een variant van Rousseau uit te komen. In The Creation of Inequality: How our Prehistoric Ancestors Set the Stage for Monarchy, Slavery, and Empire vullen Kent Flannery en Joyce Marcus, twee bij uitstek gekwalificeerde geleerden, zo’n vijfhonderd pagina’s met etnografische en archeologische casestudies in een poging de puzzel op te lossen.

Ze geven weliswaar toe dat onze voorouders uit de ijstijd niet geheel onbekend waren met hiërarchische instituties en vormen van slavernij, maar houden vol dat die vooral een rol speelden in hun omgang met het bovennatuurlijke (in het bijzonder met vooroudergeesten). De uitvinding van de landbouw, zo stellen ze, leidde tot de opkomst van demografisch uitgebreide ‘clans’ of ‘verwantschapsgroepen’, waarmee de toegang tot vooroudergeesten en de overledenen in een route naar de aardse macht ontaarde (hoe precies wordt niet duidelijk gemaakt).

Volgens Flannery en Marcus vond de volgende grote stap op de weg naar ongelijkheid plaats toen bepaalde clanleden met een buitengewoon talent of prestige – kundige genezers, krijgers en andere strebers – het recht verwierven om hun status aan hun nakomelingen over te dragen, ongeacht de talenten of capaciteiten van die laatsten. Daarmee werd het fundament gelegd, en vanaf dat moment was het slechts een kwestie van tijd voordat steden, monarchieën, slavernij en imperia hun opwachting maakten.

Het vreemde aan het boek van Flannery en Marcus is dat ze pas bij de geboorte van staten en rijken iets van hard archeologisch bewijs aandragen. Alle echte sleutelmomenten in hun verslag over het ‘ontstaan van ongelijkheid’ berusten in plaats daarvan op relatief recente beschrijvingen van kleinschalige plantenverzamelaars, herders en telers zoals de Hadza in de Oost-Afrikaanse Grote Slenk, of de Nambikwara in het Amazoneregenwoud. Verslagen over dit soort ‘traditionele samenlevingen’ worden behandeld alsof het vensters op het paleolithische of neolithische verleden zijn. Het probleem is alleen dat dit hoegenaamd niet het geval is. De Hadza of Nambikwara zijn geen levende fossielen. Ze staan al millennia in contact met landbouwstaten en imposante rijken, met plunderaars en met handelaren, en hun sociale instellingen zijn diepgaand gevormd door hun pogingen om met hen in contact te komen of ze juist te ontwijken. Alleen archeologisch bewijs kan ons vertellen wat ze – als dat überhaupt al iets is – gemeen hebben met prehistorische samenlevingen.

Dus waar Flannery en Marcus ons allerlei interessante inzichten verschaffen over hoe die ongelijkheid in menselijke samenlevingen mogelijkerwijs tot stand is gekomen, geven ze ons weinig reden om aan te nemen dat het ook daadwerkelijk zo gegaan is.

Laten we tot slot eens kijken naar Ian Morris’ Foragers, Farmers and Fossil Fuels: How Human Values Evolve. Morris streeft een iets ander intellectueel project na. Hij probeert bevindingen uit de archeologie, oude geschiedenis en antropologie te relateren aan het werk van enkele economen. In het geval van Thomas Piketty heeft dat betrekking op de oorzaken van ongelijkheid in de moderne wereld en bij Sir Tony Atkinson gaat het over meer beleidsgerichte ongelijkheid, en wat eraan te doen valt. Het ‘diepe verleden’ van de mens heeft ons, aldus Morris, iets belangrijks te vertellen over dergelijke vragen – maar niet voordat we eerst een uniforme maatstaf voor ongelijkheid vaststellen die over de hele tijdlijn van toepassing is. Dit speelt hij klaar door de ‘waarden’ van de jagers-verzamelaars uit de ijstijd en neolithische boeren te vertalen in begrippen waarmee hedendaagse economen uit de voeten kunnen. Deze gebruikt hij vervolgens om hun uiteenlopende Gini-coëfficiënten, hun formele maatstaf van ongelijkheid dus, vast te stellen. In tegenstelling tot de spirituele ongelijkheden die Flannery en Marcus benadrukken, spiegelt Morris ons een onbekommerd materialistische visie voor, waarbij hij de menselijke geschiedenis verdeelt in de drie grote (Engelstalige) ‘F’s’ uit zijn titel (te weten jagers-verzamelaars, boeren en fossiele brandstoffen). Dat wil zeggen dat hij die periodes indeelt op basis van hoe ze warmte kanaliseren. Alle samenlevingen, zo betoogt hij, kennen een ‘optimaal’ niveau van sociale ongelijkheid – een ingebouwde ‘Spirit level’ om de titel van het boek van Pickett en Wilkinson aan te halen – dat in overeenstemming is met de dominante manier waarop ze hun energie winnen.

In een artikel uit 2015 voor The New York Times geeft Morris ons de bijbehorende getallen. Het gaat om gekwantificeerde oerinkomens in Amerikaanse dollars, berekend op basis van de dollarwaarde van 1990.* Ook hij gaat ervan uit dat de jagers-verzamelaars van de laatste ijstijd doorgaans in kleine, dynamische bandsamenlevingen leefden. Als gevolg daarvan consumeerden ze heel weinig, grofweg het equivalent van 1,10 dollar per dag. Bijgevolg genoten ze ook van een Gini-coëfficiënt van rond de 0,25 – zo ongeveer het laagst niveau dat mogelijk is – omdat er te weinig surplus of kapitaal was waar een aspirant-elite de hand op kon leggen. Agrarische samenlevingen – en voor Morris omvat dit alles van de 9000 jaar oude neolithische nederzetting Çatalhöyük in het hedendaagse Turkije tot het China van Koeblai Khan tot het Frankrijk van Lodewijk XIV – waren dichter bevolkt en welvarender, met een gemiddelde consumptie van 1,50 tot 2,20 dollar per dag per persoon. Tevens waren ze behept met een drang om overtollige rijkdom te creëren. Daar staat tegenover dat de meeste mensen ook harder werkten en onder duidelijk slechtere omstandigheden leefden, dus neigden die landbouwmaatschappijen naar een veel hoger niveau van ongelijkheid.

