Eindspel: de economie als ecologische ramp en wat er verder moet veranderen

WILLIAM E. REES*
 

In de zomer van 2018-2019 zinderde Australië in een recordhitte; het hele land kreeg dagen aaneen te kampen met temperaturen van tussen de 40°C en 45°C. Een bijzonder verschroeiende week aan het einde van november – het kwik was overal boven de 42 °C gestegen – doodde duizenden gebrilde vliegende vossen. Dit ongekende vleermuizen-bloedbad hield, met enkele onderbrekingen, tot in januari aan. Toen de temperatuur in het noorden van Queensland aan het eind van die maand eindelijk daalde, werd een groot deel van de regio overspoeld door recordregens en overstromingen; 200 duizend mensen raakten ontheemd (enkelen kwamen om het leven), honderdduizenden stuks vee verdronken en de schade liep in de miljoenen.

Aan de andere kant van de wereld hadden weinig mensen er oog voor, want die hadden zo hun eigen problemen. In Noord-Amerika zorgde een zwakke en wankele straalstroom ervoor dat de polaire vortex zich ver naar het zuiden uitstrekte en een groot deel van Canada en het noordoosten van de VS in één grote lob van ijskoude Arctische lucht in zijn ban kreeg. Op verschillende plaatsen werden kouderecords gevestigd. Eind januari daalde de temperatuur in Winnipeg naar een dieptepunt van -40°C (de gevoelstemperatuur bedroeg -52°C); In Cotton, Minnesota, werd op 30 januari met -49°C de laagste temperatuur in de VS gemeten. Ten minste 22 mensen lieten het leven als gevolg van de extreme kou.

Australië en Noord-Amerika mogen dan 90 graden van elkaar verwijderd zijn, het extreme weer verenigde de burgers van die landen in een gemeenschappelijke bezorgdheid over de door de opwarming van de aarde veroorzaakte klimaatverandering. Inderdaad, alle landen op aarde staan nu voor een ongekende gemeenschappelijke uitdaging. We kunnen de opwarming van de aarde, het verlies aan biodiversiteit, de ontbossing van de tropen, de toename van dode zones in de oceanen, de chronische lucht- en waterverontreiniging, de bodemaantasting, de daling van het aantal spermacellen enzovoorts als afzonderlijke problemen opvatten, maar het is realistischer en mogelijk productiever om te erkennen dat dit allemaal symptomen zijn van één enkel fenomeen, namelijk het grootschalig ecologisch disfunctioneren van de mens. Dit is een echt mondiaal meta-probleem; het is potentieel fataal voor de beschaving en wordt, paradoxaal genoeg, geheel door ons zelf veroorzaakt.

Wat de vraag opwerpt: hoe komt het dat de zogenaamd intelligentste en meest zelfbewuste soort op aarde systematisch zijn eigen habitat vernietigt, de enige planeet in ons zonnestelsel die door mensen bewoond kan worden en de enige planeet die de meeste mensen ooit zullen kennen? Het antwoord is uiteraard veelomvattend en heeft zijn wortels in wat ooit perfect aanpassingsgedrag was, via de Newtoniaanse natuurkunde tot en met cultureel ingeprente (mis)representaties van de werkelijkheid.

In één enkel artikel kunnen we niet alle dimensies van het probleem onderzoeken. Wat we kunnen doen is laten zien hoe verschillende van de belangrijkste oorzakelijke mechanismen zijn samengevloeid om een mondiaal economisch systeem voort te brengen, waarvan het conceptuele kader, de operationele vooronderstellingen en de feitelijke praktijken pathologisch onverenigbaar zijn met de ecosystemen die het in stand houden. Onder deze omstandigheden is eco-vernietiging onvermijdelijk.

Om dit opmerkelijke voorbeeld van disfunctioneel aanpassingsgedrag te kunnen begrijpen, moeten we beginnen met de epistemologie – hoe we weten wat we weten – en met een bijzonder eigenaardig kenmerk van de menselijke cognitie.

‘Je zou kunnen zeggen dat de hele “werkelijkheid” een sociaal construct is, maar je kunt niet ontkennen dat sommige constructen “meer waar” zijn dan andere.’ *

Veel mensen zijn geschokt als ze ontdekken dat het meeste van wat ze voor waar aannemen, het meeste van wat ze denken te weten, letterlijk verzonnen is. Basale culturele verhalen en sociale normen kunnen zich weliswaar als werkelijkheid voordoen, toch zijn ze producten van de menselijke geest die – gemasseerd of gepolijst door het maatschappelijk discours en door traditie, gewoonte of formele overeenkomst – tot de status van onaantastbare wijsheid verheven zijn. Alle culturele verhalen, wereldbeelden, religieuze doctrines, politieke ideologieën en academische paradigma’s zijn in feite ‘sociale constructen’.

Je zou zelfs zo ver kunnen gaan om te stellen dat alle formele kennis sociaal geconstrueerd is. Door simpelweg in een bepaald milieu op te groeien, verwerf je zonder er iets voor te hoeven doen de overtuigingen, waarden, veronderstellingen en gedragsnormen van je stam of samenleving. Tegen de tijd dat de meeste mensen volwassen zijn geworden, hebben ze het overkoepelende ‘verhaal’ van hun cultuur overgenomen en stemmen ze al dan niet bewust in met een hele reeks religieuze, politieke, sociale, wetenschappelijke of andere disciplinaire paradigma’s.