De overgang naar fossiele brandstoffen had dat allemaal moeten veranderen door samenlevingen te creëren die ons zouden bevrijden van het gezwoeg van zwaar lichamelijk werk en de hoge Gini-coëfficiënten van de agrarische samenlevingen. Deze nieuwe samenlevingen zouden gekenmerkt worden door een mate van ongelijkheid die weer dichter bij onze ‘jager verzamelaar’-voorouders ligt. En een tijdje leek het alsof dit zowaar stond te gebeuren, maar om de een of andere vreemde reden – Morris kan er zijn vinger niet echt achter krijgen – beweegt de coëfficiënt weer in omgekeerde richting en verdwijnt een groot deel van de rijkdom weer in de zakken van een piepkleine mondiale elite:

Als we ons mogen laten leiden door het wel en wee van de economische geschiedenis van de afgelopen 15 duizend jaar en de volkswil, dan lijkt het ‘juiste’ niveau van de inkomensongelijkheid na belastingheffing zich grofweg tussen 0,25 en 0,35 te bevinden, en dat van de vermogensongelijkheid tussen ongeveer 0,70 en 0,80. In veel landen ligt die ongelijkheid inmiddels op of boven de bovengrens, waaruit we af mogen leiden dat de heer Piketty terecht problemen voorziet.

Hoogste tijd dus voor wat technocratisch gesleutel aan Gini-coëfficiënten.

We zullen de economische adviezen van Morris hier even buiten beschouwing laten en ons op één cijfer richten: het paleolithische inkomen van 1,10 dollar per dag. Waar is dat bedrag precies op gebaseerd? Vermoedelijk heeft de berekening ervan iets te maken met de calorische waarde van de dagelijkse voedselinname. Maar willen we een eerlijke inkomensvergelijking maken, moeten we het dan niet breder trekken en ook al die andere zaken verdisconteren die de paleolithische jagers-verzamelaars gratis en voor niets kregen, maar waar wij voor geacht worden te betalen? Denk aan gratis veiligheid, gratis geschillenbeslechting, gratis primair onderwijs, gratis ouderenzorg, gratis medicijnen, om nog maar te zwijgen van al het gratis amusement, zoals muziek en het vertellen van verhalen en religieuze ceremonies. En zelfs wanneer we ons tot voedsel beperken, moeten we ook de kwaliteit ervan meewegen. We hebben het hier wel over 100 procent biologische planten en scharrelvlees, weggespoeld met het zuiverste bronwater. Tegenwoordige gaat een groot deel van ons inkomen op aan hypotheken of huur. Vergelijk dat eens met de gratis paleolithische kampeerplekken op toplocaties langs de Dordogne of de Vézère. En dan hebben we het nog niet eens over de gratis cursussen in hoogwaardige naturalistische rotsschilderkunst en ivoorsnijwerk – en al die bontjassen! Dit alles moet toch wel heel wat meer kosten dan die 1,10 dollar per dag, zelfs in dollars van 1990. Het is niet voor niets dat Marshall Sahlins banden van jagers-verzamelaars ‘de oorspronkelijke welvaartsmaatschappij’ noemde. Zo’n leven zou ons vandaag de dag een lieve duit kosten.

Oké, dit is allemaal een beetje kolderiek, maar dat is tegelijk ook ons punt: reduceer je de wereldgeschiedenis tot Gini-coëfficiënten, dan zal de uitkomst ervan ook onvermijdelijk kolderiek zijn. En deprimerend. Morris voelt in elk geval nog aan zijn water dat er iets scheef zit met de uit de hand gierende mondiale ongelijkheid van de laatste jaren. Historicus Walter Scheidel daarentegen heeft zijn Piketty-achtige lezing van de menselijke geschiedenis helemaal tot aan aan haar treurige eindpunt doorgevoerd in zijn boek The Great Leveler: Violence and the History of Inequality from the Stone Age to the Twenty-First Century (2015). Zijn conclusie luidt dat er aan ongelijkheid niets te doen valt. Beschavingen leggen de leiding steevast in handen van kleine elites die zich een almaar groter deel van de koek toe-eigenen. Alleen rampen slagen er ooit in om die elites te verjagen: oorlogen, de pest, massale rekrutering, en grootschalig lijden en dood. Halve maatregelen werken nooit. Dus wil je niet terug naar een leven in een grot – of sterven in een nucleaire holocaust (wat vermoedelijk ook eindigt met overlevenden die in grotten leven) – dan kun je het bestaan van Warren Buffett en Bill Gates maar beter gewoon accepteren.

En het liberale alternatief dan? Flannery en Marcus, die zich openlijk vereenzelvigen met de traditie van Jean-Jacques Rousseau, eindigen hun onderzoek met de volgende nuttige suggestie:

‘We hebben deze kwestie ooit voorgelegd aan Scotty MacNeish, een archeoloog die zich veertig jaar met de studie naar sociale evolutie heeft bezig gehouden. Hoe, zo vroegen we hem, kon de samenleving meer egalitair worden gemaakt? Na een kort onderhoud met zijn oude vriend Jack Daniels antwoordde MacNeish: “Leg de leiding in handen van jagers en verzamelaars”.’

Weer laten ze Rousseau opdraven, maar wat heeft hij daar eigenlijk zelf over te zeggen?

Wat die eindeloze verwijzingen naar Rousseaus onbedorven natuurtoestand en de ‘zondeval’ zo bizar maakt, is dat Rousseau zelf nooit beweerd heeft dat die natuurtoestand ooit bestaan heeft. Het was allemaal slechts een gedachte-experiment. In zijn Discours sur l’origine et les fondements de l’inégalité parmi les hommes (1754), de bron voor het overgrote deel van het verhaal dat we hier verteld hebben, schreef hij:

Het gaat in het onderzoek, waarmee men het onderwerp kan benaderen, niet om de historische waarheden, maar om hypothetische en voorwaardelijke redeneringen, die meer geëigend zijn om de aard van de dingen te verhelderen, dan er de werkelijke oorsprong van aan te tonen.

Rousseau’s ‘natuurtoestand’ was nooit bedoeld als een ontwikkelingsfase. Wat hij op het oog had was niet een equivalent van de fase van ‘barbarij’ die het beginpunt vormt van de evolutionaire indelingen van Schotse filosofen als Adam Smith, Ferguson, Millar of, later, Lewis Henry Morgan. Wat zij beoogden was een weergave van de niveaus van sociale en morele ontwikkeling, zoals die overeenkwamen met de historische veranderingen in de productiewijzen: van jagen-verzamelen naar door herders bedreven veeteelt naar landbouw naar industrie. Wat Rousseau ons daarentegen voorschotelde heeft meer van een parabel. Zoals Judith Shklar, de vermaarde Harvard-politicologe benadrukt, probeerde Rousseau bloot te leggen wat hij als de fundamentele paradox van de menselijke politiek beschouwde, namelijk dat onze aangeboren drang naar vrijheid ons op de een of andere manier steeds weer naar een ‘spontane mars naar ongelijkheid’ voert. In de woorden van Rousseau: ‘Allen stevenden halsoverkop op hun ketenen af, in de overtuiging zich van hun vrijheid te verzekeren; want, ofschoon ze voldoende verstand hadden om de voordelen van een politieke instelling te begrijpen, hadden ze onvoldoende ervaring om de gevaren ervan te voorzien.’ De denkbeeldige natuurtoestand was slechts een manier om dit punt te illustreren.

Rousseau was geen fatalist. Wat mensen doen, zo meende hij, kunnen ze ook weer ongedaan maken. We kunnen ons uit onze ketenen bevrijden, alleen zal dat niet makkelijk gaan. Shklar stelt dat de spanning tussen ‘mogelijkheid en waarschijnlijkheid’ (de mogelijkheid van menselijke emancipatie, de waarschijnlijkheid dat we ons allemaal weer tot een of andere vorm van vrijwillige onderdanigheid laten verleiden) de bezielende kracht was van Rousseaus geschriften over ongelijkheid. Dit alles maakt wellicht een wat ironische indruk, aangezien zo veel conservatieve critici Rousseau na de Franse Revolutie persoonlijk verantwoordelijk hielden voor de guillotine. Wat ons de Terreur heeft gebracht, zo stelden ze, was zijn naïeve geloof in de aangeboren goedheid van de mens en zijn overtuiging dat meer gelijkheid eenvoudigweg door intellectuelen ‘verbeeld’ kon worden en vervolgens door de ‘algemene wil’ kon worden opgelegd.

Maar Rousseau was zeker niet de enige die de rijke verbeeldingskracht van de mens centraal stelde.

Veel van die figuren uit het verleden die nu als romantici en utopisten worden afgeserveerd, waren in werkelijkheid echter helemaal niet zo naïef. Zo stelde bijvoorbeeld ook Karl Marx dat het onze rijke verbeeldingskracht is die ons menselijk maakt – in tegenstelling tot bijen kunnen wij ons een voorstelling maken van de huizen waarin we willen wonen en gaan die vervolgens pas bouwen – alleen meende hij ook dat verbeeldingskracht op het grotere niveau van de samenleving onvoldoende is en dat je niet moet proberen om dit model van de architect op de maatschappij als geheel op te leggen. In dat geval zou je de zonde van het ‘utopisch socialisme’ plegen, waarvoor hij niets dan minachting koesterde. In plaats daarvan moesten revolutionairen zich bewust worden van de grote structurele krachten die de loop van de wereldgeschiedenis bepalen, en de interne tegenstrijdigheden van deze krachten benutten: bijvoorbeeld het feit dat individuele fabriekseigenaren hun arbeiders moeten uitknijpen om optimaal te kunnen concurreren, maar dat als ze daar collectief al te succesvol in zijn, niemand zich de spullen kan veroorloven die hun fabrieken produceren.

Zo groot is kennelijk de kracht van tweeduizend jaar Heilige Schrift dat wanneer zelfs door de wol geverfde realisten zich over de grote lijnen van de menselijke geschiedenis uitlaten, ze terugvallen op een variant van de Hof van Eden – de zondeval (die meestal, zoals in Genesis, het gevolg is van een onberaden streven naar Kennis) en de mogelijkheid van een toekomstige Verlossing. Marxistische politieke partijen ontwikkelden al snel hun eigen versie van het verhaal, waarin ze Rousseaus natuurtoestand samenvoegden met het idee van ontwikkelingsstadia van de Schotse Verlichting. Het resultaat was een formule voor de wereldgeschiedenis die zijn aanvang nam met het oorspronkelijke ‘primitieve communisme’. Deze staat werd vervolgens overvleugeld door de opkomst van het privé-eigendom, maar was voorbestemd om op een goede dag terug te keren.

We moeten concluderen dat ondanks al hun visionaire idealen, de verbeeldingskracht van die revolutionairen nogal te wensen overlaat, vooral waar het gaat om het verbinden van verleden, heden en toekomst. Iedereen blijft maar hetzelfde verhaal vertellen. Het is waarschijnlijk geen toeval dat de meest levensvatbare en creatieve revolutionaire bewegingen aan het begin van dit nieuwe millennium – met de Zapatisten in Chiapas en de Koerden in Rojava als de meest voor de hand liggende voorbeelden – geworteld zijn in een ver, traditioneel verleden. In plaats van zich een of andere oerutopie voor te stellen, putten ze uit een veelkleuriger en gecompliceerder narratief. In revolutionaire kringen lijkt er inderdaad een groeiend besef door te breken dat vrijheid, traditie en verbeeldingskracht altijd verstrengeld zijn geweest en dat ook altijd zullen zijn – op manieren die we niet helemaal begrijpen.

Het wordt hoog tijd dat de rest van ons een inhaalslag maakt en gaat nadenken over hoe een niet-Bijbelse versie van de menselijke geschiedenis eruit zou kunnen zien.

Wat heeft archeologisch en antropologisch onderzoek ons sinds de tijd van Rousseau nu echt geleerd?

Tja, om te beginnen dat de vraag naar de ‘oorsprong van sociale ongelijkheid’ waarschijnlijk de verkeerde plek is om het verhaal te beginnen. Het klopt dat we van voor het begin van het laatpaleolithicum echt geen idee hebben van hoe ons sociale leven er door de bank genomen uitzag. Veel van ons bewijs bestaat uit wijdverspreide fragmenten van bewerkte stukken steen, botten en enkele andere duurzame materialen. Verschillende mensachtige soorten bestonden naast elkaar en het is niet duidelijk of een etnografische benadering hierop van toepassing is. De zaken beginnen pas duidelijkere contouren aan te nemen tijdens het laatpaleolithicum zelf.