Verschillende van de bekendste constructen zijn volledig verzonnen – de niet-menselijke wereld kent bijvoorbeeld geen parallellen voor ‘kapitalisme’, ‘communisme’, ‘burgerrechten’ of ‘democratie’. Deze en soortgelijke concepten zijn volledig talige constructies en zijn groot geworden in het sociaal-politieke discours. Andere sociale constructen zijn nadrukkelijk gecreëerd om overeenkomstige verschijnselen in de echte wereld te beschrijven. Het domein van de wetenschap omvat bijvoorbeeld alles wat in tijd en ruimte meetbaar is – zwaartekracht, licht, energie, materie, enzovoorts. Tussen alle formele manieren van kennen neemt wetenschap een uniek plaats in, en wel in de zin dat wetenschappers de geldigheid van voorlopige constructen (hypothesen) over de echte wereld expliciet testen aan de hand van observatie en experimenten, en hun begrip dienovereenkomstig aanpassen. Wanneer de experimentele resultaten op betrouwbare wijze gerepliceerd kunnen worden, kan een hypothese worden verheven tot het niveau van een geaccepteerde theorie: een sociaal construct dat kan worden gebruikt als verklaring voor – of waarmee voorspellingen gedaan kunnen worden over – een bepaalde entiteit of verschijnsel.

Andere sociale constructen nemen een middenpositie in. We kunnen het er bijvoorbeeld over eens zijn dat ‘de economie’ dat geheel van menselijke activiteiten is, waarin goederen en diensten worden geproduceerd, gedistribueerd en geconsumeerd. Niettegenstaande bestaan er vele manieren om te bedenken hoe een economie gestructureerd zou moeten worden, die elk een weerspiegeling vormen van de specifieke reeks sociaal geconstrueerde waarden van de aanhangers en hun overtuigingen/aannames over de economie en haar relatie tot de samenleving, bestuurssystemen, ecosystemen, enzovoort. De ene benadering kan de nadruk leggen op concepten of activiteiten die in een andere benadering gemarginaliseerd of volledig weggelaten worden (zoals bijvoorbeeld privébezit versus staatseigendom, of vrije versus gereglementeerde markten).

En hier kan het ingewikkeld worden, want elk economisch paradigma is een veelomvattend sociaal geconstrueerd model dat andere modellen kan bevatten (of weglaten) die op hun beurt ook weer sociale constructen zijn.

Op dit punt zal het inmiddels duidelijk zijn dat veel van wat mensen als ‘echt’ beschouwen, niet noodzakelijk enige relatie heeft met iets ‘daarbuiten’, met iets in de echte wereld. Nog opmerkelijker is dat de meeste mensen zich er doorgaans niet van bewust zijn dat hun collectieve overtuigingen gedeelde illusies kunnen zijn; een cognitieve zinsbegoocheling die het lot van de mensheid weleens zou kunnen bepalen. Hoe goed of slecht gefundeerd ook, diepgewortelde sociale constructen zijn perceptuele filters waardoor mensen nieuwe gegevens en informatie interpreteren. En aangezien onze constructen de waargenomen werkelijkheid vormen, bepalen zij hoe wij ons tot de echte wereld verhouden. Miljoenen levens komen op het spel te staan wanneer gezagsdragers selectief omgaan met data (cherry-picking) op basis van een gevaarlijk onjuist maar gerieflijk sociaal construct (klimaatontkenning, om eens iets te noemen).

Kritische denkers zullen erkennen dat, tot het tegendeel is bewezen: a) alle constructen tot het domein van ‘gissingen’ behoren en dat b) niet alle gissingen gelijk zijn. Sommige vermoedens zullen noodzakelijkerwijs ‘beter’ zijn dan andere, met name in termen van hoe goed zij de biofysische werkelijkheid weergeven. In de woorden van Karl Popper: ‘in de wetenschap zijn vermoedens [hypothesen] onze proefballonnen, en we testen die door ze te bekritiseren, door te proberen ze te vervangen, door te proberen aan te tonen dat er betere of slechtere vermoedens kunnen zijn, en dat ze verbeterd kunnen worden […] Zolang een theorie de zwaarste beproevingen doorstaat waaraan we haar kunnen ontwerpen, wordt ze aanvaard; zo niet, dan wordt ze verworpen.’ – Karl Popper*

Wat betekent dit alles voor het economisch denken en ‘de economie’? Laten we erkennen dat alle economische theorieën/paradigma’s uitgebreide vermoedens zijn en dat geen ervan meer dan slechts een gedeeltelijke weergave kan bevatten van de biofysische, of zelfs sociale werkelijkheid. Als we aannemen dat dit een belangrijke algemene beperking is, dan moeten we ons met name zorgen maken over het huidige dominante neoliberale economische paradigma (de economie van het kapitalisme). Neoliberale modellen bevatten een beperkende karikatuur van het menselijk gedrag, negeren vrijwel de gehele sociaal-culturele dynamiek en hebben geen noemenswaardig oog voor de biofysische systemen waarmee de economie in wisselwerking staat. Bovendien, zoals een collega, een econoom, me onlangs uitlegde, werken gevestigde economen over het algemeen niet op wetenschappelijke wijze.

Terwijl natuurwetenschappers experimenteren en vervolgens hun modellen beter aanpassen om de werkelijkheid weer te geven, willen economen – vooral zij die in het bijzonder gecharmeerd zijn van het idee van zelfregulerende (vrije) markten – dat de reële economie zich aanpast aan hun modellen.