Dit tijdperk begint ongeveer 45 duizend jaar geleden en wordt zowel door de piek van de ijstijd gekenmerkt als door de wereldwijde afkoeling van circa 20 duizend jaar geleden, beter bekend als het Laatste Glaciale Maximum. Deze laatste grote ijstijd maakte vervolgens plaats voor een warmer klimaat en een geleidelijke terugtrekking van de ijskappen. Dit mondde uiteindelijk uit in ons huidige geologische tijdperk, het Holoceen. Vervolgens werden de temperaturen nog milder, wat de omstandigheden schiep waarbinnen de Homo Sapiens – die al een groot deel van de Oude Wereld had gekoloniseerd – haar opmars naar de Nieuwe Wereld voltooide en zo’n 15 duizend jaar geleden de zuidelijke kusten van het Amerikaanse continent bereikte.

Dus wat weten we nu eigenlijk over deze periode van de menselijke geschiedenis? Een fors deel van het substantiële bewijs uit het paleolithicum dat betrekking heeft op onze sociale organisatie is uit Europa afkomstig, waar onze soort zich naast de Homo neanderthalensis vestigde, voordat deze laatste rond 40 duizend v.Chr. uitstierf. (De concentratie van gegevens in dit deel van de wereld zegt eerder iets over de vroegere vooringenomenheid van archeologen dan over Europa zelf). Tijdens dat Laatste Glaciale Maximum vertoonden de bewoonbare delen van Europa meer overeenkomsten met de Serengeti in Tanzania dan met enig hedendaags Europees leefgebied. Ten zuiden van de ijskappen, tussen de toendra’s en de beboste oevers van de Middellandse Zee, werd het continent verdeeld in valleien en steppes die rijk waren aan wild. Afhankelijk van het seizoen werden ze doorkruist door kuddes herten, bizons en mammoeten.

Specialisten in de prehistorie wijzen er al decennialang op – met weinig effect weliswaar – dat de mensen die deze streken bewoonden niets gemeen hadden met die gelukzalig simpele, egalitaire bandsamenlevingen van jagers-verzamelaars die volgens velen nog steeds geacht worden onze verre voorouders te zijn.

Om te beginnen is er het onbetwistbare bestaan van rijke begraafplaatsen die tot ver in de ijstijd teruggaan. Sommige daarvan, zoals de 25 duizend jaar oude graven in Sungir, ten oosten van Moskou, zijn al decennialang bekend en terecht beroemd. In zijn bespreking van The Creation of Inequality in de The Wall Street Journal* maakt Felipe Fernández-Armesto geen geheim van zijn verbazing over hun nalatigheid: ‘Hoewel ze weten dat het principe van erfopvolging dateert van vóór de landbouw, kunnen Flannery en Marcus de Rousseauiaanse illusie dat het allemaal met een sedentaire levensstijl begonnen is niet helemaal van zich afschudden. Daarom schilderen ze een wereld die tot zo’n 15 duizend v.Chr. geen geërfde macht kende, waarbij ze geheel voorbij gaan aan een van de belangrijkste archeologische vindplaatsen voor hun doel.’ In de permafrost onder de paleolithische nederzetting Soengir ligt namelijk het graf van een man van middelbare leeftijd die, zoals Fernández-Armesto opmerkt, met ‘verbluffende eretekens’ begraven is: ‘armbanden van gepolijst mammoetivoor, een diadeem en een kleine 3 duizend zorgvuldig bewerkte en gepolijste ivoren kralen’. En een meter of wat verderop, in een identiek graf, ‘liggen twee kinderen, respectievelijk ongeveer 10 en 13 jaar oud, die uitgedost zijn met vergelijkbare grafgiften – waaronder, bij de oudste van de twee, zo’n 5 duizend kralen die even sierlijk bewerkt zijn als die van de volwassene (hoewel iets kleiner) plus een indrukwekkende lans die uit ivoor is gesneden.’

Vormen deze vondsten daadwerkelijk bewijs van geërfde macht?

Dergelijke vondsten nemen in geen van de tot dusver besproken boeken een belangrijke plaats in. Het bagatelliseren van dergelijke vondsten, of ze louter in voetnoten wegstoppen, is allicht makkelijker door de vingers te zien wanneer Soengir een geïsoleerde uitzondering zou zijn. Maar dat is niet zo. Vergelijkbare rijke begraafplaatsen uit het laatpaleolithicum zijn inmiddels aangetoond in onderaardse schuilplaatsen en bovengrondse nederzettingen in een groot deel van West-Eurazië, van de Don tot aan de Dordogne. Daartoe behoren bijvoorbeeld de 16 duizend jaar oude ‘Dame van Saint-Germain-de-la-Rivière’, die bedekt is met ornamenten die gesneden zijn uit de tanden van jonge herten – herten die 300 kilometer verderop in Spaans Baskenland gevangen en gedood zijn. En ook de begraafplaatsen aan de Ligurische kust, die even oud zijn als die in Soengir. Waaronder ‘Il Principe’, een jonge man wiens regalia onder meer bestaan uit een scepter van exotisch vuursteen, een knuppel van elandgeweien en een sierlijke hoofdtooi van geperforeerde schelpen en hertentanden. De betekenis van deze vondsten laat zich lastig interpreteren. Heeft Fernández-Armesto gelijk wanneer hij zegt dat dit bewijzen vormen van ‘geërfde macht’? Wat was de status van deze personen?

Niet minder intrigerend zijn de sporadische, zij het overtuigende bewijzen van monumentale architectuur, die helemaal teruggaan tot het Laatste Glaciale Maximum. Het idee dat we ‘monumentaliteit’ in absolute termen kunnen meten is uiteraard even kolderiek als het idee dat we kosten ten tijde van de ijstijd in dollars en centen om kunnen rekenen. Monumentaliteit is een relatief begrip, dat alleen betekenis krijgt binnen een bepaalde waardeschaal en eerder opgedane ervaringen. Het Pleistoceen heeft geen monumenten voortgebracht die qua schaal met de piramides van Gizeh of het Romeinse Colloseum kunnen wedijveren. Maar het kent wel gebouwen die, naar de maatstaven van die tijd, alleen maar als openbare werken beschouwd kunnen worden, wat geavanceerde ontwerpen en georganiseerde arbeid op een indrukwekkende schaal veronderstelt. Tot deze gebouwen behoren de opzienbarende ‘mammoethuizen’, gebouwd van huiden die over een frame van slagtanden zijn gespannen. Voorbeelden hiervan dateren van zo’n 15 duizend jaar geleden en zijn te vinden langs de gletsjerranden die zich van het huidige Krakau tot aan Kiev uitstrekten.

Nog verbluffender zijn de stenen tempels van Göbekli Tepe, die dik twintig jaar geleden aan de Turks-Syrische grens zijn opgegraven en waarover archeologen nog altijd hevig van mening verschillen. Ze dateren van het einde van de laatste ijstijd – zo’n 11.500 jaar geleden – en bestaan uit ten minste twintig (restanten van) megalithische bouwwerken die hoog boven de nu barre flanken van de Harranvlakte uitsteken. Elk van de bouwwerken bestaat uit kalkstenen pilaren van ten minste vijf meter hoog, met een gewicht van tot een ton.

Behoorlijk indrukwekkend naar de maatstaven van Stonehenge, plus zo’n 6 duizend jaar vroeger.

Vrijwel elke pilaar in Göbekli Tepe is een opmerkelijk kunstwerk, versierd met reliëfs van vervaarlijk ogende dieren die uit het steen opdoemen, met hun mannelijke genitaliën in vol ornaat afgebeeld. Gebeeldhouwde roofvogels worden afgewisseld met afbeeldingen van afgehakte hoofden. Het bewerkte steen getuigt van beeldhouwkundige vaardigheden die ongetwijfeld geperfectioneerd zijn op een meer plooibaar materiaal als hout, dat ooit op grote schaal op de uitlopers van het Taurusgebergte beschikbaar was. Ondanks hun indrukwekkende omvang was deze bouwwerken intrigerend genoeg een relatief kort leven beschoren, dat eindigde met een groot feest en het opvullen van de muren. Het ging om bouwwerken die getuigden van hiërarchische structuren. Monumenten die ten hemel gericht waren, om vervolgens snel weer te worden afgebroken. En de hoofdrolspelers in dit prehistorische spektakelstuk van feestelijkheden, van opbouwen en weer afbreken waren, voor zover wij weten, jagers-verzamelaars die van niets anders dan wilde hulpbronnen leefden. Hoe worden we geacht dit alles op te vatten? Eén wetenschappelijke school besloot het idee van een egalitaire Gouden Eeuw volledig te laten varen en te concluderen dat rationeel eigenbelang en accumulatie van macht de aanhoudende krachten zijn achter de menselijke sociale ontwikkeling. Maar dat werkt ook niet echt.

Bewijs voor institutionele ongelijkheid in ijstijd-samenlevingen, of dat nu in de vorm van rijke begraafplaatsen is of van monumentale gebouwen, is allesbehalve zeldzaam. Deze begraafplaatsen worden over verschillende eeuwen en over afstanden van vaak honderden kilometers aangetroffen. Zelfs al wijten we dit aan de onvolledigheid van het bewijs, dan nog moeten we ons afvragen waarom het bewijs zo onvolledig is. Als een van deze ‘prinsen’ uit de ijstijd zich als een prins uit de bronstijd had gedragen, om eens wat te noemen, dan hadden we ook vestingwerken, opslagplaatsen, paleizen – de gebruikelijke uiterlijke kenmerken van de staat in wording – moeten vinden. In plaats daarvan zien we over een periode van tienduizenden jaren weliswaar monumenten en magnifieke begraafplaatsen, maar verder weinig dat op de ontwikkeling van hiërarchische samenlevingen duidt. En dan spelen er nog andere, vreemdere factoren, zoals het feit dat op de meeste van deze ‘prinselijke’ begraafplaatsen personen begraven liggen met opvallende lichamelijke afwijkingen, zoals reuzen, dwergen of gebochelden.

Kijken we van een wat grotere afstand naar het archeologische bewijs, dan levert dat mogelijk een sleutel op voor het oplossen van het dilemma. Die sleutel is gelegen in het seizoensritme van het prehistorische sociale leven. De meeste van de tot nu toe besproken paleolithische vindplaatsen worden in verband gebracht met bewijzen voor jaarlijkse of tweejaarlijkse periodes van samenkomst. Die samenkomsten houden verband met de migratie van kuddes prooidieren – of dat nu mammoeten, bizons, rendieren of (in het geval van Göbekli Tepe) gazelles zijn – en met de cyclische vismigratie en oogsten van noten. In minder gunstige tijden van het jaar jaagde en verzamelde ongetwijfeld een deel van onze ijstijdvoorouders in kleine bandsamenlevingen. Maar er is overweldigend bewijs dat ze in betere tijden massaal met anderen samenkwamen in het type ‘microsteden’ dat in Dolní Věstonice in het Moravische bekken ten zuiden van Brno is aangetroffen. Hier deden ze zich tegoed doen aan de overdaad van wat de natuur hen bracht en hielden ze zich bezig met complexe rituelen, groots opgezette artistieke projecten en het verhandelen van mineralen, zeeschelpen en dierenhuiden die over grote afstanden aangevoerd waren. West-Europese equivalenten van deze seizoensgebonden verzamelplaatsen zijn de ondergrondse schuilplaatsen in de Franse Périgord en aan de Cantabrische kust, die met hun beroemde schilderijen en steenhouwwerk eveneens deel uitmaakten van een jaarlijkse cyclus van samenkomen en uiteengaan.

Dat is het geheim van onze voorouders uit de ijstijd: ze leefden in wisselende sociale patronen.

Dergelijke seizoensgebonden sociale patronen hebben stand gehouden tot lang nadat de ‘uitvinding van de landbouw’ alles zou hebben veranderd. Nieuw bewijs wijst uit dat deze wisselingen de sleutel kunnen vormen tot het begrijpen van de beroemde neolithische monumenten op het Salisbury Plain, en niet slechts in termen van hun kalendrische symboliek. Stonehenge, zo blijkt, was slechts de laatste in een lange reeks rituele bouwwerken – opgetrokken uit hout zowel als steen – die gebouwd werden toen mensen op belangrijke momenten van het jaar uit alle hoeken van het land op de vlakte samenkwamen. Opgravingen tonen aan dat veel van deze bouwwerken, inmiddels beschouwd als monumenten voor de voorlopers van de machtige neolithische dynastieën, slechts enkele generaties na de bouw ervan werden afgebroken. Nog opvallender is dat deze praktijk van het oprichten en ontmantelen van grote monumenten samenvalt met een periode waarin de Britse volkeren, die de neolithische landbouweconomie van het Europese vasteland hadden overgenomen, ten minste één cruciaal aspect ervan de rug lijken te hebben toegekeerd. Rond 3300 v.Chr. lijken ze de graanteelt op te hebben gegeven en te zijn teruggekeerd naar het verzamelen van hazelnoten als hun voornaamste voedselbron. Daarnaast hielden de bouwers van Stonehenge vee, waaraan ze zich in het nabijgelegen Durrington Walls van tijd tot tijd tegoed deden. Zoals het er nu uitziet waren ze verzamelaars noch boeren, maar iets daartussenin. En als daar tijdens de hoogtijdagen, wanneer ze in groten getale samenkwamen, iets van een koninklijk hof de scepter zwaaide, dan was dat hof net zo snel weer verdwenen zodra het overgrote deel van deze mensen weer over het eiland uitzwermde.

Waarom zijn deze seizoensgebonden wisselingen zo belangrijk? Omdat ze laten zien dat mensen vanaf het prille begin zelfbewust met verschillende sociale mogelijkheden hebben geëxperimenteerd. Van dit type samenlevingen zeggen antropologen dat ze een ‘dubbele morfologie’ bezitten. Aan het begin van de twintigste eeuw merkte Marcel Mauss op dat de ‘Inuit en ook veel andere samenlevingen […] twee sociale structuren kennen, een in de zomer en een in de winter, en dat ze parallel daaraan over twee rechtsstelsels en twee religieuze stelsels beschikken.’ In de zomermaanden zwermden de Inuit in kleine patriarchale groepen uit – elk onder het gezag van de mannelijke groepsoudste – op zoek naar zoetwatervis, kariboes en rendieren. Bezittingen werden obsessief gemerkt en de patriarchen oefenden een dwingende, soms ronduit tirannieke macht uit over hun verwanten. Maar in de lange wintermaanden, wanneer zeehonden en walrussen aan de Arctische kust samendrongen, werd dit vervangen door een geheel andere sociale structuur. De Inuit kwamen dan samen om uit hout, walvisrib en steen grote ontmoetingshuizen te bouwen. Binnen die huizen heersten de deugden van gelijkheid, altruïsme en collectiviteit. Rijkdom werd gedeeld en onder toezicht van Sedna, de godin van de zeehonden, wisselden echtelieden van partner.

Deze dubbele morfologie is op vele plekken terug te vinden.

Een ander voorbeeld vormden de inheemse jagers-verzamelaars aan de noordwestkust van Canada, bij wie de winter – niet de zomer – het seizoen was waarin de samenleving haar meest ongelijke vorm aannam. Langs de kust van Brits Columbia werden paleizen uit planken opgetrokken, alwaar erfelijke edelen ver boven gewone mensen en slaven verheven een vorstelijke staat voerden, en waar de grote banketten werden aangericht die als potlatch bekendstaan.

Toch werden deze aristocratische hoven in de zomer – het visseizoen – opgebroken in kleinere stamverbanden. Deze verbanden waren nog steeds hiërarchisch georganiseerd, maar met een compleet andere en minder formele structuur. In dit geval namen de mensen in de zomer en de winter zelfs verschillende namen aan en werden ze met de wisseling van de seizoenen letterlijk iemand anders.

In termen van seizoensgebonden rolwisselingen waren die van de negentiende-eeuwse stammenconfederaties op de Amerikaanse Great Plains misschien wel het opvallendst. In de nazomer kwamen kleine en zeer dynamische stammen van Cheyennes en Lakota’s in grote nederzettingen bijeen om voorbereidingen te treffen voor de o zo belangrijke buffeljacht. Voor deze allesbeslissende tijd van het jaar benoemden ze een politiemacht die alle mogelijke dwangmaatregelen kon opleggen, waaronder het recht om eenieder die de voorbereidingen in gevaar bracht te beboeten, gevangen te zetten of zweepslagen te geven. Maar zoals de antropoloog Robert Lowie opmerkte, was dit ‘ondubbelzinnige autoritarisme’ strikt seizoensgebonden en maakte dit plaats voor meer ‘anarchistische’ vormen van organisatie zodra het jachtseizoen, en de collectieve rituelen die daarop volgden, afgerond was.

De wetenschap gaat niet altijd in een rechte lijn vooruit. Soms beweegt ze achterwaarts. Honderd jaar geleden begrepen de meeste antropologen dat mensen die voornamelijk van wilde hulpbronnen leven, niet noodzakelijk alleen in kleine ‘bandsamenlevingen’ zijn georganiseerd. Dat idee is echt een product van de jaren zestig, toen de Bosjesmannen in de Kalahari en de Bambuti-Pygmeeën voor de tv-kijker zowel als de onderzoeker tot hét beeld van de oermens uitgroeiden. Als gevolg daarvan hebben ook de evolutionaire ontwikkelingsstadia een comeback gemaakt, die goed beschouwd nauwelijks van die van de Schotse Verlichting verschillen. Dit is waar bijvoorbeeld Fukuyama op teruggrijpt, wanneer hij de samenleving beschrijft in termen van een evolutie van ‘banden’ naar ‘stammen’ naar ‘chiefdoms’. Om uiteindelijk bij het type complexe en gelaagde ‘staten’ uit te komen waarin we vandaag de dag leven en die meestal gedefinieerd worden op basis van hun monopolie op ‘het legitieme gebruik van dwangmiddelen’. Pas je deze logica echter op de Cheyennes of de Lakota’s toe, dan zouden deze grofweg elke novembermaand rechtstreeks van bandsamenlevingen naar staten moeten ‘evolueren’, om in het voorjaar weer terug te ‘devolueren’.

De meeste antropologen erkennen nu wel dat deze categorieën hopeloos ontoereikend zijn, toch is niemand op de proppen gekomen met een alternatieve manier van denken over de ‘big history’ van de menselijke soort.

Los daarvan wijst archeologisch bewijs uit dat onze verre voorouders zich in de zeer seizoensgebonden omgevingen van de laatste ijstijd in grote lijnen op dezelfde manier gedroegen. Ze schakelden heen en weer tussen wisselende sociale arrangementen, wat de opkomst van autoritaire structuren in bepaalde tijden van het jaar mogelijk maakte, zij het dat ze nooit blijvend waren en dat geen enkele sociale orde ooit onherroepelijk of onveranderlijk was. Van een afstand bekeken kon een en dezelfde bevolking soms in een bandensamenleving leven, soms in een stamverband en soms in een samenleving die sterk lijkt op wat we nu een staat noemen. Een dergelijke institutionele flexibiliteit gaat gepaard met het vermogen om buiten de grenzen van een bepaalde sociale structuur te treden en te reflecteren – om de politieke werelden waarin we leven zowel tot stand te brengen als te ontmantelen. Hoe dan ook verklaart dit in elk geval de ‘prinsen’ en ‘prinsessen’ van de laatste ijstijd, die als geïsoleerde personages in een soort sprookje of kostuumdrama hun opwachting lijken te maken. Misschien waren ze dat ook bijna letterlijk wel. Als ze al de scepter zwaaiden, dan was dat – zoals bij de koningen en koninginnen van Stonehenge – wellicht slechts voor één seizoen.

Hoogste tijd dus voor een herziening.

Moderne auteurs hebben de neiging om de prehistorie als een projectiescherm te gebruiken voor het uitwerken van filosofische probleemstellingen: zijn mensen in wezenlijke zin goed of slecht, zijn ze op samenwerking gericht of op competitie, zijn ze egalitair of hiërarchisch? Als gevolg daarvan hebben ze ook de neiging om het te doen voorkomen alsof menselijke samenlevingen voor 95 procent van de geschiedenis van onze soort allemaal min of meer hetzelfde zijn geweest. Maar zelfs 40 duizend jaar is een zeer lange periode. Het lijkt ons waarschijnlijk, en de bewijzen staven het, dat diezelfde pionierende mensen die een groot deel van de planeet hebben gekoloniseerd, ook met een enorme verscheidenheid aan sociale arrangementen hebben geëxperimenteerd. Zoals Claude Lévi-Strauss meer dan eens heeft opgemerkt, waren de vroege Homo sapiens niet alleen in fysiek opzicht hetzelfde als moderne mensen, ook qua intellect deden ze niet voor ons onder. In feite waren de meesten van hen zich waarschijnlijk beter bewust van de uiteenlopende mogelijkheden die samenlevingen ons bieden dan hun huidige soortgenoten, waarbij ze elk jaar tussen verschillende vormen van sociale organisatie heen en weer schakelden.

In plaats van zich lijdzaam in een of andere oeronschuld te wentelen totdat de geest van de ongelijkheid uit de fles wist te ontsnappen, lijken onze prehistorische voorouders die fles regelmatig met succes ontkurkt en weer gekurkt te hebben. Daarbij wisten ze de ongelijkheid tot rituele kostuumdrama’s te beperken en hun goden en koninkrijken op dezelfde manier te construeren als hun monumenten, als tijdelijke arrangementen die ze vervolgens even zo vrolijk weer opdoekten.

Als dat zo is, dan is de echte vraag niet ‘wat is de oorsprong van sociale ongelijkheid?’, maar – nadat we zo’n groot deel van onze geschiedenis heen en weer hebben geschakeld tussen verschillende politieke systemen – ‘hoe zijn we zo vast komen te zitten?’ Dit alles is wel heel ver verwijderd van het idee van prehistorische samenlevingen die halsoverkop naar hun institutionele ketenen gesneld zijn. En niet minder ver verwijderd van de treurigstemmende profetieën van Fukuyama, Diamond, Morris en Scheidel, waarin elke ‘complexe’ vorm van sociale organisatie er noodgedwongen toe leidt dat kleine elites zich meester maken van de belangrijkste middelen en de belangen van ieder ander met voeten treden. Het overgrote deel van de sociale wetenschap aanvaardt deze grimmige voorspellingen als vanzelfsprekende waarheden. Maar het is duidelijk dat ze ongegrond zijn.

Dus mogen we ons redelijkerwijs afvragen welke andere gekoesterde waarheden we verder nog naar de mestvaalt van de geschiedenis kunnen dirigeren?

Dat zijn er nogal wat, goed beschouwd. Al in de jaren zeventig voorspelde de briljante Cambridge-archeoloog David Clarke dat met modern onderzoek vrijwel elk aspect van het oude bouwwerk van de menselijke evolutie, ‘van domesticatie tot metallurgie tot verstedelijking en beschaving in dit nieuwe perspectief weleens semantische valstrikken en metafysische luchtspiegelingen zullen blijken te zijn.’ Het ziet ernaar uit dat hij gelijk had. Uit alle windstreken stroomt er nu informatie binnen dat gebaseerd is op zorgvuldig empirisch veldwerk, geavanceerde klimatologische reconstructies, chronometrische dateringen en wetenschappelijke analyses van organische resten. Onderzoekers bestuderen etnografisch en historisch materiaal in een ander, nieuw licht. En bijna al dit nieuwe onderzoek druist in tegen het bekende en vertrouwde narratief van de wereldgeschiedenis. Toch blijven de meeste van deze baanbrekende ontdekkingen beperkt tot het wereldje van specialisten. Vaak moet je ze zelf zien te ontwarren door tussen de regels van wetenschappelijke publicaties door te lezen. Laten we dus afsluiten met een paar van onze eigen favorieten – slechts een handjevol – om een idee te geven van hoe die nieuwe wereldgeschiedenis, die uit al dat onderzoek opdoemt, eruit begint te zien.

De eerste nekslag op onze lijst betreft het ontstaan en de verspreiding van de landbouw. Er is niet langer steun voor het standpunt dat dit een cruciale overgang voor de menselijke samenleving betekende. In die delen van de wereld waar dieren en planten voor het eerst gedomesticeerd werden, valt er niet zoiets als een zichtbare ‘omschakeling’ te bespeuren van de Paleolithische jager-verzamelaar naar de Neolithische boer. De ‘overgang’ van een bestaan van wilde hulpbronnen naar een leven dat gebaseerd was op de productie van voedsel nam doorgaans zo’n drieduizend jaar in beslag. De landbouw bood weliswaar de condities voor een meer ongelijke concentratie van rijkdom, maar dit proces nam in de meeste gevallen pas millennia na het ontstaan van de landbouw zijn aanvang. In die tussenliggende eeuwen ‘speelden’ mensen in zulke uiteenlopende streken als het Amazonegebied en de Vruchtbare Sikkel in het Midden-Oosten als het ware voor boer. Net zoals ze jaarlijks tussen hun sociale structuren heen en weer schakelden, schakelden ze ook voortdurend van de ene productiewijze op de andere over. Bovendien blijkt de ‘verspreiding van de landbouw’ naar secundaire gebieden als Europa – zo vaak in triomfalistische bewoordingen omschreven als het begin van het onvermijdelijke proces van het uitsterven van het jagen-verzamelen – een uiterst moeizaam proces te zijn geweest. Dat leidde soms tot pijnlijke mislukkingen, wat in een demografische ineenstorting van de boeren, maar niet van de jagers-verzamelaars, resulteerde.

Het moge duidelijk zijn dat het gebruik van begrippen als ‘de landbouwrevolutie’ niet langer zinvol zijn wanneer het gaat om complexe processen die een buitensporig lange tijd in beslag hebben genomen. En aangezien er nooit een Hof van Eden bestaan heeft van waaruit de eerste boeren hun eerste stappen op de weg naar ongelijkheid konden zetten, is het nog minder zinvol om het ontstaan van de landbouw als de oorsprong van hiërarchische samenlevingen of privébezit op te voeren. Als die ongelijkheid ergens zijn wortels heeft, dan is dat eerder bij de ‘Mesolithische’ volkeren – zij weigerden tijdens de opwarming van het vroege Holoceen op landbouw over te stappen –, waar de sociale stratificatie zich als eerste begon te verschansen.

Dat wil zeggen, als we weelderige begraafplaatsen, roofzuchtige oorlogsvoering en monumentale gebouwen tenminste als tekenen van die gelaagdheid mogen opvatten.

In elk geval op sommige plekken, zoals in het Midden-Oosten, lijken de eerste boeren bewust alternatieve samenlevingsvormen te hebben ontwikkeld die beter bij hun meer arbeidsintensieve manier van leven pasten. Deze neolithische samenlevingen waren opvallend egalitair in vergelijking tot de jagers-verzamelaars die hen omringden. In deze gemeenschappen nam het economische en sociale belang van vrouwen dramatisch toe, wat duidelijk weerspiegeld werd in hun kunst en rituele leven (vergelijk bijvoorbeeld de vrouwenfiguren van Jericho of Çatalhöyük met de hypermasculiene sculpturen in Göbekli Tepe).

Een andere nekslag: ‘beschaving’ is niet als een totaalpakket ten tonele verschenen. De eerste steden ter wereld zijn niet zomaar tezamen met systemen van gecentraliseerde overheid en bureaucratische controle ontstaan. In China, zo weten we inmiddels, bestonden in 2500 v.Chr. aan de benedenloop van de Gele Rivier al nederzettingen van 300 hectare of groter – ruim duizend jaar voordat de stichting van de vroegste koninklijke (Sjang-)dynastie plaatsvond. Aan de andere kant van de Stille Oceaan zijn in de vallei van de Peruaanse Río Supe ceremoniële centra van een opvallende omvang ontdekt, die uit dezelfde periode dateren. Met name rond Caral, waar raadselachtige overblijfselen van verzonken pleinen en monumentale plateaus zijn aangetroffen die vierduizend jaar aan het Inca-rijk voorafgaan. Dergelijke recente ontdekkingen geven aan hoe weinig er nog echt bekend is over de verspreiding en de oorsprong van de eerste steden. En hoeveel ouder deze steden wellicht zijn dan de systemen van autoritair bestuur en bureaucratische controle die eerst? voor hun ontstaan noodzakelijk geacht werden.

In het oudere hart van de verstedelijking – Mesopotamië, de Indusvallei, de Vallei van Mexico – zijn er steeds meer aanwijzingen dat de eerste steden op een welbewust egalitaire basis georganiseerd waren, waarbij plaatselijke raden een aanzienlijke mate van autonomie ten opzichte van de centrale overheid behielden. In de eerste twee gevallen floreerden steden met een geavanceerde burgerinfrastructuur gedurende ruim een half millennium zonder een spoor van koninklijke begraafplaatsen of monumentale gebouwen, zonder staande legers of andere middelen van grootschalige dwang en zonder enige aanwijzing van directe bureaucratische controle over het leven van het gros der burgers.

Ongelijkheid is niet in de steden ontstaan, maar juist op kleine schaal, in kleine groepen.

In weerwil van Jared Diamond is er absoluut geen bewijs dat grootschalige organisaties onvermijdelijk tot top-down gezagsstructuren leiden. De beweringen van Walter Scheidel ten spijt is het simpelweg niet waar dat zodra een heersende klasse zich eenmaal gevestigd heeft, we er – rampen uitgezonderd – nooit meer vanaf komen. Om één goed gedocumenteerd voorbeeld te noemen: rond 200 n.Chr. lijkt de stad Teotihuacan in de Vallei van Mexico (met 120 duizend inwoners een van de grootste ter wereld in die tijd) een diepgaande transformatie te hebben ondergaan. Piramide-tempels en mensenoffers werden de rug toegekeerd en de stad werd omgevormd tot een enorme verzameling comfortabele villa’s, die allemaal bijna precies even groot waren.

Deze situatie bleef misschien wel 400 jaar lang ongewijzigd. Zelfs in de tijd van Cortés was Centraal-Mexico nog altijd de thuisbasis van steden als Tlaxcala, die gerund werden door een gekozen raad waarvan de leden nu en dan door hun electoraat werden geslagen om hen eraan te herinneren wie uiteindelijk de baas was.

Alle puzzelstukken zijn voorhanden om een heel andere wereldgeschiedenis in elkaar te leggen. We laten ons echter te zeer door onze vooroordelen verblinden om de implicaties ervan te onderkennen. Zo houdt tegenwoordig vrijwel iedereen stug vol dat een participatieve democratie, of sociale gelijkheid, alleen in een kleine gemeenschap of actiegroep kan werken, maar onmogelijk valt ‘op te schalen’ naar iets als een stad, regio of natiestaat.

Toch wijzen de zich opstapelende bewijzen, als we er tenminste voor kiezen om ze te zien, op het tegenovergestelde. Historisch gezien zijn egalitaire steden, zelfs egalitaire regionale confederaties, niets buitengewoons. Dat geldt alleen niet voor gezinnen en huishoudens.

Als het historisch pleit eenmaal beslecht is, dan zullen we zien dat het meest pijnlijke verlies van menselijke vrijheden op kleine schaal begonnen is op het niveau van sekserelaties, leeftijdsgroepen en huiselijke slavernij. Dat het begonnen is bij die relaties die zowel de grootste intimiteit herbergen als de meest verregaande vormen van structureel geweld kennen. Als we echt willen begrijpen hoe het ooit als eerste acceptabel is geworden dat sommige mensen hun rijkdom in macht konden omzetten en dat anderen te horen kregen dat hun behoeftes en hun levens er niet toe deden, dan is dit de plek waar we moeten kijken.

En dit is ook de plek, aan die voorspelling kunnen we ons wel wagen, waar het zwaarste en moeilijkste werk zal moeten plaatsvinden om een waarlijk vrije samenleving te creëren.